RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/2599 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2025 in de zaak tussen [verzoeksters] , uit [plaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. F. Boukich), en Dienst Toeslagen, verweerder (gemachtigde: mr. [gemachtigde] ). Inleiding Deze uitspraak gaat over het beroep dat verzoekster heeft ingesteld op 17 april 2025, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. Verweerder heeft op 30 april 2025 alsnog een besluit genomen op de aanvraag van verzoekster. Verzoekster heeft het beroep daarna ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten. Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek. Overwegingen
- De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
- Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
- Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoekster. Verweerder heeft wel op 27 april 2025 een verweerschrift naar aanleiding van het beroep niet tijdig beslissen ingediend, waarin verweerder aangeeft dat verzoekster in aanmerking komt voor een proceskostenvergoeding.
- De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5).
- Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50 aan proceskosten. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 juli
- De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Artikel 8:75a in combinatie met artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht. Conform de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1796.