← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:3080

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/3382 uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 juni 2025 in de zaak tussen [verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster (gemachtigde: mr. S. Karkache), en CAK, verweerder (gemachtigde: mr. J.M. Nijman). Inleiding

  1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 1.
  2. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. 1.
  3. Met het bestreden besluit van 7 maart 2025 heeft het CAK aan verzoekster een boete opgelegd ter hoogte van € 528,-. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
  5. Verzoekster heeft ter onderbouwing dat er spoedeisend belang is een dwangbevel overgelegd dat ziet op de opgelegde boete en een brief van een deurwaarder dat de boete niet is voldaan zodat het bedrag nu is verhoogd naar € 624,81 overgelegd.
  6. Bij brief van 5 juni 2025 heeft de griffier verzoekster verzocht om een nadere onderbouwing van de financiële situatie van verzoekster, waarbij is verzocht om in ieder geval kopieën van bankafschriften, kopieën van aanmaningen indien sprake is van schulden en eventuele stukken met betrekking tot huisuitzetting over te leggen. Verzoekster heeft op deze brief niet binnen de gestelde termijn gereageerd, zodat niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van een onomkeerbare situatie. Verder blijkt uit de brief van het CAK van 16 juni 2025 dat het door verzoekster aan de rechtbank overgelegde bezwaarschrift bij het CAK niet bekend is en dus ook niet in behandeling is genomen. Het CAK heeft bovendien besloten om het bestreden besluit in te trekken. De conclusie is daarom dat er geen spoedeisend belang is. Conclusie en gevolgen
  7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.S. Lodder , griffier. Uitgesproken in het openbaar op 25 juni
  8. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.