RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Familierecht locatie Utrecht zaaknummer: C/16/570064 / FA RK 24-322 C/16/578791 / FA RK 24-1369 Echtscheiding Beschikking van 21 juli 2025 in de zaak van: [de vrouw] , verblijvende op een geheim adres, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. J.J. van Ewijk, tegen [de man] , wonende in [plaats 1] , hierna te noemen: de man, advocaat mr. A. Hashem Jawaheri. 1De procedure 1.1. De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen: het verzoekschrift van de vrouw (met bijlagen), binnengekomen op 06 februari 2024; het verweerschrift van de man (met bijlagen); het F9 formulier van 30 mei 2024 van de vrouw met bijlagen; het F9 formulier van 10 juli 2024 van de vrouw met bijlagen; het F9 formulier van 24 juli 2024 van de vrouw met bijlage; het F9 formulier van 2 juni 2025 van de man met bijlagen; het F9 formulier van 4 juni 2025 van de vrouw met bijlagen; het F9 formulier van 12 juni 2025 van de vrouw met bijlage. 1.2. De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 27 juni 2025. Daarbij waren aanwezig: de vrouw met haar advocaat en tolk de heer K. Parsi en de man met zijn advocaat en tolk de heer S.M. Razaghi. 2Waar de procedure over gaat 2.1. Partijen zijn op [2018] met elkaar getrouwd in [plaats 2] , Iran. 2.2. De man en de vrouw hebben beiden de Iraanse nationaliteit. 2.3. De vrouw verzoekt de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. De man legt zich neer bij het oordeel van de rechtbank over de echtscheiding. 2.4. Daarnaast verzoekt de vrouw de rechtbank om: te bepalen dat de man huurder zal zijn van de woning aan de [straat] in [plaats 1] ; te bepalen dat de man binnen twee weken na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking aan de vrouw voldoet op grond van de huwelijksakte 300 Bahar Azadi gouden munten of een bedrag dat overeenkomt met de waarde daarvan; te bepalen dat de man binnen twee weken na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking de opbrengst van de privégoederen van € 50.000,- aan de vrouw voldoet. 2.5. De man vindt dat de verzoeken van de vrouw over de gouden munten en de opbrengst van de privégoederen moeten worden afgewezen. 3De beoordeling De beslissing 3.1. De rechtbank zal de echtscheiding tussen partijen uitspreken en bepalen dat de man huurder is van de woning aan de [straat] [nummeraanduiding 1] - [nummeraanduiding 2] ( [postcode] ) in [plaats 1] . De overige verzoeken worden afgewezen. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissingen neemt. De echtscheiding De bevoegdheid van de rechtbank en het recht dat van toepassing is 3.2. Nu de man en de vrouw hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, is de Nederlandse rechter bevoegd met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding. De rechtbank zal op grond van artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen. Inhoudelijke beoordeling 3.3. De rechtbank zal de echtscheiding tussen partijen uitspreken omdat aan de wettelijke vereisten is voldaan. Partijen zijn het er namelijk over eens dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat zij niet samen verder kunnen als echtgenoten. De woning (huurrecht) De bevoegdheid van de rechtbank en het recht dat van toepassing is 3.4. Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter bevoegd ten aanzien van het verzoek met betrekking tot het huurrecht van de echtelijke woning en wordt dit verzoek volgens Nederlands internationaal privaatrecht door Nederlands recht beheerst. Inhoudelijke beoordeling 3.5. De rechtbank bepaalt dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking huurder zal zijn van de woning. Partijen zijn het er namelijk over eens dat de man de huurovereenkomst voortzet. Vermogensrechtelijke afwikkeling De bevoegdheid van de rechtbank en het recht dat van toepassing is 3.6. De rechtbank is bevoegd te beslissen op de verzoeken van partijen en het Iraanse recht is op die verzoeken van toepassing. De rechtbank legt dat hieronder uit. 3.7. Nu de Nederlandse rechter bevoegd is met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, is zij ook bevoegd ten aanzien van de verzoeken over de vermogensrechtelijke afwikkeling (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels). 3.8. Het beantwoorden van de vraag welk recht van toepassing is, gebeurt aan de hand van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (hierna: HHV), omdat partijen getrouwd zijn na 1 september 1992 en voor 29 januari 2019. De rechtbank laat in het midden of de in Iran opgemaakte huwelijksakte zo kan worden gelezen dat er sprake is van een rechtskeuze voor Iraans recht als bedoeld in artikel 3 HHV, want het Iraanse recht is hoe dan ook van toepassing. Dan wel op grond van artikel 4 HHV omdat de eerste gewone gemeenschappelijke verblijfplaats van partijen in Iran was. Dan wel op grond van artikel 4 lid 2 sub b HHV, omdat partijen de Iraanse nationaliteit gemeenschappelijk hadden ten tijde van huwelijkssluiting, Iran niet is aangesloten bij het verdrag en een land is waarbij volgens zijn internationaal privaatrecht zijn interne recht van toepassing is. Inhoudelijke beoordeling 3.9. Uitgangspunt in het Iraanse huwelijksvermogensrecht is de algehele scheiding van goederen. 3.10. De vrouw verzoekt de rechtbank te bepalen dat de man de verkoopopbrengst/waarde van haar privé goederen aan haar voldoet. Zij stelt recht te hebben op de helft van de verkoopopbrengst van de gezamenlijke woning (€ 15.000,-), de verkoopopbrengst van haar goud en auto en de waarde van haar bankrekening (€ 20.000,-), in totaal € 35.000,-. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de man, heeft de vrouw haar stelling dat zij aanspraak maakt op deze bedragen onvoldoende onderbouwd. Niet is onderbouwd welke privé goederen de vrouw in eigendom had en wat de waarde dan wel verkoopopbrengst daarvan was. De man heeft erkend dat partijen een gezamenlijke woning hadden in Iran en dat de verkoopopbrengst van de woning circa € 25.000,- à € 30.000,- bedroeg, zodat hooguit vaststaat dat de vrouw aanspraak kan maken op een bedrag van € 15.000,-. Tussen partijen staat niet ter discussie dat het geld niet meer aanwezig is, omdat partijen hiervan hebben geleefd toen zijn naar Nederland kwamen. De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat het privé geld van de vrouw alleen maar ten goede is gekomen aan de man door betaling van zijn studiekosten. De vrouw heeft dit gelet op de betwisting van de man niet onderbouwd. Er zijn door de vrouw geen enkele stukken in het geding gebracht ter onderbouwing van haar standpunt. De man stelt dat partijen van het geld hebben geleefd toen zijn naar Nederland kwamen, omdat zij toen beiden nog geen baan hadden. Indien het geld aan beide partijen ten goede is gekomen, heeft de vrouw op die manier haar aandeel in de verkoopopbrengst al gehad en ziet de rechtbank niet in dat zij nu nog recht zou hebben op een vergoeding van de man. Het lag op de weg van de vrouw om aan te tonen dat dit anders zit. Dat heeft zij niet gedaan. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom afwijzen. De 300 Bahar Azadi gouden munten (bruidsgave) De bevoegdheid van de rechtbank en het recht dat van toepassing is 3.11. Nu de Nederlandse rechter bevoegd is met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, is zij ook bevoegd ten aanzien van de daarmee verband houdende nevenvoorzieningen (artikel 4 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). 3.12. Om te bepalen welk recht op de bruidsgave van toepassing is volgens het Nederlands internationaal privaatrecht dient deze eerst te worden gekwalificeerd. Daarvoor is het volgende van belang. De bruidsgave is een rechtsfiguur in het islamitische recht. De belangrijkste kenmerken van de bruidsgave zijn dat het uitsluitend aan de vrouw toekomt, dat zij hierover vrijelijk kan beschikken en dat het vermogenswaarde heeft of geldelijk voordeel oplevert. Vaak wordt de bruidsgave uitgedrukt in gouden munten om de vrouw te beschermen tegen waardeverlies. De bruidsgave dient als een vorm van enige bestaanszekerheid voor de vrouw in gevallen van ontbinding van het huwelijk, waarbij bedacht moet worden dat in de islamitische rechtsstelsels in beginsel geen huwelijksgoederengemeenschap ontstaat en geen (of een zeer beperkte) onderhoudsverplichtingen tussen ex-echtgenoten bestaan. Desalniettemin wordt de bruidsgave in het algemeen niet aangemerkt als alimentatieovereenkomst omdat deze niet wordt afgesproken met het oog op een naderende echtscheiding. Hoewel de betekenis van de bruidsgave kan verschillen binnen de verschillende stromingen van de islam, is de bruidsgave in alle stromingen verplicht bij het aangaan van een huwelijk. In Iran, een Islamitisch land, is het niet mogelijk een huwelijk te sluiten zonder dat een huwelijksakte wordt opgemaakt waarin een bruidsgave is opgenomen. De omvang van een dergelijke bruidsgave is ter vrije keuze van de echtelieden en kan bijvoorbeeld ook bestaan uit enkel een koran. De rechtbank gaat er echter van uit dat partijen destijds een bruidsgave overeen zijn gekomen van 300 Bahar Azadi gouden munten. Deze bruidsgave is opgenomen in de door de vrouw ingebrachte huwelijksakte. 3.13. Het Nederlandse rechtssysteem kent de bruidsgave niet. De bruidsgave wordt binnen Nederland gekwalificeerd als een rechtsfiguur sui generis. Hieruit volgt dat de bruidsgave niet in een van de bestaande IPR-verwijzingscategorieën, bijvoorbeeld alimentatie of huwelijksvermogensrecht, valt. Omdat de bruidsgave in Iran een voorwaarde is voor de geldigheid van het huwelijk gaat de rechtbank ervan uit dat op de bruidsgave het recht van toepassing is volgens welke het huwelijk is gesloten. In dit geval is dat Iraans recht. Litispendentie 3.14. De man heeft verzocht de procedure voor de Nederlandse rechtbank aan te houden in afwachting van de procedure die in Iran loopt omtrent de bruidsgave. Hij beroept zich op artikel 12 Rv. 3.15. Bij de beoordeling van het beroep op litispendentie als bedoeld in artikel 12 Rv dient de rechter, indien hij aanhouding op grond van deze bepaling overweegt, in de eerste plaats te onderzoeken of – op het moment van deze beoordeling – is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van deze bepaling, dus of (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.