RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/8363 uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 maart 2025 in de zaak tussen [verzoeker] , mede namens en als directeur van [bedrijf] B.V., uit [plaats] , verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren, het college (gemachtigde: mr. B.M. Plat). Inleiding In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker over de verlenging van een begunstigingstermijn. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Verzoeker heeft een verzoek om voorlopige voorziening ingediend en daarbij een besluit overgelegd van het college van 13 december 2024, waarin een eerder aan hem verleende begunstigingstermijn voor de derde keer is verlengd tot 15 januari
- Daarbij is aan verzoeker medegedeeld dat hij vanaf 15 januari 2025 de opgelegde dwangsom verbeurt wegens het laten gebruiken van de woning aan de [adres] in [plaats] in strijd met het bestemmingsplan en de Huisvestingswet en -verordening. Onder dit besluit staat dat verzoeker daartegen bezwaar kan maken. Beoordeling door de voorzieningenrechter
- Het verzoek om voorlopige voorziening gaat over het besluit van 13 december
- De rechtbank heeft verzoeker bij brief van 30 december 2024 verzocht om een kopie toe te sturen van het bezwaarschrift. Verzoeker heeft daarop gereageerd en de rechtbank stukken toegestuurd, maar geen bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 13 december
- Ook bij de stukken die het college aan de rechtbank heeft toegestuurd, zit geen bezwaarschrift gericht tegen dit besluit. De voorzieningenrechter stelt dan ook vast dat er geen bezwaarprocedure loopt tegen het besluit van 13 december
- Alleen als dat wel het geval is, kan iemand een verzoek om voorlopige voorziening doen. Conclusie en gevolgen
- Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 7 maart
- de griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.