RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/026212-24 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 30 april 2025 in de strafzaak tegen verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] . 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 april 2025 (de inhoudelijke behandeling) en 30 april 2025 (de enkelvoudige sluiting van het onderzoek ter terechtzitting en de daaropvolgende uitspraak). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie, mr. L.H.J. Verheijden, en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.F.A. van Pelt, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door of namens de volgende benadeelde partijen naar voren is gebracht: namens [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] : [persoon 1] van Slachtofferhulp Nederland; ook namens [benadeelde partij 3] : [persoon 2] ; namens ABN AMRO: [persoon 3] , [persoon 4] en [persoon 5] ; namens ING: [persoon 6] ; namens Rabobank: [persoon 7] ; namens de Volksbank: [persoon 8] en [persoon 9] . 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is op de pro-formazitting van 18 november 2024 nader omschreven. De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er op neer dat verdachte betrokken is bij bankhelpdeskfraude. Onder feit 1 wordt verdachte verweten zich, al dan niet samen met anderen, in de periode van 31 januari 2023 tot en met 29 maart 2024 schuldig te hebben gemaakt aan diefstal met een valse sleutel (het zonder toestemming met door oplichting verkregen bankpassen of mobiele telefoons pinnen, tegoeden en waardebonnen kopen). Onder feit 2 wordt verdachte verweten zich, al dan niet samen met anderen, in de periode van 16 juni 2023 tot en met 28 maart 2024 schuldig te hebben gemaakt aan twee oplichtingen (het bewegen tot afgifte van bankpassen met bijbehorende pincodes en mobiele telefoons). Onder feit 3 wordt verdachte verweten zich, al dan niet samen met anderen, op 2 april 2024 schuldig te hebben gemaakt aan twee pogingen tot oplichting (door te proberen bankpassen met bijbehorende pincodes en mobiele telefoons te laten afgeven). 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Inleiding Algemeen Verdachte wordt ervan beschuldigd betrokken te zijn bij bankhelpdeskfraude. Met bankhelpdeskfraude wordt in het algemeen een specifieke vorm van oplichting bedoeld. De werkwijze is in de meeste gevallen als volgt. De aangevers, bijna allemaal op hoge leeftijd, worden gebeld door een persoon die zich voordoet als een medewerker van de bank. De zogenaamde bankmedewerker probeert het vertrouwen van aangevers te wekken, onder meer door specifieke informatie met hen te delen. Bijvoorbeeld door op te merken dat aangevers al langdurig rekeninghouder zijn bij een bepaalde bank, dat aangevers ook rekeninghouder zijn bij een andere bank of dat aangevers weduwe zijn. In veel gevallen worden aangevers langdurig aan de telefoon gehouden. De zogenaamde bankmedewerker vertelt aangevers dat er frauduleuze activiteiten hebben plaatsgevonden ten aanzien van hun bankrekening(en). Ter voorkoming van (verdere) fraude met de bankrekening(
(3)als iemand op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van de eerste twee grondslagen is in deze zaak geen sprake, aangezien er geen fysiek letsel is ontstaan en niemand juridisch is geschaad in zijn eer of goede naam. Van de laatste grondslag kan sprake zijn indien de rechtbank grond daarvoor ziet in de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan. De rechtbank concludeert dat in deze zaken sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze. De benadeelde partijen, vrijwel allemaal op leeftijd, zijn lang aan de telefoon gehouden en bestolen. Daarbij is ingespeeld op het vertrouwen en de bijzondere kwetsbaarheid van deze ouderen ten opzichte van het digitaal bankieren. De benadeelde partijen hebben vervolgens bankpassen met bijbehorende pincodes en in voorkomend geval ook hun mobiele telefoon afgestaan. Het is de rechtbank gebleken dat de gevolgen hiervan voor de meeste benadeelde partijen groot zijn geweest. De rechtbank overweegt daarom dat de aard en de ernst van de normschending met zich brengt dat de nadelige gevolgen daarvan voor benadeelde partijen zo voor de hand liggen, dat kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. De rechtbank acht een bedrag van € 750 aan immateriële schade, in alle zaken waarin een vergoeding van immateriële schade is gevorderd, billijk. [benadeelde partij 5] (zaak 2) De benadeelde partij vordert € 1.250 aan materiële schade. Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit deze schade rechtstreeks heeft geleden. De rechtbank zal de vordering dus toewijzen tot een bedrag van € 1.250, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 september 2023 tot de dag van volledige betaling. [benadeelde partij 3] (zaak 5) De benadeelde partij vordert € 1.000 aan immateriële schade. Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit deze schade rechtstreeks heeft geleden, gelet op voornoemde overweging met betrekking tot immateriële schade. De rechtbank zal de vordering dus toewijzen tot een bedrag van € 750, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 september 2023 tot de dag van volledige betaling. De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. [benadeelde partij 2] (zaak 28) De benadeelde partij vordert een bedrag van € 4.024 aan materiële schade, bestaande uit € 2.400 aan gepinde geldbedragen, € 1.524,36 voor de weggenomen mobiele telefoon, € 78,50 voor het vernieuwen van het identiteitsbewijs (welke zich in de telefoonhoes bevond ten tijde van het wegnemen van de mobiele telefoon) en € 12,50 voor het maken van nieuwe pasfoto’s. De benadeelde partij heeft het bedrag opgeteld in het verzoek tot schadevergoeding naar beneden naar een heel getal afgerond, de rechtbank zal daarom ook van dat bedrag uitgaan. Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden, immers is zowel met de bankpas als met de mobiele telefoon gepind. Dat de telefoon van de benadeelde partij zou zijn verzekerd, zoals door de raadsvrouw aangevoerd, is niet gebleken. De rechtbank zal het materiële deel van de vordering daarom toewijzen tot een bedrag van € 4.024, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 4 juli 2023 tot de dag van volledige betaling. De benadeelde partij vordert € 750 aan immateriële schade. Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit deze schade rechtstreeks heeft geleden, gelet op voornoemde overwegingen van de rechtbank met betrekking tot immateriële schade. De rechtbank zal de vordering dan ook toewijzen tot een bedrag van € 750, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 juli 2023 tot de dag van volledige betaling. [benadeelde partij 28] (zaak 30) De benadeelde partij vordert € 1.000 aan immateriële schade. Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit deze schade rechtstreeks heeft geleden, gelet op voornoemde overwegingen van de rechtbank met betrekking tot immateriële schade. De rechtbank zal de vordering dan ook toewijzen tot een bedrag van € 750, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 september 2023 tot de dag van volledige betaling. De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. [benadeelde partij 29] (zaak 33) De benadeelde partij vordert € 176 aan materiële schade, bestaande uit gemaakte kosten voor een telefoon en telefoonhoes. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van het materiële deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren nu niet, althans onvoldoende is gebleken van een direct verband tussen de schade en het bewezen verklaarde feit (het pinnen met de bankpas van de benadeelde partij). De benadeelde partij vordert € 2.000 aan immateriële schade. Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit deze schade rechtstreeks heeft geleden, gelet op voornoemde overwegingen van de rechtbank met betrekking tot immateriële schade. De rechtbank zal de vordering dan ook toewijzen tot een bedrag van € 750, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2023 tot de dag van volledige betaling. De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. [benadeelde partij 1] (zaak 34) De benadeelde partij vordert € 750 aan immateriële schade. Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit deze schade rechtstreeks heeft geleden, gelet op voornoemde overwegingen van de rechtbank met betrekking tot immateriële schade. De rechtbank zal de vordering dan ook toewijzen tot een bedrag van € 750, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2023 tot de dag van volledige betaling. [aangeefster 2] (zaak 41) De rechtbank zal de benadeelde partij [aangeefster 2] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering nu verdachte van hetgeen met betrekking tot deze benadeelde partij ten laste is gelegd zal worden vrijgesproken. [benadeelde partij 39] (zaak 48) De benadeelde partij vordert € 2.500 aan immateriële schade. Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit deze schade rechtstreeks heeft geleden, gelet op voornoemde overwegingen van de rechtbank met betrekking tot immateriële schade. De rechtbank zal de vordering dan ook toewijzen tot een bedrag van € 750, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2024 tot de dag van volledige betaling. De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. 10.2.3 Schadevergoedingsmaatregel Door de officier van justitie is verzocht om aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, zowel ten aanzien van de natuurlijke personen als ten aanzien van de rechtspersonen (de banken). Hoewel rechtspersonen in beginsel mogen worden geacht zelf de wegen te kennen om een vordering te incasseren, hebben de gevolmachtigden namens de banken ter terechtzitting toegelicht dat het hen doorgaans ontbreekt aan pressiemiddelen om een veroordeelde te bewegen tot betaling van een toegewezen schadevergoeding en dat het veroordeelden doorgaans ontbreekt aan vermogen of eigendommen om beslag op te leggen, althans dat onbekend is over welk vermogen en/of eigendommen veroordeelden beschikken. Gelet daarop zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel ook ten aanzien van de rechtspersonen opleggen. Daarbij betrekt de rechtbank tevens dat de voorschotregeling, waarbij de Nederlandse Staat de toegewezen schadevergoeding betaalt aan de benadeelde partij en de Nederlandse Staat dat bedrag vervolgens zal proberen te verhalen op verdachte, niet van toepassing is op rechtspersonen. Aan de schadevergoedingsmaatregel wordt gijzeling verbonden. Voor de bepaling van de omvang van de gijzeling is het bepaalde in artikel 36f lid 5 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing. Hieruit volgt dat de gijzeling ten minste één dag en ten hoogste één jaar mag belopen. Indien de gijzeling van alle hiervoor toegewezen vorderingen bij elkaar zou worden opgeteld, dan zou de gijzeling de maximaal toegestane duur van een jaar ruimschoots overschrijden. De rechtbank zal de gijzeling daarom ten aanzien van de natuurlijke personen overeenkomstig de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) opleggen. De overgebleven dagen gijzeling worden naar evenredigheid opgelegd ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel die wordt opgelegd ten behoeve van de rechtspersonen. De schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd als volgt: Benadeelde partij Verplichting tot betaling aan de Staat Wettelijke rente vanaf Aantal dagen gijzeling [benadeelde partij 5] € 1.250 25 september 2023 22 [benadeelde partij 3] € 750 21 september 2023 15 [benadeelde partij 2] € 4.774 4 juli 2023 57 [benadeelde partij 28] € 750 13 september 2023 15 [benadeelde partij 29] € 750 9 oktober 2023 15 [benadeelde partij 1] € 750 10 oktober 2023 15 [benadeelde partij 39] € 3.250 3 februari 2024 42 ABN AMRO € 8.600 zoals voornoemd 15 De Volksbank € 7.606,99 zoals voornoemd 13 ING € 29.374 zoals voornoemd 50 Rabobank € 64.840,98 zoals voornoemd 106 11TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 45, 47, 57, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 12BESLISSING De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld; - verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Strafbaarheid - verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; Oplegging straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 maanden; - bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; - bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 10 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd; - als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; - stelt daarbij een proeftijd van 3 jaren vast; Beslag - verklaart de volgende voorwerpen verbeurd ten aanzien van feit 1: drie cadeaubonnen (PL0900-2023299105-3323046); vier cadeaubonnen (PL0900-2023299105-3323078); twee cadeaubonnen (PL0900-2023299105-3323079); zeven cadeaubonnen (PL0900-2023299105-3323071); - verklaart de volgende voorwerpen verbeurd ten aanzien van feit 2 en feit 3: een telefoon (PL0900-2023299105-3323042); een telefoon (PL0900-2023299105-3323044). Benadeelde partij ABN AMRO (feit 1) wijst de vordering van ABN AMRO toe tot een bedrag van € 8.600; veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan € 8.600 van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente tot de dag van de algehele voldoening als volgt, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd: over een bedrag van € 2.400 vanaf 12 april 2023; over een bedrag van € 1.000 vanaf 10 mei 2023; over een bedrag van € 2.400 vanaf 3 augustus 2023; over een bedrag van € 500 vanaf 10 augustus 2023; over een bedrag van € 1.700 vanaf 4 januari 2024; over een bedrag van € 600 vanaf 30 april 2025; verklaart ABN AMRO voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van ABN AMRO aan de Staat € 8.600 te betalen, vermeerderd met voornoemde wettelijke rente tot de dag van de algehele voldoening, bij niet betaling aan te vullen met 15 dagen gijzeling; bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(
- s)op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed; Benadeelde partij de Volksbank (feit 1) wijst de vordering van de Volksbank toe tot een bedrag van € 7.606,99; veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan € 7.606,99 van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente tot de dag van de algehele voldoening als volgt, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd: over een bedrag van € 3.750 vanaf 16 maart 2023; over een bedrag van € 756,99 vanaf 18 september 2023; over een bedrag van € 1.000 vanaf 25 oktober 2023; over een bedrag van € 1.500 vanaf 20 november 2023; over een bedrag van € 600 vanaf 30 april 2025; veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van de Volksbank aan de Staat € 7.606,99 te betalen, vermeerderd met voornoemde wettelijke rente tot de dag van de algehele voldoening, bij niet betaling aan te vullen met 13 dagen gijzeling; bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(
- s)op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed; Benadeelde partij ING (feit 1) wijst de vordering van ING toe tot een bedrag van € 29.374; veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan € 29.374 van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente tot de dag van de algehele voldoening als volgt, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd: over een bedrag van € 1.850 vanaf 31 januari 2023; over een bedrag van € 5.050 vanaf 21 maart 2023; over een bedrag van € 3.850 vanaf 24 maart 2023; over een bedrag van € 1.550 vanaf 26 maart 2023; over een bedrag van € 3.700 vanaf 28 april 2023; over een bedrag van € 5.050 vanaf 1 mei 2023; over een bedrag van € 1.100 vanaf 2 mei 2023; over een bedrag van € 1.350 vanaf 4 juli 2023; over een bedrag van € 1.400 vanaf 6 september 2023; over een bedrag van € 450 vanaf 10 oktober 2023; over een bedrag van € 2.400 vanaf 15 februari 2024; over een bedrag van € 1.624 vanaf 30 april 2025; verklaart ING voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van ING aan de Staat € 29.374 te betalen, vermeerderd met voornoemde wettelijke rente tot de dag van de algehele voldoening, bij niet betaling aan te vullen met 50 dagen gijzeling; bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(
- s)op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed; Benadeelde partij Rabobank (feit 1) wijst de vordering van Rabobank toe tot een bedrag van € 64.840,98; veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan € 64.840,98 van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente tot de dag van de algehele voldoening als volgt, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd: over een bedrag van € 2.222 vanaf 4 juli 2023; over een bedrag van € 480 vanaf 3 mei 2023; over een bedrag van € 3.751,99 vanaf 26 mei 2023; over een bedrag van € 4.500 vanaf 19 september 2023; over een bedrag van € 3.750 vanaf 3 oktober 2023; over een bedrag van € 4.939 vanaf 6 oktober 2023; over een bedrag van € 1.500 vanaf 10 oktober 2023; over een bedrag van € 5.712 vanaf 11 oktober 2023; over een bedrag van € 9.812 vanaf 13 oktober 2023; over een bedrag van € 8.559 vanaf 14 oktober 2023; over een bedrag van € 3.270 vanaf 24 oktober 2023; over een bedrag van € 5.117 vanaf 28 oktober 2023; over een bedrag van € 4.912 vanaf 2 november 2023; over een bedrag van € 2.731,99 vanaf 27 februari 2024; over een bedrag van € 1.664 vanaf 18 april 2024; over een bedrag van € 1.920 vanaf 30 april 2025; verklaart Rabobank voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van Rabobank aan de Staat € 64.840,98 te betalen, vermeerderd met voornoemde wettelijke rente tot de dag van de algehele voldoening, bij niet betaling aan te vullen met 106 dagen gijzeling; bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(
- s)op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed; Benadeelde partij [benadeelde partij 5] (feit 1) wijst de vordering van [benadeelde partij 5] toe tot een bedrag van € 1.250; veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde partij 5] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 september 2023 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd; veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 5] aan de Staat € 1.250 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 september 2023 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 22 dagen gijzeling; bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(
- s)op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed; Benadeelde partij [benadeelde partij 3] (feit 1) wijst de vordering van [benadeelde partij 3] toe tot een bedrag van € 750; veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde partij 3] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 september 2023 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd; verklaart [benadeelde partij 3] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 3] aan de Staat € 750 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 september 2023 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 15 dagen gijzeling; bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(
- s)op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed; Benadeelde partij [benadeelde partij 2] (feit 1) wijst de vordering van [benadeelde partij 2] toe tot een bedrag van € 4.774; veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde partij 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 juli 2023 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd; veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de Staat € 4.774 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 juli 2023 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 57 dagen gijzeling; bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(
- s)op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed; Benadeelde partij [benadeelde partij 28] (feit 1) wijst de vordering van [benadeelde partij 28] toe tot een bedrag van € 750; veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde partij 28] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 september 2023 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd; verklaart [benadeelde partij 28] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 28] aan de Staat € 750 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 september 2023 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 15 dagen gijzeling; bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(
- s)op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed; Benadeelde partij [benadeelde partij 29] (feit 1) wijst de vordering van [benadeelde partij 29] toe tot een bedrag van € 750; veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde partij 29] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2023 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd; verklaart [benadeelde partij 29] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 29] aan de Staat € 750 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2023 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 15 dagen gijzeling; bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(
- s)op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed; Benadeelde partij [benadeelde partij 1] (feit 1) wijst de vordering van [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van € 750; veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde partij 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2023 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd; veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat € 750 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2023 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 15 dagen gijzeling; bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(
- s)op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed; Benadeelde partij [aangeefster 2] (feit 1) verklaart [aangeefster 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil; Benadeelde partij [benadeelde partij 39] (feit 1) wijst de vordering van [benadeelde partij 39] toe tot een bedrag van € 750; veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde partij 39] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2024 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd; verklaart [benadeelde partij 39] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 39] aan de Staat € 750 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2024 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 42 dagen gijzeling; bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(
- s)op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed. Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.M. Lemmen, voorzitter, mr. A. Maas en mr. S.R. van Breukelen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van Buel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 april 2025. De oudste rechter en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage: de tenlastelegging Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat: 1.hij, op één of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 31 januari 2023 tot en met 29 maart 2024, te Rotterdam, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer geldbedragen, welke geldbedragen, geheel of ten dele toebehoorden aan een of meer anderen en/of rekeninghouders, althans enig persoon handelend namens die rekeninghouders, van de Rabobank, de ING bank, de ABN AMRO bank, de ASN bank, de Regiobank en/of de Volksbank, te weten: [benadeelde partij 4] (€ 1.500,- ) (zaak 1), [benadeelde partij 5] ( € 9.809,-) (zaak 2), [benadeelde partij 6] (€ 1.659,-) (zaak 3), [benadeelde partij 7] (€ 9.812,-) (zaak 4), [benadeelde partij 3] (€ 5.712,-) (zaak 5), en/of een of meer andere personen (zaak 6, zaken 8 t/m 16, zaken 20 t/m 31, zaken 33 t/m35, zaken 38 t/m 49), in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader(
- s)het weg te nemen geld onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van (een) valse sleutel(s), door zonder toestemming gebruik te maken van de betreffende bankpassen en/of de (bij de bankpassen behorende) pincodes en/of daarmee geld te pinnen en/of tegoed- en/of waardebonnen te kopen, in elk geval (een) sleutel(
- s)tot het gebruik waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(
- s)niet gerechtigd was/waren; 2.hij, op één of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 16 juni 2023 tot en met 28 maart 2024, te Scherpenzeel en/of Woerden, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een of meerdere rekeninghouders van de SNS bank, de Volksbank en/of de Rabobank, te weten [benadeelde partij 40] (zaak 52), en/of [benadeelde partij 41] (zaak 53), heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een of meerdere bankpassen en/of eenmobiele telefoon, althans een of meer andere goederen, en/of tot het ter beschikkingstellen van gegevens, te weten de bij de bankpassen behorende pincodes, althans een ofmeer andere gegevens, door: zich onder valse naam voor te doen als een bankmedewerker, voornoemde rekeninghouders te vertellen dat er getracht was geld over te makenvanaf haar/hun bankrekening, te vertellen dat er een medewerker van de bank langs zou komen om de bankpassenen/of de mobiele telefoon van voornoemde rekeninghouders op te halen, bij de woning van voornoemde rekeninghouders langs te gaan en/of zich voor te doenals medewerker van de bank en/of daar om afgifte van de bankpassen en/of mobieletelefoons te vragen, waardoor bovengenoemde rekeninghouders werden bewogen tot bovenomschreven afgifte; 3.hij, op één of meer tijdstippen, op of omstreeks 2 april 2024 te Harmelen en/of Zeist, inelk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een of meerdere rekeninghouder(
- s)van de ING bank, te weten [benadeelde partij 42] (zaak 50), en/of [benadeelde partij 43] (zaak 51), heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een of meerdere bankpassen, althans een of meer andere goederen, en/of tot het ter beschikking stellen van gegevens, te weten de bij de bankpassen behorende pincodes, althans een of meer andere gegevens, door: zich onder valse naam voor te doen als een bankmedewerker, voornoemde rekeninghouders te vertellen dat er getracht was geld over te makenvanaf haar/hun bankrekening, te vertellen dat er een medewerker van de bank langs zou komen om de bankpassenvan voornoemde rekeninghouders op te halen, bij de woning van voornoemde rekeninghouders langs te gaan en/of zich voor te doenals medewerker van de bank en/of daar om afgifte van de bankpassen te vragen, waardoor bovengenoemde rekeninghouders werden bewogen tot bovenomschreven afgifte,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit – tenzij anders aangegeven – pagina’s van processen-verbaal of geschriften die als bijlage zijn opgenomen naar het op ambtsbelofte op 7 november 2024 opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL0900-2023203525, opgemaakt door politie eenheid Midden-Nederland, pagina 1 tot en met 1616. Pagina 88. Pagina 89. Pagina 43. Pagina 349 en 350. Pagina 48 van het formulier Verzoek tot Schadevergoeding van de Rabobank. Pagina 367. Pagina 368 tot en met 370. Pagina 374 tot en met 376. Pagina 385. Pagina 387 en 388. Pagina 393. Pagina 82 en 238. Pagina 397. Pagina 44. Pagina 44. Pagina 1, losbladig. Pagina 2, losbladig en pagina 52 van het formulier Verzoek tot Schadevergoeding van de Rabobank. Pagina 428. Pagina 442. Pagina 445 tot en met 452. Pagina 462. Pagina 467 en 469. Pagina 477. Pagina 481. Pagina 486. Pagina 514. Pagina 515. Pagina 515. Pagina 524 en 527. Pagina 539. Pagina 539 en 540. Pagina 559, 561 en 563. Pagina 45. Pagina 574. Pagina 575. Pagina 508. Pagina 583. Pagina 584. Pagina 512. Pagina 588. Pagina 589 en pagina 38 van het formulier Verzoek tot Schadevergoeding van de ING. Pagina 510. Pagina 616. Pagina 617 en pagina 39 van het formulier Verzoek tot Schadevergoeding van de ING. Pagina 506. Pagina 621. Pagina 622. Pagina 500 en 504. Pagina 511. Pagina 47. Pagina 626. Pagina 627. Pagina 628 en pagina 47 van het formulier Verzoek tot Schadevergoeding van de Rabobank. Pagina 627. Pagina 643 en 645. Pagina 655. Pagina 656. Pagina 659 tot en met 664. Pagina 647. Pagina 782. Pagina 784 en 857 tot en met 859. Pagina 789. Pagina 794. Pagina 49. Pagina 794. Pagina 810. Pagina 825 en 826. Pagina 835. Pagina 836. Pagina 843 tot en met 846. Pagina 852. Pagina 853 en pagina 1 van bijlage 1 van formulier Verzoek tot Schadevergoeding van de ABN AMRO. Pagina 862. Pagina 864 tot en met 868. Pagina 873. Pagina 874. Pagina 876. Pagina 883 en 884. Pagina 885 tot en met 888. Pagina 893. Pagina 894 en pagina 9 van het formulier Verzoek tot Schadevergoeding van de Volksbank. Pagina 896 tot en met 901. Pagina 905. Pagina 906. Pagina 47. Pagina 912 en pagina 42 van het formulier Verzoek tot Schadevergoeding van de Rabobank. Pagina 915. Pagina 924. Pagina 925 en 939. Pagina 925, 931, 943 en 946. Pagina 943. Pagina 957. Pagina 958 en de bijlage bij het formulier Verzoek tot Schadevergoeding van de ABN AMRO. Pagina 965. Pagina 972. Pagina 973. Pagina 976 tot en met 980. Pagina 992. Pagina 1041. Pagina 1042. Pagina 1043. Pagina 1057. Pagina 1083. Pagina 1084. Pagina 1097. Pagina 1100. Pagina 1114. Pagina 1115. Pagina 1119, 1124 en 1131. Pagina 1126. Pagina 1220. Pagina 1219. Pagina 1220. Pagina 10 van het formulier Verzoek tot Schadevergoeding van de Volksbank. Pagina 1229. Pagina 1225. Pagina 1234. Pagina 1235. Pagina 1239. Pagina 1245. Pagina 1250. Pagina 1251. Pagina 1255 en 1257. Pagina 1330. Pagina 1331. Pagina 1335. Pagina 1350. Pagina 1354. Pagina 1355. Pagina 1374. Pagina 1367. Pagina 1385. Pagina 1386. Pagina 1397. Pagina 1393 en 1396. Pagina 1408. Pagina 1409 en 1412. Pagina 1421 tot en met 1428. Pagina 1437 en 1438. Pagina 1438. Pagina 1447 en 1456. Pagina 1459. Pagina 1447. Pagina 1450. Pagina 1498. Pagina 1499 en 1510 tot en met 1512. Pagina 1502 en 1515 tot en met 1517. Pagina 1526 en 1529. Pagina 1583 en 1584. Pagina 1585. Pagina 1584. Pagina 1586, 1587 en 1591. Pagina 1585. Pagina 1592. Pagina 1597 en 1602. Pagina 1596. Pagina 1611 en 1613. Pagina 82. Pagina 238. Pagina 239. Op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. € 2088 / 18 * 14 = € 1.624. € 2040 / 17 * 16 = € 1.920.