Rechtbank Midden-Nederland – ECLI:NL:RBMNE:2025:1395
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/4223 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2025 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser [eiseres 1] , uit [woonplaats], eiseres 1 [eiseres 2] , uit [woonplaats], eiseres 2 (tezamen; eisers) (gemachtigde: A.J. Vleugel), en Autoriteit Persoonsgegevens, verweerder (gemachtigde: mr. L.C. Molenaars en mr. A. Karimi), Als derde-belanghebbenden hebben deelgenomen:
Zilveren Kruis Achmea (gemachtigde: mr. M.A.A. Oostveen) en Flanderijn B.V. (gemachtigde: mr. J.J.F. de Geus).
Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen afhandeling van hun klacht tegen derde-belanghebbenden door de Autoriteit Persoonsgegevens (AP).
1.1.
De AP heeft met het besluit van 28 september 2023 bepaald dat de klacht in gepaste mate is onderzocht en dat geen verder onderzoek wordt gedaan. Met het bestreden besluit van 2 april 2024 op het bezwaar van eiseres is de AP bij dit standpunt gebleven.
1.2.
De AP heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, A.J. Vleugel, de gemachtigden van de AP en de gemachtigde van Flanderijn B.V.
Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het standpunt van de AP dat de klacht van eisers in gepaste mate is onderzocht en er geen nader onderzoek gedaan zal worden door de AP. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep van eisers ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Klacht 3. Er heeft een civiele procedure plaatsgevonden bij deze rechtbank tussen eisers en derde-belanghebbenden over een rechtsvordering. Derde-belanghebbenden hebben aan die vordering ten grondslag gelegd dat eisers bij Zilveren Kruis een zorgverzekering hebben (gehad). Zij hebben de daarvoor verschuldigde premie niet (op tijd) betaald en zij hebben ook ziektekosten gemaakt die onder het verplichte eigen risico of de eigen bijdrage vallen en dus voor hun rekening komen. Bij de dagvaarding en bij de conclusie van repliek hebben derde-belanghebbenden stukken ingebracht die zien op eisers. Volgens derde-belanghebbenden zijn deze stukken ingebracht om een nadere onderbouwing te geven van de vordering die voorlag. Deze rechtbank heeft op 11 januari 2023 vonnis gewezen in de civiele procedure (zaak/rolnummer: 9570309 /MC EXPL 21-7639).
Bestreden besluit 5. De AP heeft de klacht van eisers beoordeeld. De AP heeft de klacht in gepaste mate onderzocht en besloten om geen verder onderzoek te doen. Op basis van de beschikbare informatie kon de AP nog geen overtreding vaststellen dan wel uitsluiten. Daarvoor is nader onderzoek nodig, maar dat heeft de AP niet gedaan. De eerste reden daarvan is dat de klacht niet specifiek over een Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)-kwestie gaat, maar dat het onderdeel uitmaakt van een incasso-geschil, waarover de rechter in de civiele procedure al heeft geoordeeld. De tweede reden is omdat de AP vindt dat zij onvoldoende efficiënt en effectief kan optreden.
De AP is van oordeel dat aan alle drie de eisen is voldaan. Ten aanzien van het standpunt van eisers dat sprake is van medische persoonsgegevens en dat die niet verwerkt mochten worden, heeft de AP geoordeeld dat het verwerkingsverbod voor medische gegevens in dit geval niet van toepassing is omdat de verwerking noodzakelijk is voor de onderbouwing van de rechtsvordering.
Beoordeling beroep 8. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en zijn in beroep gegaan. In beroep hebben eisers diverse verzoeken ingediend over onderwerpen die niet onder de bevoegdheid van de bestuursrechter vallen. Bijvoorbeeld het verzoek om de AP te verplichten een compensatieregeling te maken voor onrechtmatig gebruik van persoonsgegevens vanaf 2018. Hierover zal de rechtbank daarom geen oordeel geven. De gronden die wel gaan over het bestreden besluit en die wel vallen onder de bevoegdheid van de bestuursrechter, zal de rechtbank hierna bespreken.
Gerechtvaardigd belang 9. In beroep voeren eisers aan dat bij het overleggen van de stukken die derde-belanghebbenden aan de rechtbank hebben overgelegd, geen sprake is van een gerechtvaardigd belang. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser ter zitting verwezen naar overgelegde declaratieoverzichten waarop de medische instellingen zijn genoemd waarbij eisers gebruik hebben gemaakt van diensten, bijvoorbeeld [medisch centrum] medisch centrum en centrum voor ergotherapie. Eiser verwees ook naar één declaratieoverzicht met daarop gegevens van een apotheek waaruit blijkt dat zijn echtgenote Diclofenac gebruikt. Voor het gebruik van deze gegevens is geen sprake van een gerechtvaardigd belang volgens eisers.
Valse bewijsdocumenten 14. Verder hebben eisers aangevoerd dat de AP ten onrechte geen overtredingen heeft geconstateerd. De derde-belanghebbenden hebben in de civiele procedure valse bewijsdocumenten overgelegd. Derde-belanghebbenden hebben namelijk te veel documenten overgelegd. Er waren eerst maar twee zorgkostenrekeningen die niet betaald waren, terwijl er zes bewijsdocumenten zijn overgelegd. Ook was de dagvaarding misleidend omdat het bedrag dat daadwerkelijk nog openstond minder was, zo stellen eisers.
Schadevergoeding 16. Tot slot hebben eisers een verzoek ingediend voor schadevergoeding. Zij hebben veel kosten gemaakt voor juridische bijstand.
Conclusie en gevolgen 19. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de AP de klacht van eisers niet nader heeft hoeven onderzoeken. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2025.
De rechter is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.