← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2024:7817

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/093401-23 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 8 mei 2024 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats] , zonder vaste woon- en verblijfplaats, nu gedetineerd te [detentieadres] , hierna: verdachte. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 juli 2023, 28 september 2023, 21 december 2023, 30 januari 2024 en 24 april

  1. Op 24 april 2024 is de zaak inhoudelijk behandeld. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. D.P.L. ter Laak en van hetgeen de raadsman van verdachte, mr. T. Sönmez, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich primair schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag omdat hij op 4 april 2023 te Utrecht heeft geprobeerd om [slachtoffer] te doden door meermalen met een kettingslot op het hoofd van die [slachtoffer] te slaan. Mocht dit niet bewezen worden dan zijn dezelfde handelingen subsidiair ten laste gelegd als een poging tot zware mishandeling en meer subsidiair als mishandeling. 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht de primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend te bewijzen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman voert aan dat er geen sprake is van vol opzet maar van voorwaardelijk opzet ten aanzien van het primair ten laste gelegde en voert verder geen bewijsverweer. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Bewijsmiddelen De verklaring van verdachte O: Je hebt hem geslagen met een kettingslot.V: Wat heb je precies gedaan?A: Ik zag dat wij station Utrecht naderde. En ik dacht het is nu of nooit. Dus ik liep langs en toen heb ik uitgehaald met dat ding. V: Waar heb je hem geraakt?A: Op zijn hoofdA: Het had anders kunnen aflopen.A: Er stapte iemand tussen ons in. Dus ik kon het niet afmaken.V: Wilde je dat wel dan?A: Ja, ik wilde het wel afmaken. Ik wilde hem dood maken. De verklaring van [slachtoffer] Op 4 april 2023 stopte de trein op Utrecht Centraal station. Daarop maakte ik aanstalten om uit de trein te stappen. Ik zag toen dat er vanuit de tegengestelde richting een voor mij onbekende man, de verdachte, het treinstel in liep en mij passeerde. Ik zag toen dat de verdachte zich naar mij omdraaide. Ik zag toen dat de verdachte een zwart kettingslot in zijn hand vasthield. Ik zag dat dat kettingslot los was en dat de lengte ongeveer een meter was. Ik zag vervolgens dat de verdachte zijn hand met daarin het kettingslot boven zijn hoofd hield. Vervolgens zag ik dat hij met een neerwaartse armbeweging dat kettingslot, met kracht in mijn richting sloeg. Ik zag dat hij dit meerdere malen deed. Ik denk dat hij dit twee tot drie keer deed. Ik voelde dat het kettingslot mij op de linkerzijde van mijn hoofd raakte. Opmerking verbalisant: ik zie dat het slachtoffer aan de linkerzijde van zijn hoofd bloedt. Ik hoor dat hij zegt dat zijn hoofdwond pijn doet.Vervolgens zag ik dat er twee vrouwen tussen mij en de verdachte in kwamen staan. Ik zag dat hij wederom meerdere malen mij met het kettingslot probeerde te slaan. Vervolgens voelde ik een tinteling op de linkerzijde van mijn hoofd. Ik zag dat er politie ter plaatse kwam en dat de verdachte werd aangehouden. Bewijsoverweging De rechtbank is, evenals de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte (vol) opzet heeft gehad op de dood van aangever door meerdere malen met het kettingslot te slaan op het hoofd van de aangever. 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: (primair) op 4 april 2023 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen met kracht met een kettingslot (dat los was, met een totale lengte van ongeveer 1 meter) op/tegen het hoofd van [slachtoffer] neerwaartse slagen/bewegingen heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 6STRAFBAARHEID VAN HET FEIT Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op: poging tot doodslag. 7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie vordert ook om een maatregel tot terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met dwangverpleging op te leggen. Hij eist dat de TBS-maatregel ongemaximeerd wordt opgelegd ter bescherming van de veiligheid van personen en de maatschappij en vindt het daarom niet nodig om ook nog de door de reclassering geadviseerde gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) op te leggen. 8.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman voert het volgende aan. Verdachte heeft geen medewerking verleend aan het opstellen van de rapportages, waardoor de psycholoog maar enkele minuten contact heeft gehad met verdachte. Hierdoor verzoekt de raadsman om kritisch te kijken naar de uitgebreide rapportages over verdachte. De raadsman merkt op dat uit de rapportages blijkt dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is en hulp nodig heeft. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. Ernst van het feit Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door meerdere keren op het hoofd van aangever te slaan met een kettingslot. Verdachte heeft een onbekende uit het niets aangevallen en daarbij een kettingslot als wapen gebruikt. Verdachte heeft een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Aangever heeft in zijn aangifte verklaard dat hij nu continu denkt dat hij over zijn schouders moet kijken. Verdachte heeft met zijn handelen niet alleen gevoelens van angst en onveiligheid bij aangever veroorzaakt, maar ook in de samenleving aangezien dergelijk geweld bijdraagt aan zulke gevoelens. Het geweld vond nota bene plaats in de vroege ochtendspits in de trein bij station Utrecht Centraal onder toeziend oog van treinreizigers en getuigen. Door het ingrijpen van omstanders is erger voorkomen. Dat het fysieke letsel bij aangever relatief gering is gebleven, is allerminst aan het handelen van verdachte te danken. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan. Persoon van verdachte De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van verdachte kennisgenomen van: het op zijn naam gestelde strafblad van 8 maart 2024; een Pro Justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) van 29 januari 2024, opgesteld door H.C. Went, psychiater, en K.A. Rose, GZ-psycholoog; een reclasseringsrapportage van 8 april 2024, van Reclassering Nederland. Uit het strafblad van verdachte blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Uit de PBC-rapportage blijkt dat verdachte heeft geweigerd om mee te werken aan het onderzoek. De onderzoekers schrijven het volgende: Hoewel het milieuonderzoek beperkt is omdat er geen referenten konden worden gesproken, bevat het voldoende informatie vanuit andere bronnen (penitentiair, persoonsdossier en politiemutaties) om een beeld te krijgen over betrokkene’s functioneren voor het ten laste gelegde. In combinatie met de summiere eigen gespreksindrukken, observaties op de groep en (medische) informatie uit het penitentiair dossier en de informatie uit het strafdossier is het voor onderzoekers toch mogelijk gebleken tot beantwoording van de vraagstelling te kunnen komen. Het onderzoek kent tegelijkertijd veel beperkingen, waardoor niet duidelijk is geworden of en in hoeverre betrokkens weigering pathologische elementen bevat. Er is bij betrokkene voorafgaand aan en tijdens de huidige detentie sprake van een ernstige psychische ontregeling in de vorm van een psychotische stoornis. De politiemutaties (beschikbaar vanaf 2019; eerdere gegevens ontbreken) geven tenminste vanaf 2019 (betrokkene’s 39e jaar) aanwijzingen voor het bestaan van grootheidsideeën en achterdocht. (…) Over het ten laste gelegde heeft betrokkene op verschillende plekken en op verschillende momenten, consistent en consequent (…) aangegeven dat hij handelde vanuit zijn overtuiging dat aangever lid was van een Chinese organisatie, waarvan de leden het op betrokkene zouden hebben voorzien. Onderzoekers menen dat de vastgestelde psychotische problematiek het handelen van betrokkene ten tijde van het ten laste gelegde - indien bewezen - beïnvloedde. (…) Door beperkingen van het onderzoek hebben onderzoekers niet kunnen vaststellen in welke mate de problematiek doorwerkte in het ten laste gelegde. Wel wordt duidelijk dat de realiteitszin gestoord was en hij blijkens zijn verklaringen, indien bewezen, handelde vanuit pathologische overtuigingen. Om deze reden adviseren onderzoekers om het ten laste gelegde feit, indien dit bewezen wordt verklaard, ten minste verminderd aan betrokkene toe te rekenen, waarbij, gezien de beperkingen van het onderhavige onderzoek, een verdere doorwerking niet te onderbouwen is, maar ook zeker niet uit te sluiten. Uit de PBC-rapportage maakt de rechtbank op dat bij verdachte sprake is een psychotische stoornis. De beperkingen in het huidige onderzoek maken dat het voor de onderzoekers niet duidelijk is geworden in welk kader de psychotische stoornis zich voordoet, omdat onvoldoende zicht is op de precieze aard van de symptomatologie en het beloop daarvan in de tijd. De onderzoekers merken op dat in de onderhavige zaak tekenen zijn van hypomane of manische ontremming, afgaand op de licht eufore stemming en de aanwijzingen voor grootheidsideeën. Volgens de onderzoekers zijn er in ieder geval voldoende aanwijzingen om bij verdachte te spreken van een ongespecificeerde schizofreniespectrum of andere psychotische stoornis. De onderzoekers geven aan dat hierbij gedacht kan worden aan een manisch psychotisch toestandsbeeld, mogelijk in het kader van een bipolaire stoornis, een schizo-affectieve stoornis of schizofrenie. De onderzoekers rapporteren dat zo lang de psychotische stoornis aanwezig is bij verdachte en hij zou worden vrijgelaten er een acuut, hoog risico op herhaling is, met kans op ernstig letsel. Met name de verstoorde realiteitszin maakt verdachte volgens de onderzoekers onnavolgbaar en onvoorspelbaar. De onderzoekers achten het risico op herhaling – bij aanwezigheid van de psychotische stoornis – hoog, vooral gezien eerdere agressieve incidenten c.q. uitspraken die hij vanuit de psychotische stoornis heeft gedaan. Zo blijkt uit de PBC-rapportage dat verdachte eerder heeft aangegeven dat hij fysiek agressief kan worden naar mensen, van met name Aziatische of Noord-Afrikaanse komaf, wanneer zij in zijn ogen intimiderend naar hem zijn en heeft hij onder andere gezegd dat hij zichzelf zou moeten verdedigen. De onderzoekers concluderen dat behandeling nodig is. Er is ruime tijd nodig voor behandeling, gelet op de inschatting dat verdachte niet zal meewerken op vrijwillige basis, in een steunend structurerende setting. Na diagnostiek en behandeling van de psychotische stoornis is nadere diagnostiek geïndiceerd, naar de mogelijke aanwezigheid van cognitieve stoornissen, persoonlijkheidsproblematiek en/of andere co-morbide psychiatrische stoornissen. Daarbij is ook aandacht nodig voor mogelijk misbruik of afhankelijkheid van middelen, waarvoor mogelijk ook een behandeling dient te worden ingesteld. De onderzoekers geven aan dat de beveiliging van hoog niveau moet zijn zoals in een FPC. De onderzoekers merken op dat een zorgmachtiging of behandeling in een voorwaardelijk kader, gelet op al het voorgaande, te kort schieten. De onderzoekers adviseren om een TBS-maatregel met dwangverpleging op te leggen, omdat zij vanuit gedragskundig oogpunt geen andere mogelijkheid zien als behandeladvies om de psychotische stoornis goed te behandelen en daarmee het recidivegevaar te verminderen. Uit het reclasseringsrapport blijkt dat de reclassering zich conformeert aan het advies van de rapporteurs van het PBC van 29 januari
  2. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met voorwaarden het risicomanagement te waarborgen. Een strikt kader is noodzakelijk om verdachte (gedwongen) te kunnen behandelen en de maatschappij te beveiligen. De reclassering adviseert ook om een GVM op te leggen. Op te leggen straf en maatregel Gevangenisstraf Bij een poging tot doodslag is in beginsel de oplegging van een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. De rechtbank acht, vanwege de ernst van het bewezen verklaarde feit, zonder meer de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank ziet in deze zaak alleen wel aanleiding de onvoorwaardelijke gevangenisstraf te beperken in duur en overweegt hiertoe het volgende. Bij verdachte was sprake van een psychotische stoornis die ook aanwezig was ten tijde van het ten laste gelegde feit. Door deze stoornis heeft verdachte geen goed besef van de werkelijkheid gehad en heeft de stoornis het handelen van verdachte beïnvloed. Om die reden acht de rechtbank de verdachte voor dit feit verminderd toerekeningsvatbaar. Gelet hierop dient verdachte naar het oordeel van de rechtbank zo snel mogelijk te worden behandeld. De rechtbank merkt daarbij op dat ook aangever heeft verklaard dat hij hoopt dat verdachte de hulp krijgt die verdachte nodig heeft. De rechtbank is van oordeel dat het voorkomen van herhaling en hulp voor verdachte in dit geval zwaarder wegen dan het doel van vergelding. Dit alles leidt ertoe dat de rechtbank een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, te weten een gevangenisstraf van 401 dagen, een passende straf acht. TBS met dwangverpleging De rechtbank heeft kennis genomen van de conclusies van de PBC-onderzoekers en de reclassering over de noodzaak van een lange en uitgebreide behandeling van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan de vereisten voor het opleggen van de TBS-maateregel, zoals bedoeld in de artikelen 37a en 37b Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van de TBS-maatregel met dwangverpleging vereisen. Hierbij heeft de rechtbank de aard en de ernst van het feit en de ongespecificeerde schizofreniespectrumstoornis- of andere psychotische stoornis van verdachte in aanmerking genomen. Ook houdt de rechtbank er uitdrukkelijk rekening mee dat zo lang de psychotische stoornis aanwezig is en verdachte zou worden vrijgelaten een acuut, hoog risico op herhaling bestaat, met kans op ernstig letsel voor anderen. Volgens de PBC-onderzoekers is langdurige behandeling met nadere diagnostiek van belang. De onderzoekers achten het tevens noodzakelijk dat deze behandeling plaatsvindt binnen een hoog beveiligingsniveau, gezien eerdere incidenten tijdens het verblijf van verdachte in detentie, die voortvloeide uit het psychiatrische toestandsbeeld, en de conclusie dat behandelingen in andere settingen geen soelaas zullen bieden. De rechtbank neemt dit oordeel over. Dit betekent dat naar het oordeel van de rechtbank enkel een behandeling binnen een FPC passend is. De rechtbank zal daarom aan verdachte ook de TBS-maatregel met dwangverpleging opleggen. Ongemaximeerde TBS-maatregel De rechtbank is van oordeel dat de bewezen verklaarde poging tot doodslag is aan te merken als een geweldsmisdrijf als bedoeld in artikel 38e Sr, namelijk een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, zodat de TBS-maatregel met dwangverpleging de maximale duur van vier jaar te boven kan gaan. 9BESLAG 9.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het kettingslot is gebruikt bij het plegen van het strafbaar feit, waardoor dit voorwerp verbeurd moet worden verklaard. 9.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich niet uitgelaten over het beslag. 9.3 Het oordeel van de rechtbank Verbeurdverklaring De rechtbank zal het in beslag genomen voorwerp, te weten het kettingslot, verbeurd verklaren. Met behulp van dit voorwerp is het bewezen verklaarde feit begaan. 10TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 37a, 37b, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 11BESLISSING De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld; - verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Strafbaarheid - verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; - verklaart verdachte strafbaar; Oplegging straf en maatregel - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 401 dagen; - bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd; bepaalt dat de totale duur van de TBS-maatregel niet is gemaximeerd; Beslag - verklaart het volgende voorwerp verbeurd:  kettingslot (G3143707). Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.M. Lemmen, voorzitter, mr. L.M.G. de Weerd en mr. J.F. Haeck, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Stekkel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 mei
  3. Bijlage: de tenlastelegging Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat: hij, op of omstreeks 4 april 2023 te Utrecht, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen met kracht met een (zwaar) kettingslot (dat los was, met een totale lengte van ongeveer 1 meter) op/tegen/in de richting van het hoofd/lichaam van [slachtoffer] neerwaartse slagen/bewegingen heeft gemaakt, althans heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid ( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht ) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij, op of omstreeks 4 april 2023 te Utrecht, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, met kracht, met een (zwaar) kettingslot (dat los was, met een totale lengte van ongeveer 1 meter) op/tegen/in de richting van het hoofd/lichaam van [slachtoffer] neerwaartse slagen/bewegingen heeft gemaakt, althans heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; ( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht ) meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij, op of omstreeks 4 april 2023 te Utrecht, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door meermalen met kracht met een (zwaar) kettingslot (dat los was, met een totale lengte van ongeveer 1 meter) op/tegen/in de richting van het hoofd en/of lichaam van voornoemde [slachtoffer] te slaan en/of voornoemde [slachtoffer] tegen zijn knie, althans lichaam, te schoppen; ( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht ) Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 6 april 2023, genummerd PL0900-2023097716, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met
  4. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. De bewijsmiddelen zijn zakelijk weergegeven. Een proces-verbaal verhoor van verdachte, pag.
  5. Een proces-verbaal verhoor van verdachte, pag.
  6. Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pag.
  7. Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pag. 6.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.