← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2024:7759

RECHTBANK Midden-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: C/16/553031 / HA ZA 23-154 Vonnis van 17 april 2024 in de zaak van [eiser] , wonende te [plaats 1] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. T. Binnema te Leeuwarden, tegen 1 [gedaagde sub 1] , wonende te [plaats 2] ,

  1. [gedaagde sub 2], wonende te [plaats 2] ,
  2. [gedaagde sub 3] B.V., gevestigd en kantoorhoudende te [plaats 2] , gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie, hierna samen in vrouwelijk enkelvoud te noemen: [gedaagde sub 1] c.s., ieder afzonderlijk te noemen, [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] , advocaat: mr. T.M. Maters te Huissen. 1De procedure 1.
  3. De rechtbank beschikt over de volgende stukken: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie - de conclusie van antwoord in reconventie, tevens wijziging van eis in conventie - akte overlegging producties (26 t/m 33), tevens vermeerdering van eis in reconventie - akte overlegging producties (20 t/m 22) van [eiser] - akte rectificatie van [gedaagde sub 1] c.s. 1.
  4. Bij brief is een mondelinge behandeling bepaald. Die heeft plaatsgevonden op 6 maart
  5. Partijen en hun advocaten waren daarbij aanwezig. Beide advocaten hebben pleitnota’s voorgelezen, partijen hebben vragen van de rechter beantwoord en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat ter zitting is besproken. Aan het einde van de zitting heeft de rechter verteld dat 17 april 2024 (vandaag) uitspraak zal worden gedaan in deze zaak. 2De beoordeling De vorderingen en de achtergrond daarvan 2.
  6. Tussen [eiser] en (in ieder geval) [gedaagde sub 3] is op 6 september 2017 een maatschapsovereenkomst gesloten. De maatschap was genaamd [onderneming 1] . 2.
  7. In een brief van 4 mei 2020 heeft mr. Maters namens [onderneming 2] BV de maatschap opgezegd tegen 4 augustus
  8. Daarbij heeft zij aangegeven dat [onderneming 2] BV de onderneming van de maatschap wil voortzetten. 2.
  9. Partijen twisten nu over het bedrag dat daarbij aan [eiser] moet worden betaald. [eiser] meent recht te hebben op een bedrag van € 149.146,00 en vordert dit in conventie. 2.
  10. [gedaagde sub 1] c.s. vordert in reconventie primair een bedrag van € 202.000,00 wegens overtreding van het relatiebeding en subsidiair een bedrag van € 140.000,00 aan inbreng voor genot en een verwijzing naar de schadestaatprocedure omdat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld door bankrekeningen te blokkeren en beslag te leggen. 2.
  11. Zowel [eiser] als [gedaagde sub 1] c.s. menen dat de ander zich onrechtmatig bij brief aan (onder andere) klanten heeft uitgelaten. Beide partijen vorderen in dat verband rectificatie en schadevergoeding, [eiser] onvoorwaardelijk en [gedaagde sub 1] c.s. alleen wanneer deze vordering van [eiser] wordt toegewezen. De uitkomst 2.
  12. De rechtbank zal [gedaagde sub 3] veroordelen om € 149.146,00 aan [eiser] te betalen (met rente) en zal de rest van de vorderingen van zowel [eiser] als [gedaagde sub 1] c.s. afwijzen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dat oordeel is gekomen. Financiële aanspraak bij uittreden van [eiser] In bindend advies staat dat [eiser] recht heeft op goodwill 2.
  13. Artikel 13 lid 1 van de maatschapsovereenkomst bepaalt dat bij het uittreden van één maat – in dit geval [eiser] – deze recht heeft op ‘het bedrag van zijn kapitaalrekening vermeerderd of verminderd met zijn aandeel in de winst of in het verlies, gemaakt of geleden blijkens de balans en de winst- en verliesrekening die overeenkomstig artikel 7 wordt opgemaakt, waarbij worden de activa opgenomen tegen de werkelijke waarde.’ 2.
  14. Omdat partijen het niet eens konden worden over onder andere de winst- en verliesrekening hebben zij de accountant [A] (hierna: [A] ) gevraagd daarover bij bindend advies te beslissen op grond van artikel 7 lid 4 van de maatschapsovereenkomst. Daarin is bepaald dat als partijen het niet eens kunnen worden over de winst- en verliesrekening de beslissing daarover wordt opgedragen aan een onpartijdige accountant, die zal worden aangewezen door de voorzitter van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie en dat deze beslissing bindend is. 2.
  15. In zijn rapport van 23 maart 2022 heeft [A] geschreven voor [eiser] als kapitaal per peildatum een bedrag van € 149.146,00 te hebben berekend (pagina 11). Hierop baseert [eiser] zijn eis. 2.
  16. [gedaagde sub 1] c.s. kan zich niet vinden in het door [A] genoemde bedrag van € 149.146,00, omdat bij die berekening ten onrechte interne goodwill is betrokken. Zij zegt dat [A] niet met zoveel woorden heeft gezegd dat [eiser] hierop aanspraak kan maken, maar dat hij het oordeel over de interne goodwill over heeft gelaten aan de rechter. [gedaagde sub 1] c.s. verwijst daarvoor naar pagina 5 van het rapport waarin staat: ‘Enerzijds, mede gezien de uitspraak van de rechter, zien wij primair geen ruimte voor activering van de “betaalde bedragen door de heer [eiser] ” als post op de balans van de maatschap, maar mogelijk slechts op de buitenvennootschappelijke balans van de heer [eiser] . Anderzijds delen wij de mening van de heer [eiser] dat de balansposten per peildatum tegen actuele waarde gewaardeerd moeten worden. Zoals gesteld door partij [gedaagde sub 1] is er geen ruimte onder de toepassing van de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving voor activering van eigen gecreëerde goodwill, maar de uitvoering van de maatschapsovereenkomst bepaalt specifiek anders. Dit is geen bepaling voor de jaarrekening, doch voor een afrekening tussen partijen. De balans kent dus inderdaad normaal geen eigen goodwill, maar de slotbalans vormt naar onze mening voor de verdeling daarvoor een uitzondering. Wij hebben dit met meerdere naar onze mening deskundige collega’s besproken en komen tot de conclusie dat voor de slotbalans wel ruimte is voor een activering van interne goodwill.’ 2.
  17. De rechtbank merkt op dat [A] in de voornoemde passage in de zin die begin met ‘Enerzijds’ verwijst naar de uitspraak die de voorzieningenrechter van 25 november 2020 in kort geding heeft gedaan. Daarin heeft hij met betrekking tot een door [eiser] ingestelde vordering onder 3.10 onder meer overwogen: ‘De voorzieningenrechter stelt het volgende voorop. Het is aannemelijk dat er sprake was van een situatie waarbij [eiser] zich inkocht in de maatschap. Uit de bijlage “Winstdeling maatschap versie [eiser (voornaam)] aangepast door [gedaagde sub 1 (voornaam)] zonder rente”, bezien in verband met de maatschapsovereenkomst, blijkt dat [eiser] een bedrag (aan goodwill) zou betalen over een periode van vijf jaar en dat hij daarna daarvan de volledige eigendom zou verkrijgen. Bovendien zou [eiser] , indien de maatschap binnen de vijf jaar ontbonden zou worden en hij de onderneming ervan zou voortzetten, het nog resterende bedrag ineens voldoen. Dat wil echter niet zeggen dat is afgesproken dat [eiser] het al door hem betaalde bedrag terugkrijgt bij een voortijdig einde van de maatschap waarbij niet hij, maar de B.V. de activiteiten voortzet. In dit geval is de maatschap (en niet de maatschapsovereenkomst, zie hieronder) opgezegd op grond van artikel 11 lid 5 sub a van de maatschapsovereenkomst, waardoor artikel 12 lid 2 van die overeenkomst van toepassing wordt: het maatschapsaandeel van [eiser] moet door de B.V. worden overgenomen (…). In artikel 13 lid 1 van de maatschapsovereenkomst staat vervolgens expliciet benoemd dat [eiser] in dat geval bij overname van zijn maatschapsaandeel alleen recht heeft op het saldo van zijn kapitaalrekening’. De rechtbank is op basis van die overweging en de hiervoor geciteerde passage uit het rapport van [A] (in samenhang met pagina 4 van dat rapport) van oordeel dat hetgeen na ‘Enerzijds’ staat geschreven, ziet op bij aanvang van de maatschap bestaande goodwill waarvoor [eiser] gedurende de looptijd van de maatschapsovereenkomst zou betalen. De passage na ‘Anderzijds’ uit de hiervoor geciteerde passage uit het rapport van [A] ziet niet op diezelfde goodwill, maar op goodwill die [eiser] gedurende zijn lidmaatschap van de maatschap (mede) heeft opgebouwd. Dat is de goodwill die [A] wel in zijn berekening heeft meegenomen. Aldus heeft hij als bindend adviseur beslist en dit oordeel niet aan de rechter overgelaten. 2.
  18. De rechtbank komt niet tot een ander oordeel door de e-mail van [A] van 18 januari 2022 bij de eerste conceptversie van zijn rapport waarnaar [gedaagde sub 1] c.s. verwijst. Daarin schrijft [A] : ‘De impact van de vele vragen is naar onze mening beperkt, behalve de behandeling van de goodwill. Primair zijn wij van mening dat deze door een rechter bepaald dient te worden. Mochten partijen daarvoor niet gaan procederen, is de uitwerking meegenomen zoals wij deze zaak bezien.’ Deze e-mail ziet immers op een eerste conceptversie van zijn rapport en niet de definitieve versie. De rechtbank beschikt bovendien niet over de vragen waarnaar [A] in de e-mail verwijst, zodat deze e-mail van de benodigde context verstoken blijft en niet duidelijk is op welke goodwill zijn opmerking ziet. 2.
  19. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in het bindend advies van [A] is beslist dat [eiser] recht heeft op een bedrag van € 149.146,
  20. Dit bindend advies is niet achterhaald doordat [gedaagde sub 1] c.s. later een andere jaarrekening heeft vastgesteld en [eiser] daartegen niet binnen twee maanden – zoals in de maatschapsovereenkomst is voorgeschreven – bezwaren heeft geuit. Ook al stond in het rapport dat daarna de jaarrekening nog moest worden vastgesteld, [gedaagde sub 1] c.s. mocht gelet op het rapport en de onenigheid tussen partijen die aanleiding was voor dat bindend advies uit het stilzwijgen van [eiser] over een andersluidende jaarrekening niet opmaken dat zijn bezwaren daartegen niet langer golden. Bindend advies niet vernietigbaar 2.
  21. Partijen moeten uitvoering geven aan het bindend advies, tenzij dit advies vernietigbaar is. [gedaagde sub 1] c.s. meent dat dat het geval is. De rechtbank stelt voorop dat het bindend advies kwalificeert als vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 BW. Dat advies is op grond van artikel 7:904 lid 1 BW alleen vernietigbaar in het geval gebondenheid aan dat advies in verband met inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. 2.
  22. [gedaagde sub 1] c.s. stelt wel dat [A] buiten zijn opdracht is getreden, maar partijen hebben niet de opdrachtbevestiging overgelegd en in het rapport staat goodwill zowel bij de opdracht als de uitwerking daarvan opgenomen. Voor zover [gedaagde sub 1] c.s. meent dat dit alleen ging over de bij aanvang van de maatschap bestaande goodwill waarvoor [eiser] gedurende de looptijd van de maatschapsovereenkomst zou betalen en niet op de tijdens de maatschap opgebouwde goodwill, kan de rechtbank dat niet volgen. De rechtbank leidt uit 6.1.
  23. van het rapport af dat [gedaagde sub 1] c.s. ook in haar reactie op het conceptrapport heeft betoogd dat [A] buiten zijn opdracht is getreden, maar [A] heeft gemotiveerd waarom hij meent dat dit wel onder zijn opdracht viel en uit het rapport blijkt ook dat [gedaagde sub 1] c.s. heeft gereageerd op de stellingen van [eiser] over de tijdens de maatschap opgebouwde goodwill. Het klopt dat op pagina 4 van het conceptrapport ( [gedaagde sub 1] c.s. schrijft pagina 5, maar daar leest de rechtbank dat niet) heeft opgenomen: ‘Primair volgen wij de juridische uitspraak van de rechter, maar secundair zijn wij van mening dat de boekwaarde van de opgebouwde goodwill per peildatum ad € 61.200 de heer [eiser] toekomt’, maar de rechtbank leest daarin niet dat dit over de tijdens de maatschap opgebouwde goodwill gaat en bovendien is dit een conceptrapport dat op vele punten nog is gewijzigd. Anders dan [gedaagde sub 1] c.s. heeft betoogd, heeft [A] zijn oordeel over de tijdens de maatschap opgebouwde goodwill op pagina 4 en 5 van het rapport gemotiveerd. De daarbij opgenomen zinsnede dat [A] dit met collega’s heeft besproken is niet de enige motivering, maar onderdeel daarvan. In die zinsnede ligt besloten dat de geraadpleegde collega’s van [A] het daarmee eens waren. In de motivering van (de omvang van) de goodwill heeft [A] opdrachtbevestigingen van klanten betrokken en dat beide partijen een deel van de tijd niet (volledig) inzetbaar waren. Onder 6.1.
  24. van het rapport van [A] schrijft hij in reactie op bezwaren van [gedaagde sub 1] c.s. dat hij er bewust voor heeft gekozen zonder nadere toelichting te vragen om opdrachtbevestigingen. Beide partijen hebben zich hier niet over kunnen uitlaten, zodat er geen sprake is van schending van het beginsel van hoor en wederhoor. [A] lijkt te hebben aangenomen dat niet ter discussie stond dat ook [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een deel niet inzetbaar waren. Dat hij dat niet had mogen doen, heeft [gedaagde sub 1] c.s. niet onderbouwd. Dat [gedaagde sub 1] c.s. het op voornoemde punten niet eens is met het oordeel van [A] , maakt dit oordeel nog niet onbegrijpelijk, laat staan dat de totstandkoming van dat rapport naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. 2.
  25. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het rapport niet (gedeeltelijk) vernietigbaar is. De rechtbank komt dan ook niet toe aan een uitleg van artikel 13 lid 1 van de maatschapsovereenkomst en de vraag of goodwill daaronder wel of niet moet worden begrepen. [eiser] kan dus aanspraak maken op € 149.146,
  26. Alleen [gedaagde sub 3] moet betalen, niet ook [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] 2.
  27. De rechtbank is van oordeel dat alleen [gedaagde sub 3] tot voldoening van het bedrag van € 149.146,00 kan worden aangesproken en niet ook [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , zoals [eiser] meent. [eiser] onderbouwt zijn standpunt door erop te wijzen dat in de maatschapsovereenkomst in de aanhef staat dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] “in privé” hebben getekend en in de slotoverwegingen is verwezen naar artikel 1:88 BW. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. en de notaris is “in privé” alleen opgenomen in verband met de huur. Dat de huur anders dan [eiser] zegt wel degelijk onderwerp van gesprek en overeenkomst was, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit artikel 12 lid 7 van de maatschapsovereenkomst, waarin staat: ‘Bij voortzetting door maat 2 heeft maat 2 het recht om het kantoorpand [adres] te [plaats 2] (eigendom van de heer [gedaagde sub 1] en mevrouw [gedaagde sub 2] in privé) voor ten minste vijf jaar onopzegbaar te huren tegen betaling van een huurprijs.’ In het licht van deze gemotiveerde betwisting acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] contractspartij bij de maatschapsovereenkomst zijn geworden. Daarbij acht de rechtbank niet van belang of [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] met [gedaagde sub 3] een stille maatschap vormden, nu daaruit niet automatisch een hoofdelijke aansprakelijkheid voortvloeit. Rente 2.
  28. [eiser] heeft gevorderd het bedrag van € 149.146,00 te vermeerderen met de contractuele rente, bestaande uit de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW te vermeerderen met een percentage van drie procent (3%), te berekenen vanaf 4 augustus 2020, zijnde de datum van het einde van de maatschap. [gedaagde sub 1] c.s. heeft niet betwist dat hierop recht bestaat, maar opgemerkt dat [eiser] de rente in de fase voorafgaand aan deze procedure verkeerd had berekend (namelijk samengesteld in plaats van enkelvoudig) en dat zij geen wettelijke rente is verschuldigd, omdat zij een beroep doet op een verrekeningsbevoegdheid. Nu in deze procedure geen sprake is van een bedrag aan wettelijke rente dat samengesteld is berekend, én uit het navolgende zal blijken dat [gedaagde sub 1] c.s. geen beroep op verrekening toekomt, kan [eiser] aanspraak maken op de contractuele rente vanaf 4 augustus
  29. Geen vergoeding wegens overtreden relatiebeding 2.
  30. [gedaagde sub 1] c.s. heeft gesteld dat [eiser] het relatiebeding (artikel 10 van de maatschapsovereenkomst) heeft geschonden en in verband daarmee een bedrag van – na eiswijziging – € 202.000,00 aan boetes gevorderd. 2.
  31. In artikel 10 van de managementovereenkomst is opgenomen: ‘
  32. Een maat zal gedurende het bestaan van de maatschap op geen enkele wijze betrokken mogen zijn bij een onderneming met geheel of gedeeltelijk hetzelfde doel als dat van de maatschap noch werkzaamheden verrichten – anders dan namens de maatschap – ten behoeve van klanten die deel uitmaken van het door maat 1 in genot gebrachte klantenbestand. Hij zal zich ook niet in een dergelijke onderneming financieel mogen interesseren anders dan door middel van op de beurs genoteerde effecten.
  33. Wanneer een maat ophoudt maat te zijn, blijft het in lid 1 vermelde beding gedurende twee

(2)jaren op hem van toepassing voor zover de in lid 1 bedoelde onderneming wordt uitgeoefend binnen een straal van dertig
(30)kilometer van het adres van de maatschap. (…)’ 2.
  1. [eiser] heeft betoogd dat voornoemd beding niet meer geldig is, omdat de maatschap als gevolg van de ontbinding per 8 augustus 2020 is opgehouden te bestaan waardoor geen sprake is van ‘gedurende het bestaan van de maatschap’. De rechtbank volgt [eiser] hierin niet. Conform artikel 12 van de maatschapsovereenkomst en de brief van mr. Maters van 4 mei 2020 (onder 2.2.) is de maatschap voortgezet door [gedaagde sub 3] . De lezing van artikel 10 lid 1 zoals voorgestaan door [eiser] zou die bepaling zinledig maken als de uittreding van een maat automatisch tot gevolg zou hebben dat de maatschap ophoudt te bestaan. 2.
  2. [eiser] heeft verder aangevoerd dat hij na het uittreden uit de maatschap is gaan werken voor de onderneming [onderneming 3] in [plaats 3] , aldus buiten de genoemde straal van 30 kilometer. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. is die straal echter alleen van toepassing bij het concurrentiebeding (het eerste deel van de eerste zin van artikel 10 lid 1), en is het relatiebeding (het tweede deel van de eerste zin van artikel 10 lid 1) geografisch onbegrensd. De rechtbank is van oordeel dat de begrenzing tot 30 kilometer ook van toepassing is op de zinsnede ‘werkzaamheden verrichten – anders dan namens de maatschap – ten behoeve van klanten die deel uitmaken van het door maat in genot gebrachte klantenbestand’ in lid 1 van artikel 10 van de maatschapsovereenkomst. In het tweede lid van dat artikel wordt immers gesproken over één beding in lid 1 en wordt geen onderscheid gemaakt tussen het eerste en tweede deel van de eerste zin van lid
  3. Het woord ‘onderneming’ voorafgaand aan de begrenzing tot 30 kilometer acht de rechtbank onvoldoende om dit onderscheid alsnog te maken. Niet alleen in het eerste deel van de eerste zin, maar ook in de tweede zin van lid 1 wordt namelijk gesproken over een onderneming, hetgeen de rechtbank niet goed kan plaatsen als ook de tweede zin alleen op het eerste deel van de eerste zin zou zien. Bovendien ligt het niet voor de hand dat werkzaamheden voor klanten verricht worden anders dan vanuit een (eigen) onderneming. 2.
  4. [gedaagde sub 1] c.s. heeft gesteld dat [eiser] niet vanuit [plaats 3] maar vanuit zijn woonplaats [plaats 1] werkzaamheden voor klanten heeft verricht. Dit heeft zij naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende onderbouwd. [gedaagde sub 1] c.s. schrijft onder nummer 74 van de conclusie van eis in reconventie wel: ‘De relaties [de rechtbank begrijpt: [onderneming 4] B.V. en [onderneming 5] VOF] hebben in 2020 al aangegeven voortaan gebruik te maken van de diensten van een accountant uit [plaats 1] .’, maar een nadere toelichting is niet gegeven en er zijn geen stukken overgelegd waaruit dat blijkt. Dit betekent dat niet wordt toegekomen aan bewijslevering. 2.
  5. Nu niet is komen vast te staan dat [eiser] het relatiebeding heeft overtreden, komt de rechtbank toe aan de subsidiaire vordering van [gedaagde sub 1] c.s. aangaande een vergoeding voor de inbreng van genot en schadevergoeding voor het blokkeren van bankrekeningen en het leggen van beslag. Geen bedrag aan inbreng voor genot 2.
  6. [gedaagde sub 1] c.s. heeft haar vordering tot een vergoeding voor de inbreng van genot gebaseerd op Slotbepaling A lid 3 van de maatschapsovereenkomst. De rechtbank stelt vast dat in lid 1 staat dat [gedaagde sub 3] zich heeft verplicht tot de inbreng van genot van het klantenbestand en de inventaris. In lid 3 staat dat de maten voor die inbreng nog een vergoeding overeenkomen. Dit punt is eerder al in een bindend advies van [A] over het jaar 2019 beslist in voor [gedaagde sub 3] negatieve zin. [gedaagde sub 1] c.s. heeft niet onderbouwd waarom dit advies niet zou moeten worden gevolgd. Daarom zal de rechtbank deze vordering afwijzen. Geen schade door blokkeren bankrekeningen en leggen beslag 2.
  7. [gedaagde sub 1] c.s. heeft een verklaring voor recht gevorderd dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld door haar bankrekeningen te blokkeren en beslag op de bankrekeningen te leggen en daarvoor schadevergoeding gevorderd op te maken bij staat. De rechtbank zal deze vordering afwijzen omdat [gedaagde sub 1] c.s. niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij hierdoor schade heeft geleden. Zij heeft volstaan door te zeggen dat zij door het handelen van [eiser] ‘in de problemen’ is gekomen en [gedaagde sub 3] uit eigen middelen bedragen moest voorschieten, maar dit is nog geen begin van het aantonen van schade. Daarom kan in het midden blijven of [eiser] de rekeningen heeft geblokkeerd. Geen rectificatie van brief en schadevergoeding 2.
  8. In een brief getekend door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] van 27 oktober 2020 aan klanten van de maatschap is onder meer opgenomen: ‘Wij willen u hierdoor graag op de hoogte stellen van de laatste ontwikkelingen met betrekking tot ons kantoor. De maand februari van dit jaar is voor [gedaagde sub 2 (voornaam)] en mij een bijzondere maand geworden; helaas in negatieve zin. Wij werden allereerst geconfronteerd met de ziekmelding per e-mail van [eiser] op zondagavond 2 februari. Een ziekmelding waarmee hij al had gedreigd en waarover [eiser] later tegenover een client bevestigde wat wij al vermoedden. [eiser] had zich ziek gemeld vanwege een conflict met ons.’ [eiser] meent dat [gedaagde sub 1] c.s. met het verzenden van deze brief onrechtmatig tegenover hem heeft gehandeld. Volgens [eiser] wordt in de brief ten onrechte de indruk gewekt dat [eiser] niet ziek zou zijn en dat hij een ziekte zou hebben geveinsd. 2.
  9. De rechtbank leest echter in de brief niet dat [eiser] wordt verweten dat hij niet ziek zou zijn en zijn ziekte heeft geveinsd. Dat wordt vermeld dat [eiser] met ziekmelding had gedreigd, in de zin dat hij zijn ziekte had aangekondigd, betekent niet dat die ziekmelding niet terecht zou kunnen zijn. Ook het feit dat een conflict aan de basis ligt van die ziekmelding brengt niet met zich dat daarmee de indruk zou kunnen worden gewekt dat [eiser] (daardoor) niet ook daadwerkelijk ziek kon zijn. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat [eiser] ook niet in zijn rectificatie vermeld wenst te zien dat de mededelingen in de brief onjuist zijn. Aan [eiser] kan worden toegegeven dat de brief van [gedaagde sub 1] c.s. overbodig en subjectief is en mogelijk ook grievend – hetgeen [gedaagde sub 1] een tuchtrechtelijk verwijt heeft opgeleverd. Naar het oordeel van de rechtbank is het echter niet onrechtmatig. Daarom kan in het midden blijven of [eiser] daadwerkelijk arbeidsongeschikt was en moeten de vorderingen van [eiser] met betrekking tot rectificatie en schadevergoeding worden afgewezen. 2.
  10. Bijgevolg behoeven de voorwaardelijk door [gedaagde sub 1] c.s. ingestelde vorderingen tot rectificatie en schadevergoeding geen behandeling. Conclusie 2.
  11. [gedaagde sub 3] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. 2.
  12. De proceskosten van [eiser] worden in conventie begroot op: - kosten van de dagvaarding € 137,17 - griffierecht € 2.277,00 - salaris advocaat € 3.858,00 (2,00 punten × € 1.929,00) - nakosten € 139,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 6.411,17 2.
  13. De wettelijke rente over de proceskosten wordt in conventie toegewezen zoals hierna in de beslissing vermeld. 2.
  14. In reconventie is [gedaagde sub 1] c.s. in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. 2.
  15. De proceskosten van [eiser] worden in reconventie begroot op: - salaris advocaat € 2.714,00 (2,00 punten × 0,5 × € 2.714,00) - nakosten € 139,00 (plus de verhoging zoals vermeld vermeld in de beslissing Totaal € 2.853,00 3De beslissing De rechtbank In conventie: 3.
  16. veroordeelt [gedaagde sub 3] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 149.146,00, te vermeerderen met de overeengekomen rente van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW plus 3% per jaar over dit bedrag, met ingang van 4 augustus 2020, tot de dag van volledige betaling, 3.
  17. veroordeelt [gedaagde sub 3] in de proceskosten van € 6.411,17, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, 3.
  18. veroordeelt [gedaagde sub 3] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan, In reconventie: 3.
  19. wijst de vorderingen af, 3.
  20. veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 2.853,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, In conventie en in reconventie: 3.
  21. veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk tot betaling van € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 3.
  22. verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen in 3.1, 3.2, 3,3, 3.5 en 3.6 uitvoerbaar bij voorraad, 3.
  23. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. K.G.F. van der Kraats en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2024.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.