RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Familierecht locatie Lelystad zaaknummer: C/16/558892 / FL RK 23-622 Gezag en omgang Beschikking van 7 mei 2025 in de zaak van: [vader] , wonende in [woonplaats] , hierna te noemen: de vader, advocaat mr. C.B.F. Refuge, tegen [moeder] , wonende in [woonplaats] , hierna te noemen: de moeder, advocaat mr. N.C. Milani. 1De procedure 1.1. De rechtbank heeft op 17 april 2024 de beslissing op het verzoek van de vader uitgesteld en advies gevraagd aan de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). 1.2. De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen: het rapport van de Raad van 8 juli 2024; het F9-formulier van de moeder van 6 augustus 2024. 1.3. Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 28 maart 2025. Daarbij waren aanwezig: de vader met zijn advocaat, de moeder met haar advocaat, en [A] namens de Raad. 1.4. De rechtbank heeft aan [minderjarige] , de dochter van de ouders, gevraagd wat zij van het verzoek vindt. [minderjarige] heeft dat per brief van 23 december 2024 laten weten. 2Waar de procedure over gaat 2.1. De ouders hebben een relatie met elkaar gehad. 2.2. Zij hebben samen een kind: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] . [minderjarige] woont bij haar moeder. 2.3. De moeder heeft alleen het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat de moeder zelfstandig de belangrijke beslissingen over [minderjarige] kan nemen. 2.4. De ouders zijn al lange tijd uit elkaar. Tussen de vader en de moeder, en tussen de vader en [minderjarige] , is er al sinds 2013 geen contact meer. 2.5. De vader zou graag weer contact met [minderjarige] willen. Daarover gaat zijn verzoek: hij vraagt een omgangsregeling, waarbij hij [minderjarige] om de week op vrijdag om 17.00 uur ophaalt, en op zondag om 17.00 uur terugbrengt, en waarbij de vakanties in overleg worden verdeeld. Ter zitting heeft de vader hierbij uitgelegd dat hij vooral graag [minderjarige] wil leren kennen, en dat de manier waarop dat contact plaatsvindt of wordt opgebouwd, wat hem betreft in overleg met [minderjarige] , haar moeder en de hulpverlening moet worden bepaald. 2.6. De moeder is niet tegen het contact tussen [minderjarige] en de vader. Zij vindt het daarbij het belangrijkste dat er goed gelet wordt op wat [minderjarige] daarin nodig heeft. 2.7. In de beschikking van 17 april 2024 heeft de rechtbank aan de Raad gevraagd om te onderzoeken of een omgangsregeling in het belang van [minderjarige] is, en zo ja, hoe die er dan uit zou moeten zien. De Raad heeft hierover in het rapport van 8 juli 2024 een advies gegeven aan de rechtbank. 3De beoordeling De beslissing van de rechtbank 3.1. De rechtbank zal bepalen dat er een omgangsregeling komt. Daarbij geeft de rechtbank wel enige kaders, namelijk: er moet worden toegewerkt naar een vorm van contact. De rechtbank zal echter niet precies gaan bepalen hoe en wanneer [minderjarige] contact met haar vader moet hebben, en wijst het verzoek van de vader daarom deels af. Hierna legt de rechtbank uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij licht de rechtbank eerst toe wat er in de wet staat over omgang, en daarna gaat zij in op het advies van de Raad en de standpunten van de ouders. Ook de mening van [minderjarige] zelf weegt de rechtbank mee. De rechtbank schrijft [minderjarige] ook een brief, waarvan de tekst in deze beschikking opgenomen wordt. Het wettelijk kader waaraan de rechter moet toetsen 3.2. Een kind heeft recht op omgang met zijn of haar ouders. Omgekeerd geldt dat ook: een ouder heeft recht op – en ook een verplichting tot – omgang met zijn kind. Dit staat in de wet. De reden dat dit in de wet is vastgelegd, is omdat contact met ouders belangrijk is voor de (identiteits)ontwikkeling voor kinderen. Anders gezegd: om te kunnen ontdekken ‘wie ben ik’, is het voor kinderen goed om contact met hun ouders te hebben. Deze band tussen ouder en kind is zo belangrijk, dat er ook allerlei internationale regels zijn waarin deze relatie wordt beschermd. 3.3. Om dit recht in de praktijk vorm te geven, kan een ouder de rechter vragen om een ‘omgangsregeling’ te bepalen: dat is een rechterlijke beslissing over hoe en wanneer het contact tussen een ouder en kind plaatsvindt. Alleen in uitzonderlijke gevallen beslist de rechter dat er geen omgang tussen ouder en kind plaatsvindt, bijvoorbeeld omdat dit ernstig nadeel voor de ontwikkeling van het kind zou geven. Het advies van de Raad over omgang 3.4. De Raad heeft onderzoek gedaan en een advies aan de rechtbank gegeven over de vraag of, en hoe, er omgang tussen [minderjarige] en haar vader moet komen. De Raad vindt dat een omgangsregeling in het belang van [minderjarige] is, want dat is belangrijk voor haar identiteitsontwikkeling. Omdat er heel lang geen contact is geweest, adviseert de Raad om dit contact geleidelijk op te bouwen: beginnen met kaartjes sturen en dan rustig verder, naar uiteindelijk idealiter minimaal één keer per maand contact. Daarbij vindt de Raad het nodig dat [minderjarige] hierin wordt begeleidt door hulpverlening. Wat de vader heeft verteld 3.5. De vader heeft in zijn verzoekschrift, in de gesprekken met de Raad en tijdens de zitting verteld dat hij graag contact wil met [minderjarige] . Hij vindt het erg dat hij al die jaren van [minderjarige] ’s leven heeft gemist. In zijn leven is veel gebeurd, maar de laatste jaren heeft de vader alles op een rij: een eigen huis, geen schulden meer, geen contact meer met justitie. De vader kan het verleden niet terugdraaien, maar wil [minderjarige] graag alsnog leren kennen. Hij vindt dat ook heel spannend, en snapt goed dat dit ook voor [minderjarige] een grote stap is. De vader heeft daarom benadrukt dat hij het belangrijk vindt dat [minderjarige] ’s belang voorop staat: hij wil contact, maar hij wil dat niet forceren en is realistisch in zijn verwachtingen. Wat de moeder heeft verteld 3.6. De moeder heeft aan de Raad en tijdens de zitting verteld dat zij erachter staat als [minderjarige] contact met haar vader heeft. Zij heeft ook geprobeerd om dit te stimuleren, maar dat is lastig. De moeder merkt dat het [minderjarige] veel spanning geeft, en wil haar niet teveel dwingen, omdat dat dan ook druk zet op de relatie tussen [minderjarige] en de moeder. [minderjarige] gaat wel naar Praktijk Valida en de moeder heeft de indruk dat dat haar helpt. Wat [minderjarige] heeft geschreven 3.7. [minderjarige] heeft een brief geschreven aan de kinderrechter. Zij heeft geschreven dat haar vader nooit een rol in haar leven heeft gespeeld, en dat ze daar nu ook geen behoefte aan heeft. [minderjarige] schrijft dat ze het gevoel heeft dat haar vader probeert aan te schuiven aan een tafel die al vol zit. Zij heeft genoeg mensen om zich heen, en daar hoeft geen vader meer bij. De beslissing van de rechtbank 3.8. De rechtbank vindt het belangrijk dat er contact komt tussen [minderjarige] en haar vader, zelfs al heeft [minderjarige] daar zelf op dit moment geen behoefte aan. De rechtbank is namelijk, mede op basis van het advies van de Raad, van oordeel dat het voor [minderjarige] ’s ontwikkeling van belang is dat dit contact er wel is. Daarbij moet [minderjarige] wel goed begeleid worden: door Praktijk Valida, die al betrokken is, of door een andere hulpverlener. Het is immers bepaald niet niks voor [minderjarige] om na al die jaren weer in contact te komen met haar vader. Het is begrijpelijk dat dat spanning oplevert, en daarom moet [minderjarige] daarbij goed geholpen worden en echt voelen dat zij de regie heeft over het contact. Dat past ook bij haar leeftijd: [minderjarige] is [leeftijd] jaar en dat betekent dat zij naar het oordeel van de rechtbank oud genoeg is om tot op grote hoogte zelf te bepalen wat zij wel en niet prettig vindt in het contact met haar vader. Dat betekent dat het contact misschien minder snel of minder vaak zal plaatsvinden dan de vader graag zou willen. Dat vraagt behoorlijk wat geduld van de vader, maar de rechtbank heeft er vertrouwen in dat hij dat kan opbrengen, juist omdat hij goed heeft uitgelegd dat hij [minderjarige] ’s wensen en grenzen wil respecteren. Ook van de moeder vraagt het opbouwen van contact het een en ander: zij moet [minderjarige] hierin steunen en stimuleren. Ook daarin heeft de rechtbank vertrouwen: de moeder doet dit nu ook al heel goed. 3.9. De rechtbank zal daarom het volgende bepalen: er moet, met hulpverlening voor [minderjarige] (door Praktijk Valida of een andere hulpverlener), worden toegewerkt naar contact tussen [minderjarige] en haar vader; dit contact moet geleidelijk worden opgebouwd, waarbij kan worden begonnen met kaartjes sturen, vervolgens een keer appen, mailen of bellen, en zo verder, één en ander ter beoordeling van de hulpverlening in overleg met [minderjarige] en haar ouders; het zou een mooi doel kunnen zijn om toe te werken naar minimaal één keer per maand contact: bellen of (als er al wat meer contact
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.