RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht kantonrechter locatie Almere zaaknummer: 11361098 EL EXPL 24-25 D/954 Vonnis van 21 mei 2025 inzake 1 [eiser sub 1] , 2. [eiseres sub 2], beiden wonende te [woonplaats] , verder ook te noemen respectievelijk [eiser sub 1] , [eiseres sub 2] en gezamenlijk [eiser sub 1] c.s. (mannelijk enkelvoud), eisende partij in conventie in de hoofdzaak, verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en het incident, gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces), tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DEXIA NEDERLAND B.V., gevestigd te Amsterdam, verder ook te noemen Dexia, gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak, eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident, gemachtigde: USG Legal Professionals. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 9 oktober 2024; de incidentele vordering ex artikel 843a. tevens houdende conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie; de conclusie van antwoord in het incident tevens houdende conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie; de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties. 1.2. Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen. 2. De feiten 2.1. [eiser sub 1] c.s. heeft de volgende leaseovereenkomste (verder: de overeenkomsten) ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia: Nr. Contractnr. Datum Naam overeenkomst I. [contractnummer 1] 14-12-2000 Capital Effect II. [contractnummer 2] 14-12-2000 Capital Effect 2.2. Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat: Nr. Datum eindafrekening Resultaat Betaald I. 14-03-2007 - € 1.961,47 Ja II. 14-03-2007 - € 1.507,61 Ja 2.3. Volgens opgave van Dexia heeft [eiser sub 1] c.s. op grond van de overeenkomsten– al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 10.272,49 aan maandtermijnen en een bedrag van € 3.469,08 wegens restschuld aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [eiser sub 1] c.s. € 1.090,13 aan dividenden ontvangen en € 547,94 aan fiscaal voordeel genoten. Dexia heeft op 9 februari 2012 in totaal € 2.875,83 op grond van het Hof-model voldaan, alsmede € 9.796,00, inclusief rente, op 11 december 2024. Deze laatste betaling is volgens de opgave van Dexia onverschuldigd gedaan. 2.4. De gemachtigde van [eiser sub 1] c.s., Leaseproces, heeft bij brief van 4 mei 2006 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren. 3De vordering en het verweer in de hoofdzaak en in het incident 3.1. [eiser sub 1] c.s. vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: - in de hoofdzaak: voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser sub 1] c.s. en/of toerekenbaar is tekort geschoten, voor recht zal verklaren dat [eiser sub 1] c.s. schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden, Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [eiser sub 1] c.s. van al datgene dat [eiser sub 1] c.s. aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomsten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eiser sub 1] c.s., met rente, Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente. 3.2. Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, alsmede een incidentele vordering, waarbij Dexia vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: - in het incident: [eiser sub 1] c.s. ex artikel 843a Rv zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier waar de door Leaseproces namens [eiser sub 1] c.s. in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend, - in de hoofdzaak: voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [eiser sub 1] c.s. overeenkosmten aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [eiser sub 1] c.s. verschuldigd is, [eiser sub 1] c.s. zal veroordelen in de proceskosten. 3.3. Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan. 4. Beoordeling van de vorderingen in de hoofdzaak en in het incident algemeen 4.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [eiser sub 1] c.s.. 4.2. De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend.Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen. 4.3. Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies: er is sprake van huurkoop; er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck; Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld; [eiser sub 1] c.s. heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld; er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia. verjaring 4.4. Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [eiser sub 1] c.s. inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen. tussenpersoon 4.5. [eiser sub 1] c.s. heeft de overeenkomste met Dexia afgesloten via de tussenpersoon Spaar & Krediet Experts (verder: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd. 4.6. De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [eiser sub 1] c.s. heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [eiser sub 1] c.s., anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [eiser sub 1] c.s. als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [eiser sub 1] c.s. gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [eiser sub 1] c.s. in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomsten en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard. 4.7. [eiser sub 1] c.s. stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende: [eiser sub 1] c.s. werd door een financieel adviseur van Spaar & Krediet Experts in een autogarage benaderd toen hij op zoek was naar een betaalbare tweedehands auto. [eiser sub 1] c.s. gaf aan dat zijn bezoek aan de garage puur om te oriënteren was, omdat hij eerst nog goed moest sparen om een auto te kunnen bekostigen. De betreffende adviseur van Spaar & Krediet Experts was ook werkzaam in de autogarage en stelde voor om een afspraak te maken voor een huisbezoek om de financiële situatie van [eiser sub 1] c.s. door te nemen. [eiser sub 1] c.s. heeft hiermee ingestemd en de afspraak voor een huisbezoek is gemaakt. Tijdens het eerste gesprek heeft de adviseur van Spaar & Krediet Experts geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [eiser sub 1] c.s.. Zo is met de adviseur gesproken over het inkomen, het werk, de woning en de gezinssituatie van [eiser sub 1] c.s. Daarnaast is met de adviseur gesproken over de wens van [eiser sub 1] c.s. om vermogen op te bouwen voor de toekomst om daarmee onder andere zijn pensioen aan te vullen. Het salaris van [eiser sub 1] c.s. was namelijk op dat moment niet heel hoog, dus hij voorzag problemen om rond te komen tegen de tijd dat hij zijn pensioengerechtigde leeftijd zou bereiken. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat hij hier een geschikt product voor wist. De adviseur adviseerde [eiser sub 1] c.s. om twee Capital Effect producten van Bank Labouchere af te sluiten met een totale maandelijkse inleg van ongeveer NLG 350,00. Eén van deze overeenkomsten zou voor [eiser sub 1] zijn en de ander voor [eiseres sub 2] . Volgens de adviseur zou [eiser sub 1] c.s. op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor [eiser sub 1] c.s. zijn pensioen kon aanvullen. De adviseur heeft zijn verhaal ondersteund aan de hand van rekenvoorbeelden. [eiser sub 1] c.s. had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft [eiser sub 1] c.s. het advies van de adviseur opgevolgd. De aanvraag voor de twee Capital Effect producten is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomsten zijn op een later moment ondertekend. 4.8. [eiser sub 1] c.s. heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:- twee kopieen van aanvraagformulieren op naam van [eiser sub 1] c.s., waarop bij ATP-nummer [nummer] is ingevuld, - een kopie van de overeenkomst van 14 december 2000 met contractnummer [contractnummer 1] , voorzien van de tekst: Adviseur: ATP [nummer] -Spaar & Krediet Experts, - een kopie van de overeenkomst van 14 december 2000 met contractnummer [contractnummer 2] , voorzien van de tekst: Adviseur: ATP [nummer] -Spaar & Krediet Experts, - een kopie van een uittreksel van de KvK van 9 september 2024 met betrekking tot De Spaar & Krediet Experts met als beschrijving van de werkzaamheden ‘het bemiddelen en adviseren terzake van verzekeringen, hypothecaire en andere financieringen’. 4.9. Met deze feitelijke uiteenzetting en stukken heeft [eiser sub 1] c.s. voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dexia heeft de door [eiser sub 1] c.s. geschetste gang van zaken slechts in algemene termen betwist. Dexia had echter meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds geen sprake is geweest van advisering. Zo had Dexia moeten uiteenzetten op welke wijze de overeenkomsten in haar visie tot stand waren gekomen. Dexia heeft weliswaar erop gewezen dat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [eiser sub 1] c.s. en de adviseur van de tussenpersoon, maar dat kan Dexia niet baten. Voor zover Dexia daardoor in bewijsnood is, komt dat voor haar rekening en risico. Niet alleen had zij zoals hiervoor is overwogen eerder bewijs kunnen verzamelen maar daarbij komt dat Dexia destijds ervan heeft afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten en gebruik heeft gemaakt van deze tussenpersoon voor de afzet van haar producten. Dit terwijl het voor haar als aan toezicht onderworpen effecteninstelling verboden was om van die tussenpersoon cliënten aan te nemen aan wie adviezen waren verstrekt. Het had op haar weg gelegen om daarop controle uit te oefenen en ervoor te zorgen dat zij wel over concrete informatie beschikte over de totstandkoming van een contract en de daarbij betrokken (medewerker van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.