RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht kantonrechter locatie Almere Zaaknummer: 11470568 \ MC EXPL 24-8508 Vonnis van 28 mei 2025 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , procederend in persoon, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 19 november 2024 met 5 producties;- de mondelinge conclusie van antwoord tijdens de rolzitting op 8 januari 2025; - de akte met producties van [gedaagde] ; - het aanvullend antwoord met 3 producties van [gedaagde] ; - de mondelinge behandeling van 24 april 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. 1.
- Tijdens de zitting op 24 april 2025 was [gedaagde] aanwezig. [eiser] is niet naar de zitting gekomen. 1.
- De kantonrechter heeft aan het einde van de zitting bepaald dat hij vandaag schriftelijk uitspraak zal doen. 2De kern van de zaak 2.
- [gedaagde] is sinds december 2023 franchisenemer van [naam] in [plaatsnaam] - [.] . Volgens [eiser] heeft hij de franchiseonderneming aan [gedaagde] verkocht en moet [gedaagde] hem nog € 4.383,58 met rente en kosten betalen voor de overgenomen voorraden (waaronder keukenapparatuur). [gedaagde] is het daar niet mee eens. Hij voert onder andere aan dat [eiser] geen contractpartij is en dat de factuur moet worden verrekend met schade die hij heeft geleden doordat de keukenapparatuur gerepareerd of vervangen moest worden. [gedaagde] krijgt van de kantonrechter gelijk. [eiser] is nietontvankelijk in zijn vorderingen. Hierna wordt uitgelegd waarom dat zo is. 3De beoordeling [eiser] is niet-ontvankelijk 3.
- [eiser] heeft de schriftelijke koopovereenkomst ingediend. In de overeenkomst staat: “DE ONDERGETEKENDEN: 1De heer [A] woonachtig (…), hierna te noemen “verkoper” en 2De heer [gedaagde] woonachtig (…), hierna te noemen “koper””. De koopovereenkomst is door de heer [A] (de broer van [eiser] ) ondertekend. [gedaagde] heeft de onderneming dus gekocht van de heer [A] . [eiser] wordt nergens in de overeenkomst genoemd. Hij is geen contractpartij. Dus hij kan zich niet op de overeenkomst beroepen. Dat betekent dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen. [gedaagde] hoeft niets aan [eiser] te betalen. De overige standpunten van partijen kunnen verder onbesproken blijven. Proceskosten 3.
- [eiser] heeft ongelijk gekregen en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [gedaagde] zich in deze procedure niet heeft laten bijstaan door een gemachtigde, komt hij op grond van artikel 238 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in aanmerking voor een bedrag voor reis- en verblijfkosten en noodzakelijke verletkosten. De kantonrechter begroot die kosten, gebaseerd op de aanwezigheid bij de rolzitting en bij de mondelinge behandeling, op € 100,-. 3.
- De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 4De beslissing De kantonrechter: 4.
- verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen; 4.
- veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 100,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet op tijd aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] ook de kosten van betekening betalen; 4.
- veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald; 4.
- verklaart de veroordelingen onder 3.2 en 3.3 uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. S.E. Garvelink en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2025.