RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: UTR 24/5409 en UTR 24/5872 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2025 in de zaak tussen 1a [eiser 1] , (gemachtigde: mr. drs. J.M. Lammers), [eiser 2],(gemachtigde: mr. J. Maas), allen uit [woonplaats], eisers, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woerden (het college), verweerder (gemachtigde: N. El Khattouti). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghouder], de vergunninghouder. Inleiding
- Vergunninghouder woont aan de [adres 1] in [woonplaats]. Het college heeft met het besluit van 3 oktober 2023 een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een uitrit ter plaatse van zijn woning (het eerste primaire besluit). De vergunninghouder heeft de aanvraag daarna gewijzigd door een vervangende tekening en foto in te dienen. Eisers wonen aan weerszijden van de woning van vergunninghouder, respectievelijk op nummer [adres 2] en op nummer [adres 3], en hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
- Op 8 maart 2024 heeft het college het besluit van 3 oktober 2023 vervangen met inachtneming van het aangepaste ontwerp (het tweede primaire besluit). Met de beslissing op bezwaar van 29 juli 2024 heeft het college het bezwaar van eisers tegen het eerste primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat eisers geen belang meer hebben bij de beoordeling van de gronden tegen dit besluit. Het bezwaar ten aanzien van het besluit van 8 maart 2024 is gegrond verklaard, waarbij het college het besluit nader heeft aangevuld met een motivering ten aanzien van het parkeren. De omgevingsvergunning is in stand gebleven.
- Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Door eiser [eiser 1] is ook een verzoek om voorlopige voorziening ingediend, wel verzoek is afgewezen. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
- De rechtbank heeft de beroepen op 9 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigden van eisers en vergunninghouder. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door de heer [A]. Beoordelingskader Het overgangsrecht
- Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum de aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet. Het juridisch toetsingskader
- Het realiseren van een uitweg valt binnen het volgende juridische toetsingskader. Uit artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo volgt dat voor deze activiteit een omgevingsvergunning is vereist. Op grond van artikel 2.18 van de Wabo kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening. Met ‘de betrokken verordening’ wordt in dit geval bedoeld: de Algemene plaatselijke verordening [woonplaats] 2023 (de APV).
- Op grond van artikel 1:8, eerste lid, van de APV kan de vergunning of ontheffing door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; e bescherming van het milieu.
- Op grond van artikel 2:12, eerste lid, van de APV is het verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt, in afwijking van het bepaalde in artikel 1:8, de vergunning slechts geweigerd: ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg niet ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.
- Het toetsingskader uit artikel 2:12 van de APV is limitatief en imperatief van aard. Dat betekent dat het college de omgevingsvergunning alleen toetst aan de in de APV opgesomde weigeringsgronden, en móet weigeren als één van de weigeringsgronden zich voordoet. Als geen van de weigeringsgronden zich voordoet, móet het college de omgevingsvergunning verlenen. Het college heeft geen ruimte voor het maken van een belangenafweging.
- Het voorgaande betekent dat de rechtbank beoordeelt of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen weigeringsgrond aan de orde is, zodat de omgevingsvergunning moest worden verleend. Beoordeling door de rechtbank Het verlies van een openbare parkeerplaats zonder noodzaak
- Eisers stellen dat de weigeringsgrond van artikel 2:12, tweede lid, onder b, van de APV van toepassing is omdat de uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats. Met het verlies van deze parkeerplaats kunnen minder auto’s parkeren, wat gezien de parkeerdruk in de straat niet wenselijk is. Eisers wijzen in dat kader op een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Er wordt volgens eisers in dit geval wel degelijk geparkeerd aan beide zijden van de straat en volgens eisers is het college hiervan op de hoogte. Ter onderbouwing hiervan hebben eisers foto’s overgelegd. Bovendien, zo hebben eisers op de zitting toegelicht, wordt ook regelmatig aan beide zijden op de stoep geparkeerd door buurtbewoners.
- Het college stelt zich op het standpunt dat de vergunde uitrit niet ten koste gaat van een openbare parkeerplaats. Volgens het college wordt in de [straat] in de praktijk geparkeerd aan de zijde van de oneven huisnummers. Dat het feitelijk is toegestaan om aan beide zijden van de straat te parkeren, doet hier volgens het college niet aan af. De straat is namelijk te smal om aan beide zijden tegelijk te parkeren. Het parkeren aan zowel de oneven zijde als de overzijde ziet het college niet als een realistische optie, nu hiermee de situatie wordt gecreëerd dat overige bestuurders tussen de geparkeerde voertuigen dienen te slalommen. De meest efficiënte optie is de optie waarin alle voertuigen aan één zijde van de straat parkeren. Nu de zijde waar in de praktijk geparkeerd wordt niet de zijde betreft waar de uitritvergunning is aangevraagd, ziet het college geen reden om de vergunning te weigeren. Met de verleende uitritvergunning blijft het mogelijk voor een voertuig om aan de overzijde van de uitrit te parkeren. Hiermee wijzigt de parkeercapaciteit van de straat niet en gaat er volgens het college geen openbare parkeerplaats verloren.
- De rechtbank volgt het college in zijn standpunt dat de vergunde uitrit niet ten koste gaat van een openbare parkeerplaats. De rechtbank stelt vast dat het standpunt van het college dat niet tegelijkertijd aan twee kanten kan worden geparkeerd niet is bestreden door eisers. Door eisers is aangevoerd dat er op de stoep kan worden geparkeerd. De rechtbank overweegt dat het in die situatie om foutief parkeren zou gaan. Dat er in strijd met de geldende regels wel op de stoep geparkeerd kan worden is geen situatie waar het college rekening mee hoeft te houden bij de beoordeling of er een openbare parkeerplaats verloren gaat. De stoep is namelijk geen openbare parkeerplaats. Uit wat door partijen is aangevoerd concludeert de rechtbank dat in de praktijk aan één kant van de straat, de oneven kant, wordt geparkeerd. Dit leidt tot de conclusie dat aan de even kant geen openbare parkeerplaats verloren gaat. Deze weigeringsgrond is dus niet aan de orde. De beroepsgrond slaagt niet. De verkeersveiligheid
- Eisers stellen dat de weigeringsgrond van artikel 2:12, tweede lid, onder a, van de APV van toepassing is omdat de verkeersveiligheid in het gedrang komt. De verkeersveiligheid is bovendien niet goed onderzocht en niet goed gemotiveerd door het college, aldus eisers.
- Het college heeft de verkeersveiligheid onderzocht door een draaicurve berekening te laten maken en door een verkeerskundige van de gemeente te laten beoordelen of door het gebruik van de uitweg sprake is van gevaar op de weg. Omdat dat niet het geval is heeft het college geen reden gezien de aanvraag te weigeren. De maatvoering
- Eisers voeren aan dat de maatvoering op de tekening van het college niet klopt dan wel niet goed is aangegeven. Zo is de verlaagde stoeprand te breed getekend en kloppen ook de afmetingen van de parkeerplek zelf niet. Eisers hebben op de zitting nog toegelicht dat volgens hen de situatie niet juist is geschetst waardoor de verkeersveiligheid niet goed kan zijn onderzocht.
- De rechtbank overweegt ten aanzien van de stoeprand dat de tekening niet bedoeld is om aan te geven dat het er precies op deze manier uit komt te zien maar alleen om de draaicurve duidelijk te maken. Dat de verlaagde stoeprand te breed is getekend is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet relevant. Ten aanzien van de afmetingen van de parkeerplek zelf overweegt de rechtbank dat de afmetingen voldoende duidelijk blijken uit de tekeningen die bij de aanvraag zaten. Daaruit valt op te maken dat sprake is van voldoende ruimte. Op die tekeningen is ook de stoep en de erker ingetekend. De rechtbank neemt ook in aanmerking dat bij de gehanteerde maatvoering van 6 x 3 niet relevant is of sprake is van haaks of langsparkeren. De maatvoering van 6 x 3 wordt kennelijk door het college gehanteerd omdat die afmeting ook wordt gebruikt in de parkeernota, die is afgeleid uit cijfers van het CROW. Echter daarbij wordt niet verwezen naar de CROW-normen en wordt in de parkeernota geen onderscheid gemaakt tussen haaks- en langsparkeren. Het gaat hier bovendien niet om een omgevingsvergunning voor het aanleggen van een parkeerplaats, maar enkel om een omgevingsvergunning voor het maken van een uitweg. De draaicirkel
- Eisers stellen zich op het standpunt dat de draaicirkel die door het college als uitgangspunt is gehanteerd onjuist is. Eisers hebben namelijk een rapport laten opstellen door [bedrijf] Verkeersadvies ([bedrijf]) waaruit blijkt dat de draaicirkel niet gemaakt kan worden. Nu het college ten onrechte en op basis van onjuiste gegevens concludeert dat de beoogde draaicirkel mogelijk is, is de verkeersveiligheid onvoldoende onderzocht en meegewogen in de beoordeling.
- De rechtbank overweegt dat het college een tekening heeft overgelegd met daarop een draaicirkel, welke is gemaakt met behulp van het programma Autoturn. Eisers bestrijden niet dat dit een geschikt programma betreft voor het onderzoeken van de draaicirkel. Bovendien is dit programma ook gebruikt door de door hen aangedragen deskundige van [bedrijf]. Hoewel eisers hebben betwist dat de draaicurve zoals door het college aangegeven klopt, heeft de rechtbank geen aanleiding om hier aan te twijfelen nu deze één op één volgt uit het gebruikte digitale programma. Er bestaat ook geen aanleiding om te denken dat daar door het college handmatig of anderszins iets in is aangepast of gewijzigd. Ook het rapport van [bedrijf] geeft geen aanleiding om hier aan te twijfelen. De draaicirkel die daarin wordt getoond is namelijk uitgegaan van een ander uitgangspunt met een andere startpositie. Dat maakt dat de twee verschillende draaicirkels niet met elkaar vergeleken kunnen worden. Dat de draaicurve uit het rapport van [bedrijf] laat zien dat met een andere uitgangspositie de draai niet gemaakt kan worden maakt niet dat kan worden vastgesteld dat het vanuit de uitgangspositie waar het college vanuit is gegaan niet mogelijk is.
- In het door eisers overgelegde contra-expertise rapport van [bedrijf] wordt gesteld dat door de krappe ruimte meerdere keren gemanoeuvreerd moet worden waardoor het algemeen gebruik van de weg en de doelmatigheid daarvan in gevaar kan komen. Nu doelmatigheid van de weg niet de toets is die voorligt ziet de rechtbank geen aanleiding om hier gevolgen aan te verbinden. Ook concludeert het rapport van [bedrijf] dat er sprake zal zijn van verkeersveiligheidsrisico’s vanwege dode hoek situaties bij het achteruit inparkeren. Deze stelling is echter niet nader onderbouwd. Een voertuig van 6 meter
- Eiser stelt dat onderzocht had moeten worden of vergunninghouder met een voertuig van 6 meter de draai zou kunnen maken. Omdat het college enkel de optie van een gemiddeld voertuig heeft onderzocht, is de verkeersveiligheid onvoldoende onderzocht.
- De rechtbank acht de vraag of een voertuig van 6 meter de draai kan maken niet relevant nu de toets is of een gemiddeld voertuig er kan parkeren. In het kader van verkeersveiligheid dient namelijk berekend te worden of op een normale manier geparkeerd kan worden door een gemiddeld voertuig. De rechtbank ziet geen aanleiding om een hypothetisch voertuig van 6 meter bij de beoordeling te betrekken.
- De conclusie is dat de rechtbank geen aanleiding heeft om te twijfelen aan de beoordeling van de verkeersveiligheid door het college. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen
- Gelet op het voorgaande heeft het college de omgevingsvergunning terecht verleend. Het beroep van eisers is daarom ongegrond. Er is dan ook geen aanleiding voor vergoeding van de proceskosten van eisers. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van mr.T. Mennen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 mei
- De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen. rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 9 oktober 2024 (ECLI:NL:RBMNE:2024:5883). Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juli 2021: ECLI:NL:RVS:2021:1685.