RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/231381-20 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 22 juli 2025 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] (Turkije), wonende aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] , hierna: verdachte. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 juni 2025 (inhoudelijke behandeling) en 22 juli 2025 (sluiting) De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. L.A. Lepoutre en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. J. de Haan, advocaat te Zwolle, naar voren hebben gebracht. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Primair: in de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2017 in Utrecht en/of Amsterdam samen met anderen de Sociale Verzekeringsbank en/of het zorgkantoor heeft opgelicht voor een bedrag van € 187.160,- althans € 82.480,- althans enig geldbedrag met betrekking tot verantwoorde zorg voor budgethouder [budgethouder] , door middel van het indienen of laten indienen van valse facturen en/of werkbrieven; Subsidiair: in de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2017 in Utrecht en/of Amsterdam medeplichtig is geweest aan het primair ten laste gelegde door aan [zorgorganisatie] B.V. (hierna: [zorgorganisatie] ) en anderen persoonsgegevens, medische gegevens en DigiD gegevens en code van budgethouder [budgethouder] te verstrekken. 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4VRIJSPRAAK 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen is. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Inleiding [zorgorganisatie] was in de periode van 2014 tot en met begin april 2018 een Utrechtse zorgorganisatie. [A ] , [B ] en [C ] waren werkzaam voor deze organisatie. [zorgorganisatie] had verschillende cliënten, budgethouders genoemd, die beschikten over een persoonsgebonden budget (hierna: PGB). De dochter van verdachte, [budgethouder] , was een van deze budgethouders. Bij de vonnissen van 28 november 2019 zijn [zorgorganisatie] , [A ] , [B ] en [C ] door deze rechtbank veroordeeld voor fraude met PGB gelden, bestaande uit het medeplegen van valsheid in geschriften, oplichting en witwassen. De valsheid in geschrifte en oplichting bestonden in de kern uit de hierna omschreven handelswijze. Ter verkrijging van gelden uit hoofde van een PGB werden bij het zorgkantoor, de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en de zorgverzekeringsmaatschappijen, zorgovereenkomsten, verantwoordingsformulieren, declaratieformulieren en facturen ingediend. Op deze documenten werd meer zorg vermeld dan door [zorgorganisatie] daadwerkelijk aan de budgethouders werd geleverd. Vervolgens hebben [zorgorganisatie] , [A ] , [B ] en [C ] een deel van de ontvangen PGB-gelden, waar geen geleverde zorg tegenover stond, met de budgethouders gedeeld. De rechtbank heeft bewezenverklaard dat [zorgorganisatie] , [A ] , [B ] en [C ] op deze wijze de SVB, het zorgkantoor en de zorgverzekeringsmaatschappijen hebben opgelicht voor een totaalbedrag van € 4.673.959,-. Dat er PGB-gelden zijn gedeeld met budgethouders (of hun familieleden) blijkt uit lijsten die zijn aangetroffen tijdens een huiszoeking bij [zorgorganisatie] . Op deze lijsten, die door de opsporingsinstanties ‘verdeellijsten’ zijn genoemd, staan namen van budgethouders, bedragen en percentages vermeld. Ook zijn er zogenaamde ‘zwarte kasbestanden’ aangetroffen, waarin contante betalingen aan budgethouders zijn bijgehouden. De naam van de dochter van verdachte, [budgethouder] , komt voor op deze verdeellijsten en zwarte kasbestanden. Vrijspraak van het ten laste gelegde In onderhavige zaak ligt primair de vraag voor of verdachte, in samenwerking met [zorgorganisatie] , [A ] , [B ] en/of [C ] , de verschillende betrokken organisaties (de SVB, het zorgkantoor, zorgverzekeraar Zilveren Kruis en/of de gemeente Utrecht) heeft opgelicht. Subsidiair ligt de vraag voor of verdachte medeplichtig is geweest aan voornoemde oplichting. De rechtbank beantwoordt beide vragen ontkennend en zal verdachte vrijspreken van het primair en het subsidiair ten laste gelegde. Hieronder legt de rechtbank uit waarom. Verdachte heeft bij zijn verhoor bij de inspectie SZW en ter zitting verklaard dat hij het PGB-budget van zijn dochter, budgethouder [budgethouder] , beheerde. Verdachte heeft verklaard dat [zorgorganisatie] gedurende de ten laste gelegde periode zorg heeft verleend aan [budgethouder] . Deze zorg bestond onder meer uit het ’s avonds en ’s nachts, in de woning waar verdachte en [budgethouder] wonen, controleren van de werking van een pomp die voor [budgethouder] van levensbelang is. Verder heeft verdachte ontkend geld van [zorgorganisatie] te hebben ontvangen. De rechtbank stelt vast dat in de administratie van [zorgorganisatie] geen documenten zijn aangetroffen waaruit blijkt dat aan [budgethouder] zorg is geleverd. Daarbij merkt de rechtbank op dat de administratie van [zorgorganisatie] over de jaren 2014-2015 ook zeer beperkt lijkt te zijn geweest. In het dossier bevindt zich wel een opmerkelijk bericht van 4 juli 2014 waarin [A ] aan [B ] aangeeft dat hij 3000 aan [verdachte] zal geven. Dit bericht roept vragen op. Des te meer nu het genoemde bedrag van 3000 een link lijkt te hebben met de verdeellijsten. Uit de verdeellijsten volgt namelijk dat voor [verdachte] een percentage van 0,25 (25%) wordt gehanteerd. Het genoemde bedrag van 3000 komt overeen met 75% van de factuur van 28 mei 2014 ter hoogte van € 4.000,-, en nagenoeg met het bedrag van € 4.005,- dat op [geboortedatum] 2014 namens [budgethouder] op de rekening van [zorgorganisatie] is gestort. Uit het dossier kan de rechtbank echter niet afleiden of verdachte, in het kader van de zorgovereenkomst die [budgethouder] met [zorgorganisatie] had afgesloten, daadwerkelijk financieel is bevoordeeld. De naam van [budgethouder] staat weliswaar vermeld op de digitale verdeellijsten en zwarte kasbestanden, die onderdeel vormden van de oplichting waarvoor [zorgorganisatie] , [A ] , [B ] en [C ] zijn veroordeeld, maar hieruit volgt niet dat ook verdachte bevoordeeld is. In het dossier bevindt zich een vordering tot het verstrekken van historische bankgegevens op naam van verdachte maar de analyse van de naar aanleiding van deze vordering aangeleverde gegevens bevindt zich niet in het dossier. Hoewel het dossier dus vragen oproept, zijn die vragen naar het oordeel van de rechtbank niet van dien van aard dat getwijfeld wordt aan de verklaring van verdachte. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen spreken van het voor oplichting vereiste oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen (voor het primair ten laste gelegde) dan wel opzet daarop (voor het subsidiair ten laste gelegde). De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. 6BESLISSING De rechtbank: Vrijspraak - verklaart het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Terstegge, voorzitter, mr. A.J. Reitsma en mr. A. Maas, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M. van Bemmelen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 juli 2025. mr. A. Maas is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage: de tenlastelegging Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat: hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot enmet 30 juni 2017 te Utrecht en/of Amsterdam, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.