RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/4666 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 april 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. M. Gideonse), en de raad van de gemeente [plaats] (gemachtigden: drs. M.A.C. van Esterik en D. Kara). Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser dat gaat over zijn verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo). Eiser heeft dit verzoek op 5 september 2023 gericht aan de raad. Het verzoek bestaat uit twee onderdelen:- eiser verzoekt openbaarmaking van verschillende reacties van fractievoorzitters, waarover de griffier van de raad spreekt in zijn e-mailbericht van 2 juli 2020;- eiser verzoekt openbaarmaking van documenten die gaan over kwesties die spelen rondom het Soester Hoogt. 1.
- De raad heeft naar aanleiding van het tweede onderdeel van dit Woo-verzoek in het primaire besluit van 5 oktober 2023 e-mailberichten van de burgemeester van 8 juli 2020 openbaar gemaakt. Over het eerste onderdeel van het Woo-verzoek heeft de raad overwogen dat correspondentie van raadsleden onderling niet onder de reikwijdte van de Woo valt. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In het besluit van 27 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft de raad het primaire besluit gehandhaafd onder aanvulling van de motivering. Hiertegen richt zich het beroep van eiser. 1.
- De raad heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Naar aanleiding van vragen van de rechtbank heeft de raad op 31 januari 2025 een nadere reactie gegeven op de verrichte zoekslag. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 28 februari 2025 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de raad. Beoordeling door de rechtbank
- Deze uitspraak gaat alleen nog over de afhandeling van het eerste onderdeel van eisers Woo-verzoek. Hij heeft namelijk geen bezwaar gemaakt tegen de afhandeling van het tweede onderdeel van zijn Woo-verzoek en ook op de zitting bevestigd dat het beroep geen betrekking heeft op die afhandeling. 2.
- De raad heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de zoekslag geen documenten heeft opgeleverd die onder de reikwijdte van dit Woo-verzoek vallen en subsidiair heeft hij gesteld dat als die documenten er al zouden zijn, deze niet openbaar gemaakt kunnen worden, omdat artikel 5.4a, eerste lid, van de Woo daaraan in de weg zou staan. Het gaat volgens de raad namelijk om informatie betreffende de ondersteuning van individuele leden van de raad door de griffier. Over welke documenten gaat het Woo-vezoek?
- Voordat de rechtbank haar oordeel kan geven over de afhandeling van het Woo-verzoek, is relevant om vast te stellen welke specifieke documenten de raad volgens eiser openbaar moet maken. 3.
- In het Woo-verzoek van eiser staat onder
- daarover het volgende vermeld:“In een e-mailbericht van 2 juli 2020 heeft uw griffier gewag gemaakt van “verschillende reacties van fractievoorzitters”[…] Cliënt verzoekt om openbaarmaking en verstrekking via de digitale weg van deze reacties voor zover deze schriftelijk van aard zijn.” 3.
- In het e-mailbericht van 2 juli 2020 van de griffier van de raad, waarop eiser doelt, staat het volgende:“Beste fractievoorzitters,Nu er verschillende reacties van fractievoorzitters komen richting het Jachthuis wil ik u mijn reactie van gistermiddag niet onthouden.[…].” 3.
- De rechtbank stelt vast dat onderdeel
- van het Woo-verzoek, gelet op de bewoordingen van dat verzoek en het e-mailbericht waarnaar is verwezen, alleen gaat over reacties van fractievoorzitters die gericht zijn áán het Jachthuis. Anders dan eiser stelt, valt correspondentie tussen fractievoorzitters onderling dan wel tussen fractievoorzitters en de griffier óver het Jachthuis niet onder de reikwijdte van het verzoek. Dat is namelijk een te ruime uitleg van de tekst van het verzoek. Dat de raad het verzoek van eiser ook ruim heeft opgevat en vervolgens heeft gezocht naar onderlinge correspondentie van raadsleden over het Jachthuis, maakt dit niet anders. Het Woo-verzoek beperkt zich naar oordeel van de rechtbank dus tot de reacties van fractievoorzitters gericht aan het Jachthuis.Vallen de gevraagde documenten onder reikwijdte van de Woo?
- De reacties van fractievoorzitters gericht aan het Jachthuis vallen naar het oordeel van de rechtbank naar hun aard niet onder de reikwijdte van de Woo. Daarbij wijst de rechtbank op artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woo, waarin is bepaald dat de wet van toepassing is op bestuursorganen. De gemeenteraad is zo’n bestuursorgaan. De reikwijdte strekt echter niet zo ver dat ook documenten die berusten bij individuele gemeenteraadsleden en hun fracties onder de Woo vallen. Dit wordt benadrukt op pagina 46 van de geconsolideerde artikelsgewijze toelichting bij de Woo van 22 oktober 2021,waarin een toelichting is gegeven op de bedoelde reikwijdte van de Woo. Dat documenten die bij gemeenteraadsleden berusten niet onder de Woo vallen, is herhaald in de toelichting bij artikel 5.4a van de Woo, dat gaat over de ondersteuning van Kamerleden, statenleden en raadsleden. Op pagina 104 van de geconsolideerde artikelsgewijze toelichting bij de Woo staat vermeld:“Voor wat betreft de informatie die berust bij individuele leden van vertegenwoordigende organen of bij verbanden van leden (fracties) is de toepassing van dit artikel niet nodig, aangezien de individuele leden en fracties niet onder de reikwijdte van de Woo vallen. In dat verband wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2.2.”
- Eiser heeft vervolgens twee e-mailberichten van fractievoorzitters overgelegd, gericht aan het Jachthuis. Op de zitting heeft hij toegelicht dat dit reacties zijn op eerder door het Jachthuis aan die fractievoorzitters verstuurde e-mailberichten. Eiser heeft deze reacties ontvangen van het Jachthuis. In de e-mailberichten van de fractievoorzitters is een groot aantal mensen in de -cc opgenomen, waaronder de toenmalige raadsgriffier. De enkele omstandigheid dat als gevolg daarvan deze e-mailberichten ook in de mailbox van de raadsgriffier terecht zijn gekomen, maakt niet dat deze documenten nu berusten bij de gemeenteraad als bestuursorgaan en alsnog via de Woo opvraagbaar zijn. Uit de geconsolideerde artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.4a van de Woo kan worden opgemaakt dat, als raadsleden met de ondersteuning mailen, deze berichten geacht worden te berusten bij het gemeenteraadslid en niet bij het orgaan gemeenteraad.Wat is het gevolg van het voorgaande?
- Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit niet deugt, omdat de raad onvoldoende zorgvuldig naar de gevraagde documenten heeft gezocht. Deze beroepsgrond slaagt niet. De vraag of de raad wel of niet zorgvuldig heeft gezocht naar de gevraagde documenten, is voor de beoordeling van dit Woo-verzoek en gelet op de reikwijdte daarvan namelijk niet relevant. Elk document dat de raad zou vinden, valt naar zijn aard buiten de reikwijdte van de Woo en kan niet openbaar gemaakt worden op grond van deze wet. De beroepsgrond slaagt dus niet.
- De raad heeft zich in het bestreden besluit ook op het standpunt gesteld dat de zoekslag niet relevant is. Dat standpunt is op zichzelf dus juist, maar de daarbij gegeven motivering is dat niet. Volgens de raad hoefde hij geen zoekslag uit te voeren, omdat als er al documenten gevonden zouden worden, deze op grond van artikel 5.4a, eerste lid, van de Woo geweigerd zouden moeten worden. Het zou volgens de raad gaan om documenten betreffende de ondersteuning van individuele leden door de griffier. Deze motivering is niet juist. Artikel 5.4a, eerste lid, van de Woo kan alleen van toepassing zijn op documenten die onder de reikwijdte van de Woo vallen. Omdat daarvan in dit geval geen sprake is, is artikel 5.4a, eerste lid, van de Woo dus ook niet van toepassing en biedt dit geen grondslag om de zoekslag niet uit te voeren.
- De rechtbank ziet aanleiding dit motiveringsgebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser door dit gebrek namelijk niet benadeeld. Hierbij betrekt de rechtbank dat ook met de juiste motivering de conclusie hetzelfde blijft, namelijk dat de raad geen zoekslag hoefde uit te voeren naar de gevraagde documenten en dat uit de aard van de gevraagd documenten volgt dat deze niet openbaar gemaakt hoeven te worden op grond van de Woo.
- Op de zitting is besproken dat de raad bereid is om de e-mailbox van de voormalige raadsgriffier nog open te breken, om daarin een zoekslag uit te voeren. De raad heeft de rechtbank na de zitting geïnformeerd over de inspanningen die in dat kader verricht zijn. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om het onderzoek hiervoor te heropenen, omdat – zoals hiervoor is toegelicht – de eventueel in de e-mailbox aan te treffen stukken niet raken aan het verzoek zoals geformuleerd. Het is aan de raad – buiten deze zaak om – om te beoordelen in hoeverre hij bereid is deze stukken met eiser te delen. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de raad geen documenten openbaar hoefde te maken naar aanleiding van het eerste deel van het Woo-verzoek van eiser.
- Omdat de motivering van het bestreden besluit niet juist is, moet de raad het griffierecht aan eiser vergoeden. Ook krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De raad moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank:- verklaart het beroep ongegrond; - bepaalt dat de raad het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt de raad tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 april
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Doorlopende tekst van de Wet open overheid en de geconsolideerde artikelsgewijze toelichting daarbij, als bijlage bij Kamerstukken I, 2021-2022, 33 328, nr. AB. Zie p. 105