RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: UTR 23/5571 en UTR 24/682 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. I. Brouwer), en de Minister van Financiën, de minister (gemachtigden: mr. L.P. Molenveld en mr. M. Baarslag). Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser over zijn verzoek om inzage in zijn persoonsgegevens op grond van artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft de beroepen op 4 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de minister. Totstandkoming van de besluiten Bij brief van 7 mei 2021 is eiser er door de minister over geïnformeerd dat zijn gegevens in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) stonden. Op 1 maart 2022 heeft eiser een inzageverzoek ingediend op grond van artikel 15, eerste lid, van de AVG. Daarbij heeft hij verzocht om een kopie van zijn dossier op grond van artikel 15, derde lid, van de AVG. Bij besluit van 25 april 2022 heeft de minister eiser inzage gegeven in zijn persoonsgegevens die stonden in de FSV. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt en daarin – onder meer – aangevoerd dat de minister zijn verzoek te beperkt heeft opgevat, omdat hij gevraagd heeft om inzage in zijn complete dossier. Bij besluit van 14 april 2023 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer UTR 23/5571. De minister heeft het bezwaarschrift van eiser (ook) opgevat als een nieuw verzoek om inzage in alle persoonsgegevens waarover de Belastingdienst beschikt. Bij besluit van 27 juni 2023 heeft de minister inzage gegeven in zijn persoonsgegevens. Het verzoek om inzage in het volledige dossier heeft de minister afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 20 december 2023 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer UTR 24/682.Beoordeling door de rechtbank De rechtbank beoordeelt of de minister eiser op juiste wijze inzage heeft gegeven in zijn persoonsgegevens. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.Omvang verzoek Eiser is er het allereerst niet mee eens dat de minister zijn verzoek om inzage heeft opgesplitst. Zijn verzoek om inzage van 1 maart 2022 beperkte zich niet tot inzage in zijn persoonsgegevens in de FSV en is door de minister ten onrechte zo opgevat. De minister stelt zich op het standpunt dat hij het inzageverzoek van eiser terecht heeft opgevat als een inzageverzoek in de FSV, omdat eiser in zijn verzoek verwijst naar de brief die hij heeft ontvangen over zijn registratie in de FSV. In het inzageverzoek dat eiser op 1 maart 2022 heeft gedaan staat – kort gezegd – dat hij de brief van 7 mei 2021 heeft ontvangen waarin staat dat zijn persoonsgegevens verwerkt zijn in de FSV en dat hij daarover nader geïnformeerd zal worden, maar dat hij tot op dat moment nog geen nadere informatie heeft ontvangen. Verder staat er dat eiser zelf inzage wenst te krijgen in de verwerking van zijn persoonsgegevens door de belastingdienst. Hij wenst een kopie te ontvangen van zijn dossier met persoonsgegevens. De rechtbank is het met eiser eens dat, ondanks de verwijzing naar de brief van de minister van 7 mei 2021, zijn inzageverzoek ruimer is geformuleerd dan alleen de FSV en dat het hem niet alleen daar om te doen was. De minister heeft zijn verzoek in eerste instantie dus inderdaad te beperkt opgevat, maar in de bezwaarfase is de minister hier in meegegaan en heeft hij alsnog een apart besluit genomen over alle persoonsgegevens van eiser die de Belastingdienst van hem heeft verwerkt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser dan ook – in die zin – gekregen waarom hij heeft gevraagd en heeft hij geen belang bij een beoordeling van deze grond. Het door eiser op de zitting gestelde belang van overzichtelijkheid en eenvoud bij de afwikkeling van AVG-verzoeken is onvoldoende. Inzage in persoonsgegevens in de FSV (het beroep met nummer UTR 23/5571) Eiser voert aan dat het overzicht dat hij heeft gekregen van zijn persoonsgegevens in de FSV onvoldoende duidelijk en incompleet is. Op grond hiervan kan hij de rechtmatigheid van de verwerking niet vaststellen. Uit het overzicht blijkt dat er een aangifte is gedaan op 7 april 2014, maar niet door wie. Niet duidelijk is door wie en op grond waarvan de activiteiten van eiser als fraude zijn bestempeld. Ook is niet duidelijk of de gegevens met anderen/derden zijn gedeeld en aan welke ontvangers mededelingen zijn gedaan. Verder blijkt uit het overzicht niet wie de opname van fraude heeft gedaan op 25 april 2014 en op grond waarvan en wanneer het fraudevermoeden is ingetrokken. Tot slot is niet duidelijk of er bijzondere persoonsgegevens zijn verwerkt in de FSV. De rechtbank overweegt als volgt. Het is vaste rechtspraak dat de kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt en die de verwerkingsverantwoordelijke op grond van artikel 15, derde lid, eerste volzin, van de AVG moet verstrekken, alle noodzakelijke kenmerken moet vertonen om de betrokkene in staat te stellen de rechten die hij aan deze verordening ontleent daadwerkelijk uit te oefenen. Deze kopie moet deze gegevens dus volledig en getrouw reproduceren. De kopie van de persoonsgegevens moet niet alleen een omschrijving van het persoonsgegeven vermelden, maar ook het persoonsgegeven zelf, en de verwerkingsdoeleinden. De exacte vorm van de kopie wordt per geval bepaald op basis van de bijzonderheden ervan en met name de aard van de persoonsgegevens waarvan om inzage wordt verzicht en van hetgeen betrokkene nodig heeft. Er is geen sprake van een algemeen recht op een kopie van het document dat de persoonsgegevens bevat. 9. De rechtbank is van oordeel dat het overzicht dat eiser heeft gekregen van zijn persoonsgegevens in de FSV hieraan voldoet. De minister heeft afdoende toegelicht dat de weergave van de persoonsgegevens in het bij het primaire besluit verstrekte overzicht een waarheidsgetrouwe kopie is van de persoonsgegevens in de FSV. Daarbij heeft de minister toegelicht dat de in het overzicht vermelde “aangifte op 7 april 2014” de aangifte inkomensbelasting 2014 van eiser zelf betreft en dat de reden voor de opname van de gegevens van eiser op de FSV mogelijke onregelmatigheden in die aangifte betrof. De “datum opname 25-4-2014” is de datum van opname van eisers persoonsgegevens in de FSV. De melding in de FSV is gedaan door een medewerker van de competente eenheid, te weten Utrecht MKB verzorgingsgebied Midden-midden. Dit was het belastingkantoor dat verantwoordelijk was voor de behandeling van de fiscale aangelegenheden van eiser. In de brief van 29 juli 2023 die de minister aan eiser heeft gestuurd over het onderzoek naar eisers FSV-registratie staat tot slot dat eisers gegevens uit de FSV niet zijn gedeeld met andere organisaties en dat er geen bijzondere persoonsgegevens van eiser in de FSV zijn verwerkt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister alle persoonsgegevens in de FSV verstrekt en is het overzicht in die zin volledig en met de gegeven toelichting ook voldoende duidelijk. Deze beroepsgrond slaagt niet. 10. Het beroep gericht tegen het inzageverzoek van eisers persoonsgegevens in de FSV is ongegrond.Inzage in alle persoonsgegevens waarover de minister beschikt (het beroep met nummer UTR 24/682) 11. Zoals hiervoor al is overwogen heeft eiser een ruimer inzageverzoek gedaan dan alleen van zijn persoonsgegevens in de FSV. Mede gelet op wat op de zitting is besproken, begrijpt de rechtbank het zo dat eiser ook inzage wil in zijn persoonsgegevens die zijn verwerkt in de achterliggende documenten in de ruimste zin des woords. Het gaat hem er – kort samengevat – om te kunnen achterhalen hoe en waarom hij in de FSV is terecht gekomen. Eiser is van mening dat er meer persoonsgegevens moeten zijn verwerkt dan nu aan hem zijn verstrekt. Wat zijn persoonsgegevens? 12. Eiser heeft allereerst gesteld dat de minister ten onrechte stelt dat interne adviezen, juridische analyses voor intern gebruik, en notities van de persoonlijke gedachten van medewerkers als zodanig geen persoonsgegevens bevatten, en dat ditzelfde geldt voor verslagen van telefoongesprekken en e-mailcorrespondentie die geen controleerbare of rectificeerbare gegevens over eiser bevatten. 13. In artikel 4, aanhef en onder 1, van de AVG staat dat onder ‘persoonsgegevens’ alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon wordt verstaan. Als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon. 14. Het Hof van Justitie van de EU (het Hof) heeft in het arrest Nowak overwogen dat het gebruik van de woorden ‘alle informatie’ in de hiervoor genoemde definitie wijst op de bedoeling van de Uniewetgever om een ruime betekenis te geven aan dit begrip, dat zich potentieel uitstrekt tot elk soort informatie, zowel objectieve informatie als subjectieve informatie, in de vorm van meningen of beoordelingen, op voorwaarde dat deze informatie de betrokkene betreft. Deze laatste voorwaarde is vervuld wanneer die informatie wegens haar inhoud, doel of gevolg gelieerd is aan een bepaalde persoon. Het Hof heeft deze uitleg in het arrest F.F. tegen Österreichische Datenschutzbehörde bevestigd en overwogen dat de ruime definitie van het begrip ‘persoonsgegevens’ dus niet alleen de door de verwerkingsverantwoordelijke verzamelde en bewaarde gegevens omvat, maar ook alle informatie die voortvloeit uit een verwerking van persoonsgegevens betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare persoon, zoals de beoordeling van zijn solvabiliteit of betalingsbereidheid. 15. Hieruit vloeit voort dat de stelling van de minister dat interne adviezen, juridische analyses die zijn bedoeld om intern te delen, notities die persoonlijke gedachten van medewerkers bevatten, naar hun aard geen persoonsgegevens bevatten niet juist is. Ditzelfde geldt voor de stelling van de minister dat verslagen van telefoongesprekken en e-mailcorrespondentie die geen controleerbare of rectificeerbare gegevens over een persoon bevatten, geen persoonsgegevens (kunnen) bevatten, niet juist is. Ook dit soort documenten/informatiedragers vallen onder de reikwijdte van het begrip persoonsgegevens zoals door het Hof geformuleerd. Dit betekent dat ook persoonsgegevens – in voornoemde ruime zin des woords – uit dergelijke documenten moeten worden verstrekt als ze er zijn. Dit betekent dat de beroepsgrond van eiser op dit punt slaagt. Echter gelet op hetgeen hierna wordt overwogen over de zoekslag van de minister, ziet de rechtbank aanleiding om dit motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat eiser hierdoor niet is benadeeldHeeft de minister voldoende gezocht? 15. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat degene die stelt dat er meer persoons-gegevens moeten zijn, nadat de verwerkingsverantwoordelijke onderzoek naar die persoonsgegevens heeft gedaan en niet ongeloofwaardig heeft medegedeeld dat er niet meer persoonsgegevens zijn, aannemelijk moet maken dat er wel meer persoonsgegevens moeten zijn. 17. In het primaire besluit staat dat de minister heeft gezocht naar persoonsgegevens van eiser in de algemene systemen en applicaties die gebruikt worden voor de algemene registratie van eiser voor de invordering van inkomstenbelasting, omzetbelasting en autobelastingen. Aan eiser is een overzicht verstrekt van de aangetroffen persoonsgegevens. 17. Op de zitting heeft de minister nader toegelicht dat er geen andere gegevens zijn aangetroffen zoals e-mails, notities of andere documenten. Als deze er waren geweest, had de minister ze gevonden in de algemene systemen en applicaties, omdat belangrijke e-mails en notities ook daarin worden opgeslagen. Er is dus – zo heeft de minister uitgelegd – dus wel naar dergelijke documenten/informatiedragers gezocht ondanks de formele stelling van de minister op dit punt, genoemd in rechtsoverweging 15 hiervoor, maar dergelijke informatiedragers zijn niet aangetroffen. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. 17. Naar aanleiding van de ministers opmerking in het verweerschrift dat rechtsvormen geen natuurlijke personen zijn en derhalve niet onder de reikwijdte van de AVG vallen, heeft de minister op de zitting desgevraagd toegelicht dat er wel is gezocht naar eisers persoonsgegevens in het dossier van zijn eenmanszaak (de garage), maar dat er niet meer persoonsgegevens zijn aangetroffen dan op het verstrekte overzicht staan opgenomen. Nu in het primaire besluit ook staat dat is gezocht in de systemen en applicaties die betrekking hebben op de omzetbelasting én in het overzicht de KVK-nummers en handelsnamen van eisers bedrijf staan vermeld, ziet de rechtbank geen reden om hieraan te twijfelen. 17. Eiser heeft aangevoerd dat het niet aannemelijk is dat er niet meer gegevens zijn verwerkt, omdat uit het boetebesluit van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) van 7 april 2022 blijkt dat de AP over veel meer gegevens beschikte waaruit zij de conclusie kon trekken dat er sprake is geweest van discriminatoir handelen bij de registratie in de FSV. De minister heeft hierover gesteld dat bij andere mensen in de FSV inderdaad discriminerende aantekeningen zijn aangetroffen, maar dat dat bij eiser niet het geval is. De rechtbank ziet geen reden om hieraan te twijfelen. 17. Eiser heeft verder gesteld dat er meer informatie moet zijn over (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.