Rechtbank Midden-Nederland – ECLI:NL:RBMNE:2025:252
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bewindsbureau locatie Lelystad zaaknummer: 11293214 LT VERZ 24-2496 Beschikking tot ontslag van de mentor en benoeming van een opvolgend mentor d.d. 28 januari 2025 op verzoek van: [verzoekster] wonende [adres 1] [postcode 1] [woonplaats 1] gemachtigde: mr. P. de Boom, advocaat te Barendrecht hierna te noemen: moeder, met betrekking tot: [betrokkene] wonende [adres 2] [postcode 2] [woonplaats 2] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001, hierna te noemen: betrokkene.
De procedure De kantonrechter heeft kennisgenomen van: het verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 4 september 2024; een e-mailbericht van de mentor, ter griffie ingekomen op 13 september 2024; een e-mailbericht van de verzoeker, ter griffie ingekomen op 24 september 2024; een e-mailbericht van de mentor, ter griffie ingekomen op 28 oktober 2024; e-mailberichten van verzoeker, ter griffie ingekomen op 19 december 2024; e-mailbericht van de mentor, ter griffie ingekomen op 19 december 2024; een brief van de mentor, ter griffie ingekomen op 20 december 2024.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 21 november 2024. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de zitting.
De beoordeling 1. Huidige situatie Bij beschikking van de kantonrechter te Rotterdam van 3 juni 2019 is ten behoeve van betrokkene een mentorschap ingesteld. Nu is [A] , wonende [adres 3] , [postcode 3] [plaats] , hierna te noemen: vader, de mentor.
Moeder geeft aan dat vader zijn afspraken niet nakomt, dat hij haar niet informeert over het welzijn van betrokkene en dat zij betrokkene niet mag zien. Ze wil haar kind zien en op de hoogte worden gehouden over zijn welzijn. Ze vindt dat de vader zijn macht misbruikt. Daarnaast handelt hij niet in het belang van betrokkene door zijn moeder bij hem weg te houden.
De artsen en begeleiding van de nieuwe locatie hebben aangegeven dat zowel bezoek van moeder als van vader tijdens het wennen niet wenselijk is. Vader heeft een brief van de arts meegezonden waaruit blijkt dat de arts heeft geadviseerd om de eerste vier maanden geen ontmoetingen te laten plaatsvinden met vader, moeder en andere familieleden. Dit wordt in het belang van betrokkene ten zeerste afgeraden. Inmiddels woont betrokkene sinds juli 2024 bij deze instelling en is er op 27 november 2024 een afspraak met de arts, de gedragsdeskundige, de persoonlijk begeleider van betrokkene en de vader en moeder van betrokkene. In dit gesprek kan moeder al haar vragen stellen die zij heeft over het welzijn van [betrokkene (voornaam)] .
Vader wil daarnaast het contact tussen betrokkene en moeder herstellen maar wel pas als de professionals hier groen licht voor geven. Vader verzoekt om het verzoek af te wijzen. In het belang van betrokkene zou de situatie moeten blijven zoals het nu is.
8.1.
Beoordeling primair verzoek De kantonrechter dient te beoordelen of de mentor de belangen van betrokkene juist behartigt. Pas als de mentor niet goed functioneert zal ontslag van de mentor en benoeming van een opvolgend mentor aan de orde zijn. De kantonrechter benadrukt dat het belang van betrokkene voor de ouders voorop moet staan. Contact met moeder is zeker in het belang van betrokkene en de kantonrechter acht het dan ook in belang van betrokkene dat dit contact wordt hersteld. Hierbij dienen de partijen wel het advies van de professionals te volgen. Dat vader tijdens de wenperiode van betrokkene bij de instelling het contact tussen moeder en betrokkene heeft geweigerd was terecht. De arts van betrokkene heeft schriftelijk bevestigd dat contact tussen betrokkene en familie de eerste maanden niet wenselijk was.
De mentor heeft inmiddels bij de instelling doorgegeven dat moeder over alles geïnformeerd mag worden. Ook heeft moeder de telefoonnummers en e-mailadressen van de persoonlijk begeleiders gekregen en kan zij rechtstreeks contact met hen opnemen. Ook wordt er een plan van aanpak opgesteld om het contact tussen moeder en betrokkene te herstellen. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de klachten van moeder die ten grondslag liggen aan haar verzoek hiermee voldoende opgelost. De angst van moeder dat vader zijn toestemming zal intrekken is onvoldoende reden om de mentor te ontslaan. Daarbij is niet gebleken dat vader als mentor de belangen van betrokkene niet juist behartigt. De kantonrechter zal het verzoek daarom afwijzen.
8.2.
Beoordeling subsidiair verzoek Subsidiair verzoekt moeder de kantonrechter een omgangsregeling vast te stellen tussen haar en betrokkene en verzoekt ze dat er een informatie- en consultatieregeling wordt bepaald. De kantonrechter heeft ter zitting al aan moeder laten weten niet bevoegd te zijn om te kunnen beslissen op dit verzoek. De mogelijkheden van de kantonrechter in het kader van het mentorschap zijn immers op basis van artikel 1:461 BW lid 2 beperkt tot het ontslag van de mentor of geschillenbeslechting in een informele klachtenprocedure. Zoals bij het primaire verzoek is overwogen is er geen reden tot ontslag van de mentor en zijn de klachten van moeder, voor zover die zo beschouwd kunnen worden, afdoende behandeld. De wet voorziet niet in bepalingen die het de kantonrechter mogelijk maken om op het gebied van niet-vermogensrechtelijke aspecten de mentor een opdracht te geven om een omgangs- of informatieregeling vast te leggen. Een concrete mogelijkheid om een omgangs- of informatieregeling door de kantonrechter te laten toetsen of vast te leggen is er niet. Verzoekster baseert haar verzoek op artikel 8 EVRM en artikel 1:377a BW. Een dergelijk verzoek zal naar het oordeel van de kantonrechter behandeld moeten worden door de afdeling familierecht. De kantonrechter zal daarom op grond van artikel 69 Rv het subsidiaire verzoek, in de staat waarin het zich bevindt, verwijzen naar de afdeling familierecht van deze rechtbank.
De beslissing De kantonrechter:
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Crouwel, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2025, in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing kan binnen drie maanden na de dag van de uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden. Het beroepschrift kan uitsluitend door een advocaat worden ingediend.