RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/197868-23 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 9 augustus 2024 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedatum 1] 1989 in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres 1] ( [postcode] ) in [woonplaats] , hierna: verdachte. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 25 juni 2024 en 26 juli
- De zaak is op laatstgenoemde datum inhoudelijk behandeld. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. M.M.L. Kalsbeek en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. J.C.B. Dionisius, advocaat te Breda, alsmede de advocaat van de benadeelde partij [aangeefster] (hierna: aangeefster), mr. A.Y. Bleeker, advocaat te Amersfoort, naar voren hebben gebracht. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: op 1 januari 2023 in Utrecht ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [aangeefster] , terwijl hij wist dat die [aangeefster] in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde. 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend te bewijzen. De verklaring van aangeefster is betrouwbaar en derhalve bruikbaar voor het bewijs. Aangeefster heeft in grote lijnen consistent verklaard en haar verklaring wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal. Gelet op haar verklaring en de overige feiten en omstandigheden uit het dossier, kan worden vastgesteld dat aangeefster ten tijde van de ontuchtige handelingen in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde. Zij was namelijk onder invloed van alcohol en sliep. Nu het voor verdachte kenbaar was dat aangeefster in voornoemde staat verkeerde vindt de officier van justitie dat bij verdachte sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde feit en heeft daartoe aangevoerd dat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Verdachte heeft het ten laste gelegde ontkend. Daarnaast zijn de verklaringen van aangeefster volgens de verdediging inconsistent en derhalve onbetrouwbaar, en ontbreekt ondersteunend bewijs. De (belastende) verklaring van getuige [getuige] dat verdachte zijn gulp dichtdeed terwijl hij de slaapkamer, waar aangeefster en verdachte [medeverdachte] zich bevonden, verliet, is onbetrouwbaar. Verdachte draagt zijn broek altijd laag. Het is mogelijk dat hij zijn broek optrok en dat de getuige dit, gelet op haar (mogelijk) beschonken toestand en de seksuele moraal van die avond, verkeerd heeft gezien of geïnterpreteerd. Tot slot heeft het forensisch DNA-onderzoek geen belastend bewijs opgeleverd, terwijl dit wel voor de hand had gelegen nu er bij het slaan van een geslachtsdeel tegen het gezicht wrijving ontstaat. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Bewijsmiddelen Verdachte heeft tijdens het politieverhoor op 2 januari 2023 onder meer - zakelijk weergegeven - het volgend verklaard: V: Wat is er volgens jou gisteren gebeurd? A: Ik besloot mee te gaan naar een huisfeestje. Dat meisje wat aangifte had gedaan was ook in de huiskamer. Ze was sowieso dronken. Volgens mij ging ze daar bed toe. In de slaapkamer ging ze liggen. V: Welke kleding droeg jij die avond? A: Een witte hoodie, witte schoenen en een blauwe spijkerbroek. Verdachte heeft ter terechtzitting op 16 juli 2024 onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard: Ik was op 1 januari 2023 op een feestje in Utrecht waar [aangeefster] ook was. Ik ben op een gegeven moment de slaapkamer ingegaan. Ik stond met mijn knie op het bed waarin aangeefster lag. Aangeefster [aangeefster] heeft in het verhoor bij de politie op 2 januari 2024 onder meer het volgende - zakelijk weergegeven - verklaard: V: Wanneer is het gebeurd? A: op 1 januari
- V: Waar is het gebeurd? A: [adres 2] in [plaats] . A: Ik ben naar de slaapkamer gegaan. A: lk ga op het bed liggen. V: Wat is de reden dat jij naar de slaapkamer gaat? A: lk was dronken, ik wilde daar gaan slapen. V: Wat had jij gedronken? A: Soju, een drankje met 14% alcohol in een fles van 500 ml. Ik dronk ze als shotjes. Ik weet niet meer hoeveel, ik denk veel. Gisteren was ik dronken. A: Ik heb niets gezegd, ik was toen weer helemaal weg. Ik kwam weer bij toen ik weer op mijn rug lag. Ik zag dat hij (de rechtbank begrijpt verdachte [medeverdachte] ) bezig was met zijn penis in mijn vagina. Ik zag toen de kleine jongen en die deed zijn penis in mijn gezicht. A: Ik voelde iemand met zijn penis in mijn gezicht slaan. Ook bij mijn mond. Ik rook ook de geur van zijn penis. A: Ik heb ze geen toestemming gegeven. In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] staat onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende: Op 1 januari 2023 werden wij gezonden naar de [adres 2] te [plaats] . Ter plaatse Wij kwamen ter plaatse en troffen [aangeefster] zichtbaar overstuur aan. Ik zag dat zij gehurkt op de grond zat met haar handen over haar gezicht. Ik zag en hoorde dat zij hard huilde. Getuige [getuige] heeft op 11 januari 2023 onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard: 0: Je bent op 1 januari 2023 aanwezig geweest bij een huisfeestje op de [adres 2] te [plaats] . Wat kan jij verklaren over wat er is gebeurd? A: Het meisje (de rechtbank begrijpt: aangeefster [aangeefster] ) was heel erg dronken. Ze was zo dronken dat ze om viel. Ze was heel erg moe en op een zeker moment viel ze ook in slaap op de bank. Toen is ze blijkbaar in de slaapkamer gaan liggen. Iemand zei dat we haar moesten checken omdat ze huilde en ze daar met 2 jongens zou zitten. Hij kwam die kamer uit. Ik zag dat hij zijn gulp en rits dichtdeed en ik dacht meteen, dat is raar. Dat was die kleine jongen. Hij was licht getint en had dreadlocks. In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] staat onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende: Op 1 januari 2023 werden wij gezonden naar de [adres 2] te [plaats] . Diezelfde dag, omstreeks kwamen wij aan bij de woning. Verdachte 1: Achternaam: [verdachte] Voornamen: [verdachte] Geboren: [geboortedatum 1] 1989 Signalement verdachte 1: Man +/- 1.50 meter lang Getinte huidskleur zwarte dreads In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] staat onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende: Dit proces-verbaal betreft mijn bevindingen die betrekking hebben op de filmpjes die zijn aangetroffen en veiliggesteld vanaf de inbeslaggenomen telefoon van de verdachte [medeverdachte] en die door mij, verbalisant, zijn bekeken. [bestandsnaam] (UTC +2) Er wordt richting het bed gefilmd. Te zien is dat er een persoon onder de deken op het bed ligt. Op dat moment is er ook vrouw te horen die aan het huilen is. Dan is een vrouwenstem te horen die herken als de stem van aangeefster [aangeefster] en ik hoorde haar, tussen het huilen door, zeggen: [aangeefster] : (ntv) wat wie what the fuck heb jullie opgevoed man. Wie gaat een meisje die verkeerd dronken zijn... Bewijsoverweging Betrouwbaarheid verklaring aangeefster In de eerste plaats beoordeelt de rechtbank de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster. In het algemeen geldt daarbij dat de verklaringen beoordeeld worden op volledigheid, consistentie en accuraatheid. De rechtbank constateert op basis van het dossier dat aangeefster - hoewel haar verklaringen niet op alle details volledig overeenkomen - een consistente verklaring heeft afgelegd over de seksuele handelingen van verdachte [medeverdachte] en de ontuchtige handeling van verdachte. Zij verklaart voor zover zij daaraan herinneringen heeft gedetailleerd over de volgorde van de seksuele handelingen en de omstandigheden waaronder deze zich hebben voorgedaan en haar komt verklaring authentiek over. Dat haar verklaringen niet op elk ondergeschikt onderdeel overeenkomen en zij zich naderhand (nieuwe) feiten en omstandigheden herinnert acht de rechtbank, gelet op de hoeveelheid alcohol die zij die avond had genuttigd en haar beschonken toestand, voorstelbaar. Waar het gaat om de ten laste gelegde ontuchtige handeling van verdachte en haar staat van verminderd dan wel buiten bewustzijn heeft zij (telkens) gelijkluidend verklaard. Ook verklaart zij gedetailleerd over het moment waarop zij voelt dat er met een geslachtsdeel in haar gezicht wordt geslagen. Zo beschrijft zij dat zij het geslachtsdeel rook en het bij haar mond voelde. Ook zegt zij gezien te hebben dat ‘de kleine jongen’ dit deed. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar is. Juridisch kader artikel 247 Sr Op basis van bovenstaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat het verdachte is geweest die met zijn geslachtsdeel in het gezicht van aangeefster heeft geslagen. De verklaring van aangeefster dat deze ontuchtige handeling heeft plaatsgevonden, wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige] , die zag dat verdachte de slaapkamer waarin aangeefster lag, verliet en zijn gulp en rits dicht deed. Dat getuige [getuige] zich in (dusdanig) beschonken toestand bevond, zoals door de verdediging is aangevoerd, dat zij zich heeft vergist in haar waarneming en/of haar verklaring niet betrouwbaar zou zijn, is niet gebleken. Ook wordt de verklaring van aangeefster ondersteund door de video die is aangetroffen (waarin zij het heeft over ‘jullie’, hetgeen impliceert dat meerdere personen over haar grenzen heen zijn gegaan) en haar staat (hevig overstuur) toen de politie ter plaatste kwam. Anders dan de verdediging aanvoert maakt het feit dat er niet voldoende DNA in de bemonstering van de eikel van verdachte zat waardoor het NFI het DNA onderzoek heeft moeten stoppen, niet dat de rechtbank niet de overtuiging heeft dat het feit is begaan door verdachte. De afwezigheid van (voldoende) DNA betekent namelijk niet dat een ontuchtige of seksuele handeling niet heeft plaatsgevonden. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of bij aangeefster ten tijde van de ontuchtige handeling sprake was van verminderd bewustzijn en of verdachte dit wist. Van de in artikel 247 Sr bedoelde wetenschap van de verdachte is ook sprake indien komt vast te staan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de ander in een staat van verminderd bewustzijn verkeerd (voorwaardelijk opzet). Uit de wetsgeschiedenis van artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht volgt dat de staat van verminderd bewustzijn ziet op situaties tussen waakzaamheid en geheel van de wereld zijn, waarbij van de persoon in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij of zij weerstand biedt aan de seksuele verlangens van een ander. Het slachtoffer kan zich hierbij bijvoorbeeld in een situatie van half slaap of sluimering bevinden, die aan een diepe slaap voorafgaat of daarop volgt. Verminderd bewustzijn Uit de behandeling ter terechtzitting en de bovengenoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat aangeefster ten tijde van het ontuchtige handelen van verdachte verkeerde in een staat van verminderd bewustzijn, nu zij dronken was en sliep. Zo heeft aangeefster verklaard dat zij veel sterke drank op had, zich dronken voelde en op bed is gaan liggen om te slapen. Dat aangeefster dronken was wordt ook bevestigd door getuige [getuige] , die verklaarde dat aangeefster ‘heel erg dronken was en omviel’ als ook door verdachte zelf. Over de ontuchtige handelingen zegt aangeefster dat zij sliep of ‘helemaal weg was’, en ontwaakte op het moment dat verdachte haar met zijn geslachtsdeel in het gezicht sloeg. Opzet Voor een bewezenverklaring van artikel 247 Sr is vereist dat de dader wist (opzet) of willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer verkeerde in een toestand van verminderd bewustzijn. Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij wist dat aangeefster dronken was en aangezien aangeefster heeft verklaard dat zij ‘helemaal weg’ was en ontwaakte doordat verdachte haar met zijn geslachtsdeel in haar gezicht sloeg, kan het niet anders dan dat verdachte heeft gezien dat aangeefster sliep dan wel zich in een sluimerige staat bevond. Met zijn handelen heeft verdachte dan ook bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangeefster in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde, wat (voorwaardelijk) opzet oplevert. Alles overwegende acht de rechtbank het wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte ontuchtige handeling bij aangeefster heeft verricht terwijl zij in staat van verminderd bewustzijn verkeerde. 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: op 1 januari 2023 in Utrecht , met [aangeefster] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van verminderd bewustzijn verkeerde, een ontuchtige handeling heeft gepleegd, te weten het slaan met zijn, verdachtes penis in het gezicht van die [aangeefster] ; Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 6STRAFBAARHEID VAN HET FEIT Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op: met iemand van wie hij weet dat hij in staat van verminderd bewustzijn verkeert een ontuchtige handeling plegen. 7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8OPLEGGING VAN STRAF 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden, met een proeftijd van twee jaren en met de (bijzondere) voorwaarden zoals geadviseerd in het rapport van de reclassering van 12 juli
- Daarnaast heeft de officier van justitie verzocht aan verdachte een taakstraf op te leggen voor de duur van 50 uren, met aftrek van voorarrest. Ook heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte een artikel 38v Wetboek van Strafrecht maatregel (hierna: 38v-maatregel) op te leggen voor de duur van 5 jaren, inhoudende een contactverbod met aangeefster. Bij overtreding van deze maatregel geldt een vervangende hechtenis van 3 dagen met een maximum van 6 maanden vervangende hechtenis. De officier van justitie heeft verzocht de 38v-maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren. 8.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft, gelet op de bepleite vrijspraak, geen verweer gevoerd ten aanzien van de strafmaat. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. Aard en ernst van het feit Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van een ontuchtige handeling met aangeefster, terwijl hij wist dat zij in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde. Verdachte en aangeefster waren beiden te gast op een huisfeestje in Utrecht en kenden elkaar niet. Aangeefster voelde zich op enig moment zo dronken dat zij in een slaapkamer op bed is gaan liggen om te slapen. Terwijl aangeefster lag te slapen is zij door een ander gefilmd, waarna deze persoon met zijn vingers en geslachtdeel bij haar vagina is binnengedrongen. Verdachte is op een gegeven moment ook de slaapkamer binnengegaan. Terwijl aangeefster niet (volledig) bij bewustzijn was en door een ander gepenetreerd werd, heeft verdachte met zijn geslachtsdeel in haar gezicht geslagen, waardoor zij weer bijkwam. Dit moet voor aangeefster een zeer beangstigende, als ook (door de ontuchtige handeling van verdachte) vernederende situatie zijn geweest. Met zijn handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en seksuele integriteit van aangeefster én haar zelfbeschikkingsrecht. Het is een feit van algemene bekendheid dat zedenmisdrijven langdurige en ernstige schade kunnen toebrengen aan de geestelijke gezondheid van slachtoffers. Zo ook in dit geval. Uit de vordering tot schadevergoeding en de (ter terechtzitting gegeven) toelichting hierop, blijkt dat aangeefster (nog steeds) last heeft van angst en schaamte. Zij kampt met depressieve gedachten en heeft slaapproblemen. Als er over het incident wordt gesproken klapt aangeefster dicht en distantieert zij zich, waardoor zij op dit moment nog geen behandeling kan ondergaan voor het verwerken van haar trauma. Verdachte heeft zich kennelijk laten leiden door zijn eigen lustgevoelens en geen rekening gehouden met de mogelijke gevolgen van zijn handelen voor aangeefster. Daarnaast gaat verdachte, door zijn ontkennende houding, iedere verantwoordelijkheid voor de strafbare feiten uit de weg. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Persoon van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 30 mei 2024 op naam van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. De rechtbank weegt dit niet in strafmatigende zin mee. De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 12 juli 2024, opgesteld door mevrouw D. van Reeuwijk, reclasseringswerker. Verdachte heeft niet gereageerd op (gesprek)uitnodigingen van de reclassering, waardoor de reclassering verdachte niet heeft gesproken en haar advies gebaseerd heeft op dossier- en referentie informatie. Er is te weinig bekend over het (delict)gedrag en de seksuele ontwikkeling van verdachte. Eventuele motieven, onderliggende problemen en/of oorzaken voor de tenlastelegging kan de reclassering dan ook niet vaststellen en het recidiverisico kan niet worden ingeschat. De reclassering beschrijft dat verdachte maatschappelijk geaccepteerde doelen nastreeft. Uit het dossier komt naar voren dat verdachte een zelfstandige woning heeft en een Wajong uitkering ontvangt. Ook lijken er geen hulpverlenende instanties betrokken te zijn (geweest) bij verdachte. Indien verdachte door de rechtbank wordt veroordeeld heeft de reclassering wel enige zorgen over het feit dat verdachte een zedendelict heeft begaan in combinatie met middelengebruik. Te meer omdat er (meerdere) signalen zijn dat verdachte delicten pleegt in combinatie met middelengebruik, zoals het rijden onder invloed. De reclassering geeft de rechtbank daarom in overweging, bij een veroordeling, verdachte bijzondere voorwaarden op te leggen, in de vorm van een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling door de Waag. De op te leggen straf Het bewezenverklaarde feit betreft een ernstig delict waarvan – blijkens de op de zitting afgelegde verklaring – het slachtoffer tot op de dag van vandaag nog last ondervindt. De rechtbank is in overeenstemming met uitspraken in vergelijkbare zaken van oordeel dat de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een forse taakstraf gelet op de aard en de ernst van het feit het meest passend is. Een voorwaardelijke gevangenisstraf acht de rechtbank, gelet op de persoon van verdachte, noodzakelijk om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen en om reclasseringsbegeleiding en behandeling mogelijk te maken. De rechtbank legt verdachte een taakstraf op zodat hij de consequenties van zijn handelen ondervindt. De rechtbank zal, gelet op de aard en ernst van het feit en het vernederende karakter van zijn strafbare handelen, een hogere taakstraf opleggen dan is geëist door de officier van justitie. Alles afwegende acht de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren met daaraan (onder andere) gekoppeld de door de reclassering voorgestelde (bijzondere) voorwaarden, te weten een meldplicht bij Reclassering Nederland, ambulante behandeling bij De Waag en een contactverbod met aangeefster, én een taakstraf voor de duur van 80 uren (subsidiair 40 dagen hechtenis), met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. De rechtbank ziet anders dan de officier van justitie op basis van het dossier geen aanleiding om ter beveiliging van aangeefster en ter voorkoming van strafbare feiten een 38v-maatregel in de vorm van een contactverbod met aangeefster op te leggen. Zo heeft de reclassering het recidiverisico niet kunnen inschatten en is het de rechtbank niet gebleken van enig contact met politie en justitie in verband met (een) nieuw zeden- dan wel geweldsfeit(en). De rechtbank acht, onder de gegeven omstandigheden, een 38v-maatregel minder passend maar zal verdachte wel een contactverbod met aangeefster opleggen als bijzondere voorwaarde. 9BESLAG Onder verdachte zijn de volgende goederen in beslag genomen: een telefoon (G3098498); een onderbroek (G3098466); 9.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd om de in beslag genomen telefoon en onderbroek terug te geven aan de rechthebbende. 9.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft ten aanzien van de in beslag genomen goederen geen ander standpunt ingenomen. 9.3 Het oordeel van de rechtbank Teruggave aan de rechthebbende De rechtbank zal teruggave gelasten aan de rechthebbende van de in beslag genomen telefoon (G3098498), aangezien het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet. Verbeurdverklaring De rechtbank zal de in beslag genomen onderbroek verbeurdverklaren. 10BENADEELDE PARTIJ [aangeefster] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 1.130,
- Dit bedrag bestaat uit € 130,37 materiële schade en € 1.000 immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. 10.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij in haar geheel toe te wijzen (hoofdelijk voor wat betreft de materiële schade), met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en vermeerderd met de wettelijke rente. De gevorderde bedragen zijn volgens de officier van justitie voldoende onderbouwd en redelijk gelet op de ernst van het ten laste gelegde feit. 10.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich, gelet op de bepleite vrijspraak, op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in haar vordering. 10.3 Het oordeel van de rechtbank Materiële schade Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de bewijsmiddelen en de vordering van de benadeelde partij, vast komen te staan dat de benadeelde rechtstreekse materiële schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde. De benadeelde heeft in haar vordering aangegeven en onderbouwd dat zij ten gevolge van (onder andere) het handelen van verdachte medische kosten heeft moeten maken voor een polikliniekbezoek aan het UMCU op 1 januari 2023, waarvoor zij een bedrag van € 130,37 aan eigen risico heeft moeten betalen. De rechtbank is van oordeel dat deze schade voldoende is onderbouwd en zal de gevorderde materiële schade daarom toewijzen. Immateriële schade Op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b, eerste lid, sub b van het Burgerlijk Wetboek kan een benadeelde partij aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in de eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in de persoon is aangetast. Van de aantasting ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde psychische schade heeft opgelopen. De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De rechtbank overweegt dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor aangeefster in de huidige zaak met zich brengen dat een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat aangeefster, terwijl zij lag te slapen, plotseling werd geconfronteerd met verdachte, die met zijn geslachtsdeel in haar gezicht sloeg, terwijl zij door een ander werd gepenetreerd. Haar lichamelijke integriteit is daardoor in ernstige mate aangetast. Gelet op de aard en ernst van de normschending, de nadelige gevolgen die de benadeelde partij blijkens haar vordering en (ter terechtzitting gegeven) toelichting hierop, heeft ondervonden, acht de rechtbank het gehele gevorderde bedrag van 1.000,- billijk, en daarom toewijsbaar. Wettelijke rente De rechtbank zal aldus de vordering voor een totaalbedrag van € 1.130,37 toewijzen, bestaande uit € 130,37 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2023 tot de dag van volledige betaling. Hoofdelijkheid Het toegewezen materiële schadebedrag van € 130,37 wordt hoofdelijk toegewezen. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is. Indien verdachte J.J.E.G. Spitters een deel van het bedrag betaalt, is verdachte niet langer gehouden om dat deel aan aangeefster te betalen (en vice versa). Schadevergoedingsmaatregel Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij aan verdachte (hoofdelijk voor wat betreft het materiële schadebedrag) de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 1.130,37, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 1 januari 2023 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 21 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft. De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij. Proceskosten Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil. 11TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36f en 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 12BESLISSING De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld; - verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Strafbaarheid - verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; - verklaart verdachte strafbaar; Oplegging straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden; - bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast; - stelt als algemene voorwaarden dat verdachte: zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen; - stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte: zich binnen drie dagen nadat het vonnis is uitgesproken meldt bij Reclassering Nederland te Dordrecht (Johan de Wittstraat 40 B (3311 KJ) in Dordrecht ) en zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; zich laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zodra er plaats is en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt; op geen enkele wijze - direct of indirect - contact opneemt, zoekt of heeft met [aangeefster] (geboren op [geboortedatum 2] 1995), zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt; - geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; - veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 uren; - beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 40 dagen hechtenis; - bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag; Beslag - gelast de teruggave aan verdachte van het volgende voorwerp: een telefoon (G3098498); - verklaart het volgende voorwerp verbeurd: een onderbroek (G3098466); Benadeelde partij [aangeefster] wijst de vordering van [aangeefster] toe tot een bedrag van € 1.130,37, bestaande uit bestaande uit € 130,27 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade; veroordeelt verdachte tot betaling aan [aangeefster] van het toegewezen bedrag (hoofdelijk voor wat betreft de materiële schade), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2023 tot de dag van volledige betaling; legt verdachte de verplichting (hoofdelijk voor wat betreft de materiële schade) op ten behoeve van [aangeefster] aan de Staat € 1.130,37 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2023 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 21 dagen gijzeling; bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als (voor wat betreft het materiële schadebedrag hij en/of zijn mededader) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed; veroordeelt verdachte ook in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op dit moment begroot op nihil; Dit vonnis is gewezen door mr. L.M. Reijnierse, voorzitter, mrs. C. van de Lustgraaf en L.L. Veendrick, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.W. Hekker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 augustus
- De voorzitter, jongste rechter en griffier zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen. Bijlage: de tenlastelegging Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 1 januari 2023 in de gemeente Utrecht , met [aangeefster] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening en/of verstandelijke handicap leed dat die [aangeefster] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het slaan met zijn, verdachtes, penis in/tegen het gezicht van die [aangeefster] . (art 247 Wetboek van Strafrecht) Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 8 augustus 2023, genummerd PVB047, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met
- Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Een proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , pagina
- Een proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , pagina
- De verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 26 juli
- Een proces-verbaal van verhoor van aangeefster [aangeefster] , pagina
- Een proces-verbaal van verhoor van aangeefster [aangeefster] , pagina
- Een proces-verbaal van verhoor van aangeefster [aangeefster] , pagina
- Een proces-verbaal van verhoor van aangeefster [aangeefster] , pagina
- Een proces-verbaal van bevindingen, pagina
- Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , pagina
- Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , pagina
- Een proces-verbaal van bevindingen, pagina
- Een proces-verbaal van bevindingen, pagina
- Een proces-verbaal van bevindingen, pagina
- Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 76.