RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Lelystad Parketnummer: 16.011532.24 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 11 juni 2025 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1975] te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] te [woonplaats] , hierna: verdachte. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 mei
(2)jaren vast; - als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; - als voorwaarden gelden dat verdachte: * zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; * ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; * medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen; - stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd: * op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , zolang het Openbaar Ministerie dit noodzakelijk acht. De politie houdt toezicht op dit verbod; * zich binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd bij de reclassering meldt op het Zwarte Woud 2 te Utrecht. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; * zich onder behandeling zal stellen van De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. - waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden, met uitzondering van het contactverbod, en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; - veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 uren; - beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 90 dagen hechtenis; Benadeelde partij [slachtoffer 1] – feit 1 wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 1.920,- aan immateriële schade; veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2023 tot de dag van volledige betaling; veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 1.920,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2023 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 29 dagen gijzeling; bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed; Benadeelde partij [slachtoffer 2] – feit 2 verklaart [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en verdachte, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt; Benadeelde partij [slachtoffer 3] – feit 3 wijst de vordering van [slachtoffer 3] toe tot een bedrag van € 720,- aan immateriële schade; veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer 3] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2021 tot de dag van volledige betaling; veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat € 720,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2021 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 14 dagen gijzeling; - bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed. Dit vonnis is gewezen door mr. N. van Esch, voorzitter, mrs. I.L. Gerrits en S.C. Hagedoorn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. O.S. Salet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 juni
- De voorzitter en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage: de tenlastelegging Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat: feit 1 hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks 12 maart 2022 tot en met 31 augustus 2023 te Kortenhoef, gemeente Wijdemeren en/of te Voorthuizen, althans in Nederland zijn kind, [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door - op 12 maart 2022 het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer 1] tegen de kledingkast te klappen/duwen en/of (in) het nekvel van die [slachtoffer 1] te grijpen en/of die [slachtoffer 1] op de grond te duwen/drukken/zetten en/of - op 7 maart 2023 meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan/stompen en/of - op 4 april 2023 die [slachtoffer 1] te slaan/stompen en/of - op 13 juni 2023 de keel/hals van die [slachtoffer 1] te grijpen en/of (vervolgens) hard in de keel/hals te knijpen en/of (vervolgens) het hoofd van die [slachtoffer 1] (met kracht) tegen de muur en/of de deur te klappen/duwen en/of - op 10 augustus 2023 die [slachtoffer 1] te grijpen en/of te stompen en/of (vervolgens) op de grond te gooien en/of (vervolgens) tegen de rug, althans het lichaam van die [slachtoffer 1] te schoppen/trappen en/of - op 31 augustus 2023 op die [slachtoffer 1] te gaan zitten en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal (met gebalde vuist) op/tegen het gezicht/hoofd van die [slachtoffer 1] te slaan/stompen; ( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 304 lid 1 ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht ) feit 2 hij op of omstreeks 23 september 2023 te Kortenhoef, gemeente Wijdemeren, althans in Nederland zijn kind, [slachtoffer 2] , heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal tegen de schouder althans het lichaam van die [slachtoffer 2] te slaan/stompen en/of te duwen en/of tegen de billen, althans het lichaam van die [slachtoffer 2] te schoppen/trappen; ( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 304 lid 1 ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht ) feit 3 hij op of omstreeks 5 augustus 2021 te Voorthuizen, althans in Nederland zijn echtgenote, [slachtoffer 3] , heeft mishandeld door tegen het (boven)been van die [slachtoffer 3] te trappen/schoppen. ( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht ) Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 27 februari 2024, genummerd PL0900-2023297883 en MD1R023053, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 6 en 001 tot en met
- Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Een proces-verbaal van de terechtzitting van 28 mei
- Een proces-verbaal van de terechtzitting van 28 mei
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Hoge Raad 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3118.