RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrechtzaaknummer: UTR 24/6162 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2025 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug (het college), verweerder (gemachtigde: mr. W. van der Wel) Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de omgevingsvergunning die het college heeft verleend voor het realiseren van een ecoduct over de N226 ter hoogte van [plaats], gelegen op het kadastraal perceel [perceel] te [plaats].
- Eiser heeft op 24 april 2024, namens hemzelf en een aantal omwonenden, bezwaar ingediend tegen het besluit van 19 maart 2024 tot het verlenen van de omgevingsvergunning. Dit bezwaar is in de beslissing op bezwaar van 20 augustus 2024 (het bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Daar is op door eiser nog op gereageerd in zijn nadere stuk van 24 februari
- De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2025 op zitting behandeld. Eiser is in persoon verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mevrouw [A].
- Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. Beslissing
- De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen
- De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
- Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 20 augustus
- Daarin is het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat hij volgens het college geen belanghebbende is de verlening van de omgevingsvergunning voor de realisatie van het ecoduct.
- Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college op terechte gronden het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. De redenen daarvoor zijn als volgt.
- Om in bezwaar ontvankelijk te zijn is onder andere vereist dat eiser als belanghebbende in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden aangemerkt. Bij de beoordeling van de belanghebbendheid is de rechtbank gebonden aan de omvang van het schil zoals dat voorligt. Die omvang van het geschil wordt in een geval als dit bepaald door hetgeen specifiek is aangevraagd en de vergunning die daarvoor is verleend. Dat is namelijk waar het bestreden besluit over gaat, waar eiser in deze procedure tegen opkomt.
- Bij de beoordeling van de belanghebbendheid geldt verder als uitgangspunt of diegene rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van de activiteiten waarop het besluit ziet. Het begrip belanghebbendheid is door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State nader geconcretiseerd met het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’. Daarmee wordt een zekere begrenzing beoogd. Bij de beoordeling of er gevolgen zijn van enige betekenis wordt onder meer gekeken naar de factoren afstand, zicht, planologische uitstraling en milieugevolgen. Bovendien moet het gaan om een persoonlijk belang waarbij iemand zich in voldoende mate kan onderscheiden van grote aantallen anderen.
- Door eiser is aangevoerd dat hij met name directe gevolgen zal ondervinden van de wildrasters die worden geplaatst bij het realiseren van het ecoduct. Echter, de wildrasters zijn geen onderdeel van de vergunning en vallen daarmee buiten de omvang van het geschil waar deze procedure op ziet. Voor zover eiser van mening is dat de wildrasters ten onrechte zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning, kan eiser bij het college een verzoek tot handhaving indienen. De discussie over de wildasters kan dan worden gevoerd in een eventuele procedure naar aanleiding van dat handhavingsverzoek. De vraag of eiser ruimtelijke gevolgen zal ondervinden van de te plaatsen wildrasters is echter juridisch niet van belang in het kader van de onderhavige procedure, omdat het hier (alleen) gaat over vraag of eiser als belanghebbende valt aan te merken bij het besluit omtrent de vergunningverlening voor het realiseren van het ecoduct. De wildrasters zijn daar als gezegd geen onderdeel van, en de ruimtelijk gevolgen daarvan kan de rechtbank in het kader van deze procedure dus niet bij haar beoordeling betrekken. Hetzelfde geldt voor de betonnen overkluizing waar eiser in zijn beroepschrift op wijst. Ook die vormt geen onderdeel van de activiteiten waar de aangevochten omgevingsvergunning op ziet.
- Eiser heeft verder gesteld dat er sprake is van een aantal andere ruimtelijke gevolgen die van het ecoduct zullen uitgaan. Daarbij wijst eiser onder andere op de nadelige effecten die het ecoduct heeft op de verkeersveiligheid langs de N226 en de mogelijke overlast van jongeren in de tunnel onder het ecoduct. Ook om die redenen moet hij worden aangemerkt als belanghebbende bij de verleende vergunning voor het realiseren van het ecoduct, zo stelt eiser.
- De rechtbank volgt eiser daarin niet. Voor wat betreft de gestelde mogelijkheid van personen in de tunnel onder het ecoduct, is onwaarschijnlijk dat eiser daar directe ruimtelijke gevolgen van zal ondervinden. Eiser heeft vanuit zijn woning namelijk geen direct zicht op het ecoduct, dat ook op geruime afstand (meer dan 2 kilometer) van zijn woning ligt. Voor wat betreft het punt van de verkeersveiligheid is de rechtbank van oordeel dat eiser niet een voldoende persoonlijk belang heeft waarin hij zich onderscheid van grote aantallen anderen, te weten andere personen die langs de N226 wonen en gebruikers van de N
- Ook voor het overige is niet gebleken dat eiser ruimtelijke gevolgen zal ondervinden van de realisatie van het ecoduct waar de verleende omgevingsvergunning op ziet, gelet op de afstand tot het ecoduct en het feit dat eiser geen zicht op het ecoduct heeft.
- Het voorgaande betekent dat het beroep van eiser ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Ook krijgt eiser het betaalde griffierecht niet terug.
- Op de zitting is gewezen op de mogelijkheid om tegen deze uitspraak in hoger beroep te gaan op de manier zoals onderaan dit proces-verbaal staat omschreven. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Mennen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 maart
- griffier rechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 1:2 van de Awb. Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 augustus 2022: ECLI:NL:RVS:2022:2475.