RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/247070-24 (ontneming) Vonnis van de meervoudige kamer op de vordering van de officier van justitie tot ontneming van 6 mei 2025 in de zaak tegen veroordeelde [veroordeelde] , geboren op [geboortedatum] 2002, ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres: [adres] , [postcode] te [plaats] nu gedetineerd in [verblijfplaats] . 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 22 april
- De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van officier van justitie mr. L.A. Lepoutre en van hetgeen veroordeelde en mr. E.D. van Elst, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. 2VORDERING De schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie van 19 maart 2025 strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen op een bedrag van € 9.605,68 en aan de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van dat bedrag. 3BEOORDELING VAN DE VORDERING 3.1 Het vonnis De rechtbank heeft de veroordeelde bij vonnis van 6 mei 2025 veroordeeld voor onder andere het medeplegen van gewoonte(opzet)heling, waarbij veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan de verkoop van onder andere telefoons. 3.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke vordering. 3.3 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft aangevoerd zich niet te kunnen vinden in de berekening zoals omschreven in het ontnemingsrapport, nu veroordeelde ter terechtzitting heeft verklaard slechts zes tot acht telefoons te hebben verkocht. De raadsvrouw heeft verzocht het wederrechtelijke verkregen voordeel vast te stellen op €
- Ter terechtzitting heeft veroordeelde verklaard zeven telefoons te hebben verkocht en daar € 70 tot € 80 aan te hebben verdiend. 3.4 Het oordeel van de rechtbank In het ontnemingsrapport is opgenomen dat veroordeelde samen met medeveroordeelde ongeveer tien tot vijftien telefoons per week kon leveren en dat elke telefoon een gemiddelde opbrengst van € 195 opleverde. De hoeveelheid verkochte telefoons per week is gebaseerd op een tapgesprek tussen de veroordeelde en medeveroordeelde op 20 juli
- In dit gesprek worden de mogelijkheden besproken om via een derde de Icloud’s van telefoontoestellen te halen. Veroordeelde en medeveroordeelden wilden dit blijkens de inhoud van het gesprek uit proberen. Met betrekking tot de verdeling van de winst is in het ontnemingsrapport opgenomen dat het onbekend is op welke wijze de winst precies verdeeld werd en dat daarom wordt uitgegaan van een gelijke verdeling van de winst. Het aantal van 10 tot 15 telefoons per week is gebaseerd op een -verder niet onderbouwde- schatting van veroordeelde en zijn medeveroordeelde over het aantal telefoons dat zij mogelijk in de toekomst zouden kunnen gaan verhandelen. Aanwijzingen dat ze dit aantal ook daadwerkelijk hebben gehaald ontbreken. Het is daarmee onvoldoende vast te stellen of veroordeelde en medeveroordeelde in de betreffende periode daadwerkelijk gemiddeld tien tot vijftien telefoons per week verhandelden. Het dossier bevat onvoldoende concrete aanknopingspunten om op andere wijze een schatting te maken van het aantal daadwerkelijk verkochte telefoons. De gemiddelde opbrengst per telefoons is voorts gebaseerd op een gemiddelde van de prijzen van verschillende types telefoons. Deze berekening gaat er dus vanuit dat ieder type telefoon evenveel werd verhandeld. Uit het dossier blijkt niet waarop deze aanname is gebaseerd en of er bijvoorbeeld niet types waren die aanmerkelijk vaker of juist minder vaak werden verhandeld. Tot slot is uitgegaan van een gelijke verdeling van de winst, terwijl het dossier eerder aanknopingspunten bevat voor het oordeel dat de winst niet gelijkelijk werd verdeeld. De rechtbank kan – gelet op de verklaring van verdachte ter terechtzitting – slechts vaststellen dat veroordeelde met de verkoop van telefoons in ieder geval € 70 heeft verdiend. De rechtbank zal de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel dan ook vaststellen op dat bedrag. 4TOEGEPAST WETSARTIKEL De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. 5BESLISSING De rechtbank: - stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 70; - legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 70 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel; - bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1 dag. Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.G. de Weerd, voorzitter, mr. L.E. Verschoor-Bergsma en mr. S.S.I. Jackson, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van Buel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 mei
- De voorzitter, de oudste rechter en de griffier zijn buiten staat het vonnis mede te ondertekenen. Blijkens het uittreksel uit de Strafrechtketendatabank (SKDB) blijkt verdachte te zijn geboren in [geboorteplaats] te Tunesië. Ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven dat daar niet te zijn geboren, maar te zijn geboren in [geboorteplaats] te Syrië.