← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2024:7857

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 23/1245 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2024 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: [gemachtigde] ) en Dienst Toeslagen (gemachtigden: [gemachtigden] ). Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de herziening van de eerder verstrekte voorschotten kinderopvangtoeslag over 2021 en 2022 en de terugvordering van een deel van de voorschotten kinderopvangtoeslag over
  2. 1.
  3. Eiseres heeft op 19 maart 2023 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een beslissing. 1.
  4. Bij besluit van 2 mei 2023 (bestreden besluit I) heeft Dienst Toeslagen een beslissing op bezwaar genomen en het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. 1.
  5. Dienst Toeslagen heeft op 4 november 2024 een nieuwe beslissing op bezwaar (bestreden besluit II) genomen, dat in de plaats treedt van bestreden besluit I. 1.
  6. Eiseres heeft schriftelijk op het bestreden besluit II gereageerd. 1.
  7. De rechtbank heeft het beroep op 3 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigden van Dienst Toeslagen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
  8. Op 27 mei 2021 heeft eiseres een aanvraag kinderopvangtoeslag ingediend als tegemoetkoming in de kosten voor de kinderopvang van haar dochter per 20 april
  9. Bij deze aanvraag is aangegeven dat er sinds 2018 toeslagpartnerschap bestaat met [gemachtigde] (de gemachtigde van eiseres in deze procedure).
  10. Door een (systeem)fout bij Dienst Toeslagen is dit niet goed doorgekomen en is eiseres ten onrechte aangemerkt als alleenstaande aanvrager. Eiseres had echter wel een toeslagpartner en heeft daardoor te hoge voorschotten kinderopvangtoeslag over 2021 en januari en februari 2022 ontvangen. Dienst Toeslagen heeft daarom de voorschotten herzien en de in 2021 te veel verstrekte voorschotten teruggevorderd. Voor 2022 is de hoogte van voorschotten voor de resterende maanden maart tot en met december 2022 aangepast.
  11. Bij het bestreden besluit II heeft Dienst Toeslagen de terugvordering gematigd met 75%, omdat de terugvordering is ontstaan door een (systeem)fout door het niet tijdig verwerken van het toeslagpartnerschap. Die matiging leidt ertoe dat eiseres € 731 moet terugbetalen in plaats van € 2.
  12. Beoordeling door de rechtbank
  13. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres ongelijk krijgt. Het beroep voor zover dat ziet op het niet tijdig beslissen en bestreden besluit I is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen bestreden besluit II is ongegrond. De rechtbank vindt dat Dienst Toeslagen de hoogte van de voorschotten heeft mogen herzien, een bedrag van € 731 over 2021 heeft mogen terugvorderen en de hoogte van de resterende voorschotten in 2022 naar beneden heeft mogen bijstellen. Er is daarnaast geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn en dus krijgt eiseres geen schadevergoeding. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
  14. Beroep tegen het niet tijdig beslissen en bestreden besluit I 6.
  15. Eiseres heeft beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar door Dienst Toeslagen. Omdat Dienst Toeslagen alsnog een beslissing op bezwaar heeft genomen en van een ander belang bij een inhoudelijk oordeel over het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet is gebleken, heeft eiseres niet langer belang bij zo’n oordeel. Voor zover het beroep hierop betrekking heeft, verklaart de rechtbank het niet-ontvankelijk. Verder is niet gebleken dat eiseres nog een belang heeft bij een beoordeling van bestreden besluit I, dus voor zover het beroep nog gericht zou zijn tegen dit besluit, is het niet-ontvankelijk. 6.
  16. Het beroep van eiseres heeft ook betrekking op bestreden besluit II, omdat dit besluit niet geheel aan de bezwaren van eiseres tegemoet komt. Dat betekent concreet dat de rechtbank alleen het beroep tegen bestreden besluit II inhoudelijk behandelt.
  17. Mocht Dienst Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag over 2021 en 2022 herzien? 7.
  18. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de gemachtigde van eiseres haar toeslagpartner is sinds 1 oktober 2018 en dat zij dit goed heeft doorgegeven bij haar aanvraag voor kinderopvangtoeslag. Ook staat tussen partijen niet ter discussie dat eiseres een te hoog bedrag aan voorschotten heeft ontvangen over het jaar 2021 en de maanden januari en februari 2022, omdat het inkomen van haar toeslagpartner vanwege een systeemfout niet is meegenomen. 7.
  19. Eiseres kan zich niet verenigen met de herziening van de voorschotten, omdat de gemaakte fout bij Dienst Toeslagen ligt. Het gaat om een systeemfout en niet om een menselijke fout. Dienst Toeslagen is sinds 2011 al op de hoogte van deze systeemfout. Bovendien is volgens eiseres het doel van herziening dat Dienst Toeslagen alleen bij nieuwe gegevens de hoogte van het voorschot kan aanpassen. Herziening in het geval van eiseres levert daarom misbruik van bevoegdheid op, omdat het hier gaat om gegevens die al vanaf het begin af aan zijn doorgegeven en dus al bekend waren bij Dienst Toeslagen. Dit heeft het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) ook telefonisch gezegd. 7.
  20. De rechtbank overweegt als volgt. Dienst Toeslagen heeft de bevoegdheid om een eerder verleend voorschot te herzien op grond van artikel 16, vijfde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Dit staat ook niet ter discussie tussen partijen. De vraag die partijen verdeeld, is of Dienst Toeslagen in dit geval gebruik mocht maken van die bevoegdheid. De rechtbank is van oordeel dat Dienst Toeslagen dit mocht. Uit het systeem van de wet volgt dat Dienst Toeslagen eerst een voorschot verstrekt en daarna pas een definitieve tegemoetkoming vaststelt. Omdat het om een voorschot gaat, mag er niet op worden vertrouwd dat het voorschot ongewijzigd blijft en gelijk is aan die definitieve tegemoetkoming. Een voorschot kan dus nog gewijzigd worden, als blijkt dat er geen recht op het toegekende voorschot is. Dat betekent dat als er een fout wordt gemaakt, ongeacht of dit een systeemfout of menselijke fout is, Dienst Toeslagen dit mag rechttrekken. Het gaat immers om belastinggeld en Dienst Toeslagen herziet daarom de hoogte van de voorschotten als die onjuist blijkt te zijn, zoals bij eiseres. Dit hangt samen met het systeem van bevoorschotting, waarbij controle altijd pas achteraf plaatsvindt. Dat dit nadelige gevolgen heeft voor eiseres begrijpt de rechtbank, maar dat betekent niet dat Dienst Toeslagen de voorschotten niet mocht herzien. Het standpunt van eiseres dat Dienst Toeslagen alleen bij nieuwe gegevens mag herzien, deelt de rechtbank daarnaast niet. De rechtbank ziet die beperking van de herzieningsbevoegdheid niet terug in de parlementaire geschiedenis bij de Awir. Van misbruik van bevoegdheid is dan ook geen sprake. Dat het ministerie van SZW dit telefonisch zou hebben gezegd tegen eiseres is daarvoor onvoldoende. De rechtbank is dan ook van oordeel dat Dienst Toeslagen de onjuiste voorschotten mocht herzien.
  21. Mocht Dienst Toeslagen de teveel ontvangen voorschotten kinderopvangtoeslag over 2021 terugvorderen? 8.
  22. Eiseres heeft verder aangevoerd dat zij vindt dat de bevoegdheid tot terugvordering wordt misbruikt door Dienst Toeslagen. De bevoegdheid wordt namelijk in strijd met het doel daarvan en in strijd met de algemene beleidslijn gebruikt. Daarnaast is eiseres het niet eens met het bedrag dat zij moet terugbetalen en vindt zij de terugvordering onevenredig. Ze is blij met de matiging van 75%, maar vindt die te laag. Ze heeft alles goed doorgegeven en de fout ligt bij Dienst Toeslagen. Haar kan ook niet worden verweten dat zij de gegevens en besluiten beter had moeten controleren. Zij kon niet meer controleren dan wat zij nu heeft gedaan. 8.
  23. De rechtbank stelt voorop dat Dienst Toeslagen op grond van artikel 16, zesde lid, van de Awir ten onrechte verstrekte voorschotten kan terugvorderen. Daarmee is de bevoegdheid van Dienst Toeslagen gegeven om na een herziening een bedrag terug te vorderen. De rechtbank ziet niet in hoe Dienst Toeslagen in strijd met het doel van deze bevoegdheid of een algemene beleidslijn heeft gehandeld. Van misbruik van bevoegdheid is dus geen sprake. 8.
  24. De rechtbank stelt verder vast dat het uitgangspunt op grond van artikel 26, tweede lid, van de Awir is dat Dienst Toeslagen het volledige bedrag terugvordert. Dienst Toeslagen kan van volledige terugvordering afzien, indien de nadelige gevolgen van de terugvordering onevenredig zijn ten opzichte van de met die terugvordering te dienen doelen. 8.
  25. De rechtbank is van oordeel dat de terugvordering evenredig is. De terugvordering is met 75% gematigd omdat het gaat om een systeemfout bij Dienst Toeslagen. Dit is een grote matiging. Dat Dienst Toeslagen het bedrag niet verder heeft gematigd vanwege eigen verantwoordelijk aan de zijde van eiseres kan de rechtbank volgen. Het is aan eiseres om zelf de besluiten en de daarin opgenomen voorschotten te controleren. Dat dit niet mogelijk zou zijn gelet op de informatie die in die besluiten/het systeem staat, is de rechtbank niet gebleken. In de besluiten staat alleen eiseres genoemd en staat dat de toeslag is berekend op basis van haar inkomen. Haar toeslagpartner en zijn inkomen zijn niet genoemd, terwijl in het online systeem wel ook wordt gezegd dat de toeslag wordt berekend op basis van het verzamelinkomen van toeslagpartners. Bovendien waren de voorschotten bijna twee keer zo hoog als waarop eiseres recht had. Dat dit geen belletje heeft doen rinkelen bij eiseres, omdat uit de rekentool bij de proefberekening ook zo’n hoog bedrag zou zijn gekomen, volgt de rechtbank niet. Dienst Toeslagen heeft terecht op de zitting gezegd dat er een zeer groot verschil qua hoogte bestaat tussen het voorschot wat eiseres ontvangt met en zonder haar toeslagpartner. Dit verschil had ook zichtbaar moeten zijn bij een juiste invulling van de rekentool. De rechtbank vindt dan ook dat Dienst Toeslagen het terug te vorderen bedrag niet verder heeft hoeven matigen.
  26. Heeft Dienst Toeslagen de te veel verstrekte voorschotten over januari en februari 2022 juist verwerkt over de rest van de maanden van 2022? 9.
  27. Eiseres voert aan dat Dienst Toeslagen wat betreft de te veel verstrekte voorschotten over januari en februari 2022 niet over mocht gaan tot verrekening in de zin van artikel 30 van de Awir, omdat zij hiervoor nog geen terugvorderingsbeschikking heeft ontvangen. Nu heeft eiseres niet kunnen opkomen tegen die verrekening. Daarnaast moet Dienst Toeslagen dezelfde matiging van 75% als over het jaar 2021 toepassen op de te veel verstrekte voorschotten in
  28. 9.
  29. De rechtbank stelt vast dat van verrekening geen sprake is en overweegt als volgt. Iemand heeft recht op kinderopvangtoeslag voor een berekeningsjaar. Dat betekent dat het voorschot op kinderopvangtoeslag voor een jaar wordt vastgesteld op een bepaald bedrag. Op grond van artikel 16, vijfde lid, van de Awir mag Dienst Toeslagen de hoogte van dat voorschot herzien. Dat kan tot terugvordering leiden op het moment dat het jaar al voorbij is. Dat is hier niet het geval. Hier is na twee maanden vastgesteld dat het voorschot te hoog was vastgesteld. Dit heeft geleid tot aanpassing van het jaarbedrag, wat vervolgens zijn weerslag vindt in de rest van de maandelijkse uitbetalingen in het jaar
  30. Omdat het alleen gaat om aanpassing van de maandbedragen die binnen het jaar vallen waarover de bevoorschotting van de kinderopvangtoeslag is bepaald, is dus geen sprake van verrekening. Artikel 30 van de Awir is dan ook niet van toepassing. Anders dan eiseres stelt, betekent dat niet dat er geen rechtsingang is om de aanpassing van de maandbedragen aan de orde te stellen. Dat is er wel, namelijk in deze procedure tegen het herzieningsbesluit van het voorschot kinderopvangtoeslag
  31. Zoals de rechtbank hierboven al heeft geoordeeld, heeft Dienst Toeslagen het voorschot voor 2022 terecht herzien. Daarmee is de rechtbank van oordeel dat ook het maandbedrag over de rest van de maanden van 2022 terecht is aangepast.
  32. Zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek 10.
  33. Eiseres voert nog aan dat Dienst Toeslagen in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Daarbij heeft eiseres in algemene zin aan de orde willen stellen dat het om een systeemfout gaat en dat de oorzaak hiervan onvoldoende is onderzocht. Dat Dienst Toeslagen nog steeds van dit systeem gebruik maakt, vindt eiseres onzorgvuldig. 10.
  34. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van een zorgvuldigheids- en/of motiveringsgebrek in het bestreden besluit II. Voor dat besluit is in dit verband enkel relevant dat er een fout is gemaakt en dat staat vast. Over onderzoek naar de oorzaak of het gebruik van het systeem in algemene zin kan de rechtbank geen oordeel geven.
  35. Misbruik van procedure 11.
  36. Ook meent eiseres dat er sprake is van misbruik van procedure, omdat zij in bezwaar en meerdere malen in beroep is moeten gaan tegen beslissingen van Dienst Toeslagen. 11.
  37. De rechtbank is van oordeel dat van misbruik van procedure geen sprake is. In de Algemene wet bestuursrecht is geregeld welke rechtsmiddelen er bestaan tegen beslissingen van bestuursorganen. Daaronder vallen zowel bezwaar als beroep.
  38. Pro forma beroepsgronden 12.
  39. Verder heeft eiseres “pro-forma” beroepsgronden ingediend. Hierbij heeft zij een inbreuk op de privacy en het vertrouwensbeginsel genoemd. 12.
  40. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet daadwerkelijk een beroep op deze gronden doet, maar die enkel – zonder nadere toelichting – noemt. Die hoeven daarom niet verder te worden besproken.
  41. Heeft eiseres recht op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijk termijn? 13.
  42. Eiseres heeft tot slot verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. 13.
  43. Het uitgangspunt is dat een geschil binnen een redelijke termijn wordt beslecht, als de rechtbank binnen twee jaar uitspraak doet, gerekend vanaf de indiening van het bezwaarschrift. Wat een redelijke termijn is en wanneer die is overschreden, wordt echter beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij wordt onder meer gekeken of de procedure vanwege minnelijk overleg (zoals in mediation) heeft stilgelegen. Volgens vaste rechtspraak wordt de periode dat er minnelijk overleg plaatsvindt bij de berekening van de redelijke termijn buiten beschouwing gelaten. De reden daarvoor is dat als die periode zou meetellen, dit ertoe zou kunnen leiden dat een bestuursorgaan, om overschrijding van de redelijke termijn te voorkomen, afziet van de mogelijkheid om tot een minnelijke regeling te komen. Daarmee komt de doelstelling van minnelijk overleg – het bieden van een alternatieve wijze van geschilbeslechting – in gevaar. 13.
  44. Hier is het bezwaarschrift op 9 maart 2022 ingediend. Gerekend tot aan de datum van deze uitspraak, duurt deze procedure daarmee (naar boven afgerond) twee jaar en tien maanden. Gelet op bovenstaande uitgangspunten, ziet de rechtbank aanleiding om de periode dat partijen een mediationtraject volgden, buiten beschouwing te laten. Op 27 mei 2023 heeft eiseres de rechtbank verzocht om de procedure aan te houden in verband met mediation. Op 17 juni 2024 heeft eiseres de rechtbank laten weten dat het mediationtraject op 13 juni 2024 is afgerond. Deze periode bedroeg één jaar en een halve maand. Dit betekent dat met aftrek van die periode vandaag één jaar en negen en een halve maand is verstreken. Daarmee heeft de behandeling van de procedure binnen een redelijke termijn plaatsgevonden. Er is dus geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Eiseres heeft daarom geen recht op schadevergoeding. Conclusie en gevolgen
  45. De rechtbank geeft eiseres ongelijk. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover dat ziet op het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar en voor zover dat ziet op bestreden besluit I. Het beroep tegen bestreden besluit II verklaart de rechtbank ongegrond. Dienst Toeslagen heeft de hoogte van de voorschotten mogen herzien, een bedrag van € 731 over 2021 mogen terugvorderen en de hoogte van de resterende maandelijkse uitbetaling van de voorschotten in 2022 naar beneden mogen bijstellen. Er is daarnaast geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn en dus krijgt eiseres geen schadevergoeding.
  46. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Wel bestaat er aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht door Dienst Toeslagen. Dit heeft Dienst Toeslagen in bestreden besluit II toegezegd. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af; - bepaalt dat Dienst Toeslagen aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 50,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L.K. Dagmar, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 december
  47. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Dit volgt o.a. uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:240 en 18 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:
  48. Artikel 1.6 van de Wet kinderopvang bepaalt dat een ouder voor een berekeningsjaar aanspraak kan maken op een kinderopvangtoeslag. Artikel 2, eerste lid onder b, van de Awir definieert berekeningsjaar als het kalenderjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2116.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.