RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/165101-24 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 18 juni 2025 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1984] in [geboorteplaats] , adres: [adres] , [postcode] in [woonplaats] , hierna: de verdachte. 1ZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 21 mei 2025. Het onderzoek is op 18 juni 2025 gesloten. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A.L. Rinsma en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. J.J.J.L. Maalsté, advocaat in Utrecht, naar voren hebben gebracht. De rechtbank heeft ook kennisgenomen van wat mr. R.A. Korver namens de benadeelde partij, [slachtoffer] , naar voren heeft gebracht. Namens [slachtoffer] heeft mr. R.A. Korver gebruik gemaakt van het spreekrecht. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er in het kort op neer dat de verdachte: Feit 1 Primair Op 29 maart 2024 in [plaats 1] , samen met anderen, heeft geprobeerd om [slachtoffer] te vermoorden door hem meermalen met een mes in zijn rug, schouder, borstkas en/of arm te steken en tegen zijn hoofd te schoppen; Subsidiair is dit tenlastegelegd als medeplichtigheid aan moord door de mededaders met een auto naar de omgeving van de plaats delict te brengen en daar op te wachten; Meer subsidiair is dit tenlastegelegd als het medeplegen van poging tot gekwalificeerde doodslag (waarbij de poging doodslag was bedoeld om een diefstal met geweld gemakkelijk te maken); Meer subsidiair is dit tenlastegelegd als medeplichtigheid aan het medeplegen van poging tot gekwalificeerde doodslag; Meer subsidiair is dit tenlastegelegd als het medeplegen van zware mishandeling; Meest subsidiair is dit tenlastegelegd als medeplichtigheid aan het medeplegen van zware mishandeling; Feit 2 Primair Op 29 maart 2024 in [plaats 1] , samen met anderen, met geweld tassen, een horloge (Rolex), 11.250 euro, een paspoort, een spijkerbroek met riem en een Rabobank reader van [slachtoffer] heeft gestolen; Subsidiair is dit tenlastegelegd als medeplichtigheid aan diefstal met geweld; Feit 3 Op 22 oktober 2024 in [plaats 2] een gaspistool en drie scherpe knalpatronen voorhanden heeft gehad; Feit 4 Op 22 oktober 2024 in [plaats 2] een boksbeugel en een nepwapen voorhanden heeft gehad; Feit 5 Op 22 oktober 2024 in [plaats 2] 382 gram hasjiesj aanwezig heeft gehad; Feit 6 Op 22 oktober 2024 in [plaats 2] een radiozendapparaat (‘jammer’) aanwezig heeft gehad, terwijl hij daarvoor geen vergunning had. 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. Dat betekent dat er geen formele belemmeringen zijn om een inhoudelijk oordeel over de zaak te geven. 4HET BEWIJS 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder feit 3 tot en met feit 6 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. De officier van justitie heeft daarbij ten aanzien van feit 5 opgemerkt dat sprake is van het aanwezig hebben van 38,2 gram hasjiesj, in plaats van de tenlastegelegde 382 gram. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde. Ten aanzien van de feiten 3 tot en met 6 heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met de opmerking dat onder feit 5 sprake is van 38,2 gram hasjiesj, zoals ook door de officier van justitie is aangevoerd. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Vrijspraak feit 1 en feit 2 De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan. De rechtbank spreekt de verdachte hiervan vrij en overweegt daartoe als volgt. Uit het dossier en wat besproken is op de zitting volgt dat de verdachte op 28 maart 2024 de twee medeverdachten van en naar de plaats delict heeft vervoerd en op 29 maart 2024 tenminste een van hen daar weer naartoe heeft gebracht. Van enige verdere betrokkenheid van de verdachte bij de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten is niet gebleken. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat hij wist dat deze feiten zouden worden gepleegd. Hij ontkent dat zelf en ook de medeverdachte geeft aan dat de verdachte van niets wist. De enkele vaststelling dat hij er rekening mee gehouden moet hebben dat een misdrijf gepleegd kon worden, bijvoorbeeld omdat hij wist van het criminele verleden van de medeverdachte, is onvoldoende om te komen tot een bewezenverklaring voor de ten laste gelegde feiten. Bewijsmiddelen feit 3 tot en met feit 6 Deze feiten zijn door de verdachte begaan. De verdachte heeft de feiten bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor deze feiten bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen: de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 21 mei 2025; een proces-verbaal van het aantreffen van de ten laste gelegde goederen in de woning van de verdachte, doorgenummerde pagina 103 e.v.; een proces-verbaal van categorisering van het gaspistool en de munitie, pagina 1433 e.v.; een proces-verbaal van categorisering van de boksbeugel en het nagebootst gasdrukwapen, pagina 1033 e.v.; een proces-verbaal van bevindingen van de aangetroffen drugs, pagina 1039 e.v.; een geschrift, namelijk een rapport van technisch onderzoek, pagina 1045 e.v. De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten. 5DE BEWEZENVERKLARING De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte: Feit 3 op 22 oktober 2024 te [plaats 2] , - een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool van het merk Zoraki, model 917, kaliber 9mm P.A.K., zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en - munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten drie scherpe knalpatronen, merk Umarex, van het kaliber 9mm P.A.K., voorhanden heeft gehad; Feit 4 op 22 oktober 2024 te [plaats 2] - een wapen van categorie 1, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel, en - een wapen van categorie 1, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en dat zodanig op een wapen geleek dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een nagebootst gasdrukwapen van het merk Umarex voorhanden heeft gehad; Feit 5 op 22 oktober 2024 te [plaats 2] opzettelijk aanwezig heeft gehad 38,2 gram hasjiesj, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II; Feit 6 op 22 oktober 2024 te [plaats 2] opzettelijk een radiozendapparaat geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig heeft gehad, terwijl hem voor het gebruik van frequentieruimte geen vergunning was verleend. Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op: Feit 3 handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie; Feit 4 handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie; Feit 5 opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod; Feit 6 overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.15 van de Telecommunicatiewet, opzettelijk begaan. 7STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar. 8OPLEGGING VAN STRAF 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 108 dagen, met aftrek van het voorarrest. 8.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een gevangenisstraf van één maand en een geldboete van € 1.500,- passend is. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals op de zitting is gebleken. De aard en ernst van het feit De verdachte heeft wapens en munitie voorhanden gehad, namelijk een gaspistool met patronen, een nepwapen en een boksbeugel. Hij heeft daarmee een onaanvaardbaar risico genomen voor de veiligheid van personen. Het ongecontroleerde bezit en het gebruik van deze wapens brengen gevoelens van onveiligheid in de samenleving met zich mee. Daarnaast heeft de verdachte hasjiesj en een zogenaamde ‘jammer’ aanwezig gehad. De drugs zijn een gevaar voor de gezondheid van de gebruikers daarvan en het gebruik hiervan gaat veelal gepaard met verschillende vormen van criminaliteit, overlast en illegale geldstromen. De jammer was bestemd om frequenties te verstoren. Dat verstoren kan tot gevaarlijke situaties leiden. Ook is algemeen bekend dat dergelijke jammers vaak gebruikt worden bij criminele activiteiten. De rechtbank rekent de verdachte deze feiten aan. De persoon van de verdachte Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van de verdachte van 7 april 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte meer dan vijf jaar geleden is veroordeeld voor overtreding van de Wet wapens en munitie. De rechtbank weegt dit niet in het voordeel of nadeel van de verdachte mee. De oplegging van de straf De rechtbank neemt bij het bepalen van de straf de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt. De rechtbank acht de daar genoemde hoogte van de straffen in deze zaak passend. Op het voorhanden hebben van een gaspistool staat volgens de LOVS-oriëntatiepunten een gevangenisstraf van één maand. Op het hebben van knalpatronen, een boksbeugel, een nepwapen en hasjiesj staan volgens de LOVS-oriëntatiepunten geldboetes. Voor overtreding van artikel 10.15 van de Telecommunicatiewet bestaat geen oriëntatiepunt, maar de rechtbank vindt de door de raadsman genoemde boete van 300 euro passend. De rechtbank rekent de geldboetes om naar een gevangenisstraf, omdat de verdachte in voorarrest heeft gezeten. Daarvoor gebruikt de rechtbank de maatstaf dat 50 euro geldboete staat voor 1 dag gevangenisstraf. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 58 dagen, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is. Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden wijkt de rechtbank bij de straftoemeting af van de eis van de officier van justitie. 9BENADEELDE PARTIJEN 9.1 Benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 157.298,-. Dit bedrag bestaat uit € 107.298,- materiële schade en € 50.000,- immateriële schade, ten gevolge van de aan de verdachte onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde feiten. Daarnaast vordert hij proceskosten voor een bedrag van € 17.203,-. De raadsman en de officier van justitie hebben verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleitte vrijspraak voor deze feiten. De rechtbank verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering, omdat de verdachte van de onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde feiten zal worden vrijgesproken. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, zullen de kosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt. 9.2 Benadeelde partij [A] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 19.500,-. Dit bedrag bestaat uit materiële schade, ten gevolge van het aan de verdachte onder feit 2 ten laste gelegde feit. De raadsman en de officier van justitie hebben verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleitte vrijspraak voor dit feit. De rechtbank verklaart de benadeelde partij [A] niet-ontvankelijk in de vordering, nu de verdachte van het onder feit 2 ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, zullen de kosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt. 10TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN De beslissing berust op de artikelen 57 van het Wetboek van Strafrecht; 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie; 3 en 11 van de Opiumwet; 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten; 10.15 van de Telecommunicatiewet; zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 11BESLISSING De rechtbank: Vrijspraak feit 1 en feit 2 - verklaart het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij; Bewezenverklaring - verklaart het onder feit 3, feit 4, feit 5 en feit 6 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld; - verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij; Strafbaarheid - verklaart het onder feit 3, feit 4, feit 5 en feit 6 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; - verklaart de verdachte strafbaar; Oplegging straf - veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 58 dagen; - bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; Benadeelde partij [slachtoffer] (feit 1 en feit 2) verklaart [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en de verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt; Benadeelde partij [A] (feit 2) verklaart [A] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en de verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. N.P.J. Janssens, voorzitter, mr. S. Ourahma en mr. S.E. van den Brink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Caruso, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 juni 2025. Mr. S. Ourahma is buiten staat dit vonnis te ondertekenen. Bijlage: de tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 29 maart 2024 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.