RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 23/1464 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren (het college), verweerder(gemachtigden: mr. M.P.K. Ahsmann & mr. L.J. Moes). Als derde-partij neemt aan het geding deel: [derde belanghebbende] , uit [plaats] (de vergunninghouder) (gemachtigden: mr. Y.N.G. Otten & mr. J.R. Dobbelsteijn Bisschops). Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de verleende omgevingsvergunning aan de vergunninghouder voor het vervangen van een steiger op het perceel aan de [adres 1] in [plaats] (het adres). Geschiedenis en totstandkoming van het besluit De vergunninghouder heeft op 12 april 2021 een aanvraag ingediend voor het vervangen van een steiger op het adres. Het college heeft de vergunning verleend met het primaire besluit van 21 juni 2021. Eiser woont aan de [adres 2] in [plaats] . Hij heeft bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning. Met het besluit van 31 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard onder aanvulling van de motivering en de omgevingsvergunning in stand gelaten. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De vergunninghouder heeft zienswijzen ingediend. Het college heeft een verweerschrift en aanvullend verweerschrift ingediend. Eiser heeft aanvullende gronden ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 13 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigden van het college en de gemachtigden van de vergunninghouder. Beoordeling door de rechtbank Heeft eiser procesbelang? Het college heeft aangevoerd dat eiser geen belang (meer) heeft bij deze procedure. Als namelijk in deze procedure de verleende vergunning wordt vernietigd, herleeft de omgevingsvergunning die in 2011 is verleend. De vergunninghouder blijft hierdoor rechten op de steiger houden. Volgens het college ziet de vergunning uit 2011 namelijk op de gehele vingersteiger, het deel voor de knik en het deel na de knik. De rechtbank stelt vast dat is gebleken dat de aanvraag van de omgevingsvergunning in deze zaak ziet op het eerste stuk van de vingersteiger, het gedeelte tot aan de knik. Volgens het college zag de aanvraag in 2011 op zowel het eerste als het tweede gedeelte, maar de rechtbank volgt het college hierin niet. In de aanvraag staat dat de aanvraag ziet op het verlengen van de steiger. De rechtbank overweegt dat dit dus gaat om het tweede gedeelte, het stuk na de knik. Aangezien het college deze aanvraag heeft toegewezen, is in 2011 een omgevingsvergunning verleend voor het verlengen van de steiger, dus het tweede gedeelte, het stuk na de knik. In onderhavige procedure gaat het om het vervangen van de steiger voor wat betreft het eerste stuk, het stuk tot aan de knik. De rechtbank volgt daarom het college niet in het standpunt dat de vergunninghouder bij het herleven van de vergunning uit 2011 nog dezelfde rechten behoudt. De rechtbank oordeelt dan ook dat eiser procesbelang heeft. De goede procesorde. Eiser heeft binnen 10 dagen voorafgaand aan de zitting aanvullende gronden ingediend. Het gaat in dit geval om een reactie op het aanvullend verweerschrift dat het college 13 dagen voorafgaand aan de zitting heeft ingediend. De rechtbank heeft de reactie van eiser toegelaten, omdat eiser het aanvullend verweerschrift laat heeft ontvangen. Waar gaat deze zaak over? De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat de aanvraag ziet op het vervangen van het eerste gedeelte van de vingersteiger, het stuk tot aan de knik. Voor het vervangen van dit stuk heeft het college aan de vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend. De rechtbank beoordeelt of het college dit terecht heeft gedaan. Volgens de rechtbank is dit het geval. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De rechtbank zal dit doen aan de hand van wat eiser in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden.Aan welke regels moet de rechtbank het besluit toetsen? Bij haar beoordeling stelt de rechtbank voorop dat op 1 januari 2024 de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingetrokken en de Omgevingswet in werking is getreden. Omdat de aanvraag om de omgevingsvergunning vóór die datum is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet. Op grond van artikel van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit (
- a)het bouwen van een bouwwerk en (
- c)het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. Op basis van artikel 2.10 van de Wabo kan een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen worden verleend als wordt voldaan aan het Bouwbesluit, de gemeentelijke bouwverordening, het bestemmingsplan en de redelijke eisen van welstand. Als een aanvraag zowel betrekking heeft op de activiteit bouwen als de activiteit strijdig gebruik van een bestemmingsplan dan wordt de aanvraag van rechtswege aangemerkt als een aanvraag voor beide activiteiten. Het bevoegd gezag moet dan in één keer een beslissing nemen over beide activiteiten. Op basis van artikel 2.12, eerste lid, onder a van de Wabo kan de omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik van een bestemmingsplan slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien sprake is van een:- binnenplanse afwijking (onder 1˚);- een (kruimel)geval in de zin van artikel 4 van bijlage II Bor (onder 2˚);- grote buitenplanse afwijking, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat (onder 3˚). Het college heeft met het verlenen van de omgevingsvergunning toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 1 º, van de Wabo. Hierbij komt aan het college beleidsruimte toe. Dat betekent in dit geval dat het college de keuze heeft om zijn bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan al dan niet te gebruiken. De bestuursrechter toetst of het college in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen de gevraagde omgevingsvergunning al dan niet te verlenen.Wat is de grondslag van het besluit? Het college heeft aan de vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend zodat de vergunninghouder een deel van de vingersteiger op het adres kan vervangen. De vergunninghouder heeft voor het vervangen van de steiger een vergunning nodig, omdat hij zal bouwen en de grond in strijd met het bestemmingsplan zal gebruiken. Op het perceel is het bestemmingsplan ‘Loosrecht Landelijk gebied noordoost -2012’ (het bestemmingsplan) van toepassing. Volgens dit bestemmingsplan rust op de grond: - de enkelbestemming natuur met de gebiedsaanduiding ‘wetgevingszone – natura 2000’;- de enkelbestemming ‘Wonen-1’;Op grond van artikel 14.2 respectievelijk artikel 22.2 mogen op deze gronden gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met uitzondering van steigers, golfbrekers, oeverbeschoeiingen en botenhuizen. Op grond van artikel 14.3.1 onder b en d respectievelijk artikel 22.3.4 onder b en d van het bestemmingsplan kan het college een omgevingsvergunning voor een steiger verlenen als de steiger:- een maximale lengte van 15 meter heeft (b);- een maximale breedte van 1,2 meter heeft (d);Ook geldt als voorwaarde (onder
- e)dat per in het plan als zodanig bestemde woning, recreatiewoning of woonschip, grenzend aan of waarvan het perceel grenst aan deze bestemming, maximaal 1 steiger, golfbreker en/of oeverbeschoeiing mag worden gebouwd. Het bouwplan voorziet in het vervangen van de steiger, waarbij de vingersteiger 14,96 meter lang wordt en 1,2 meter breed (i.p.v. 2 meter breed zoals eerder het geval is). Het college heeft de aanvraag daarom vergund met toepassing van de binnenplanse afwijking (op grond van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 1° van de Wabo). Beoordeling van de beroepsgronden van eiser Ingetrokken beroepsgrond Op de zitting heeft eiser zijn beroepsgrond over het ontbreken van toestemming van het Waterschap ingetrokken.. De rechtbank zal deze beroepsgrond daarom niet meer bespreken in haar uitspraak.Primaire beroepsgrond: de vergunning had geweigerd moeten worden Volgens eiser had het college de aanvraag voor de omgevingsvergunning moeten weigeren, omdat al een terrassteiger aanwezig is op het perceel van de vergunninghouder en er volgens het bestemmingsplan maar één steiger mag zijn. De rechtbank stelt vast dat de terrassteiger niet vergund is en dat hiertegen een handhavingsprocedure loopt. De rechtbank kan het college volgen in het standpunt dat bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning alleen rekening wordt gehouden met legaal aanwezige steigers. De beroepsgrond slaagt niet. Subsidiaire beroepsgrond: de vergunning had onder voorwaarden verleend moeten worden Volgens eiser had het college subsidiair een voorwaarde in de omgevingsvergunning moeten opnemen. De omgevingsvergunning had alleen verleend mogen worden onder de voorwaarde dat overige aanwezige steiger(
- s)(de terrassteiger) geamoveerd moeten worden. Het college heeft dit namelijk ook gedaan toen eiser zelf in 2017 een aanvraag voor een omgevingsvergunning indiende voor het vervangen van zijn steiger. Volgens het college loopt er tegen de terrassteiger een handhavingsprocedure en moet dit gescheiden blijven van deze procedure over het vervangen van de vingersteiger. Het college verwijst bovendien naar de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 mei 2024 waaruit volgt dat het niet mogelijk is om het slopen als voorwaarde te verbinden aan het verlenen van een vergunning. 23. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo aan een omgevingsvergunning voorschriften verbonden kunnen worden, die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.10 tot en met 2.20 van de Wabo. De rechtbank overweegt dat de terrassteiger en de vingersteiger aparte steigers zijn. Tegen de terrassteiger loopt een handhavingsprocedure, omdat hier geen omgevingsvergunning voor is aangevraagd en dus ook geen vergunning voor is verleend. Als sprake is van een illegaal bouwwerk, kan het college verzocht worden om handhavend op te treden. Handhaving tegen het ene bouwwerk moet gescheiden blijven van het verlenen van een vergunning voor een ander bouwwerk. Handhaving van de ene steiger dient niet bewerkstelligd te worden middels het opnemen van voorwaarden in de omgevingsvergunning voor de andere steiger. De rechtbank oordeelt dan ook dat het college terecht deze voorwaarde niet heeft opgenomen in de verleende omgevingsvergunning. De vergelijking die eiser maakt met zijn eigen omgevingsvergunning in 2017 gaat niet op, omdat bij eiser geen sprake was van een illegale steiger. Bovendien ging het bij eiser om het verwijderen van de steiger op de ene plek en het bouwen van een steiger op een andere plek. En in dit geval gaat het om het vervangen van een steiger op dezelfde plek. De situatie is daarom niet vergelijkbaar. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 23. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college terecht aan de vergunninghouder een omgevingsvergunning heeft verleend voor het vervangen van het eerste gedeelte van de vingersteiger, het stuk tot aan de knik. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. R. van Manen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. ECLI:NL:RBZWB:2024:2975.