RECHTBANK Midden-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: C/16/580199 / HA ZA 24-435 Vonnis van 23 juli 2025 in de zaak van 1 [eiser sub 1] , 2. [eiser sub 2] , beiden wonende te [woonplaats] , eisende partijen in conventie, verwerende partijen in reconventie, hierna samen te noemen: [eiser sub 2] (enkelvoud), advocaat: mr. K. Dirlik, tegen 1 [gedaagde sub 1] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,2. [gedaagde sub 2] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: [gedaagde sub 2] , gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie, advocaat: mr. A.N. Broekhoven. 1De procedure 1.1. De rechter beschikt over de volgende stukken: - de dagvaarding met producties 1 t/m 30; - de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1 t/m 4; - de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte wijziging van eis met producties 31 t/m 40; - de akte overlegging aanvullende producties 41 en 42 van [eiser sub 2] van 13 maart 2025; - de akte overlegging aanvullende producties 5 t/m 10 van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] van 14 maart 2025. 1.2. De mondelinge behandeling vond plaats op 25 maart 2025. Partijen hebben hun standpunten aan de hand van spreekaantekeningen toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er verder besproken is. De behandeling van de zaak is na de zitting aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen om een schikking te bereiken. Partijen hebben de rechtbank laten weten dat dit niet is gelukt. Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken. 2De kern van de zaak 2.1. [gedaagde sub 2] heeft verbouwingswerkzaamheden uitgevoerd in de woning van [eiser sub 2] . Volgens [eiser sub 2] heeft [gedaagde sub 2] dit niet goed gedaan. [eiser sub 2] heeft de overeenkomst met [gedaagde sub 2] daarom ontbonden en vordert in deze procedure een vergoeding van de schade die zij stelt daardoor te hebben geleden van in totaal € 222.583,63. [gedaagde sub 2] betwist dat zij fouten heeft gemaakt bij de verbouwing. [gedaagde sub 2] heeft tegenvorderingen ingesteld van in totaal € 52.895,45. De rechter wijst de vordering van [eiser sub 2] gedeeltelijk toe tot het bedrag van € 81.771,23 en wijst de tegenvorderingen van [gedaagde sub 2] af. De rechter zal dit oordeel hierna uitleggen. 3De achtergrond van het geschil Wat is er gebeurd? 3.1. [eiser sub 2] heeft in januari 2023 aan [gedaagde sub 1] – handelend onder de naam [handelsnaam] – gevraagd of hij een offerte wilde opstellen voor de verbouwing van hun huis. Daarna heeft een architect ( [archtect] ) in opdracht van [eiser sub 2] een technische omschrijving opgesteld. [eiser sub 2] heeft vervolgens contact opgenomen met [gedaagde sub 1] met het verzoek om de offerte aan te passen aan de hand van deze technische omschrijving. Nadat de offerte meerdere keren op verzoek van [eiser sub 2] door [gedaagde sub 1] is aangepast en verduidelijkt, hebben [eiser sub 2] en [gedaagde sub 1] uiteindelijk op 29 juli 2023 een overeenkomst van aanneming van werk gesloten, waarvan de offerte en de technische omschrijving onderdeel uitmaken. [gedaagde sub 1] heeft op 29 augustus 2023 medegedeeld aan de architect van [eiser sub 2] dat de overeenkomst door [gedaagde sub 2] werd overgenomen. 3.2. In de overeenkomst hebben partijen een aanneemsom van € 142.025,40 (inclusief btw) afgesproken. [eiser sub 2] heeft tot nu toe € 28.405,09 hiervan betaald aan [gedaagde sub 2] . Op grond van de overeenkomst zou [gedaagde sub 1] (en later [gedaagde sub 2] ) onder andere een nieuwe vloer en voorzetwanden in de woning van [eiser sub 2] plaatsen. Op 14 augustus 2023 zijn de werkzaamheden gestart. Volgens [eiser sub 2] verliepen de werkzaamheden niet goed. Daarom vonden er op haar verzoek vanaf 5 september 2023 wekelijks bouwvergaderingen plaats, waarbij [gedaagde sub 2] , [eiser sub 2] en haar architect aanwezig waren. In de bouwvergaderingen van 13 en 19 september 2023 gaf [eiser sub 2] aan dat de vloer en de voorzetwanden niet waren geplaatst zoals afgesproken. Over een mogelijke oplossing worden partijen het niet eens: [eiser sub 2] wilde dat [gedaagde sub 2] overging tot herstel, maar [gedaagde sub 2] wilde pas overgaan tot herstel als [eiser sub 2] eerst haar factuur van 15 september 2023 betaalde. Als gevolg van deze impasse voerde [gedaagde sub 2] vanaf oktober 2023 geen werkzaamheden meer uit in de woning. Hoe is het toen verder gegaan? 3.3. [eiser sub 2] heeft – in overleg met [gedaagde sub 2] – [deskundige 1] als deskundige ingeschakeld om onderzoek te doen naar de door [eiser sub 2] gestelde gebreken. Op verzoek van [eiser sub 2] heeft [deskundige 1] haar onderzoek vroegtijdig stopgezet. Volgens [eiser sub 2] was [deskundige 1] onvoldoende voorbereid op de onderzoeksvragen. [eiser sub 2] heeft vervolgens [deskundige 2] als deskundige ingeschakeld. [gedaagde sub 2] is hierover geïnformeerd door [eiser sub 2] . Gelijktijdig heeft [eiser sub 2] – zonder overleg met [gedaagde sub 2] – ook aan [deskundige 3] gevraagd om een deskundigenrapport op te stellen. Toen [gedaagde sub 2] hier achter kwam, heeft zij [deskundige 4] ingeschakeld om een contra-expertise uit te voeren. De bevindingen van deze deskundigen zijn in de loop van 2024 duidelijk geworden. [eiser sub 2] heeft vervolgens de overeenkomst op 11 juli 2024 ontbonden. Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat de woning van [eiser sub 2] inmiddels is verbouwd door een andere aannemer, namelijk Aannemersbedrijf [aannemer] B.V. 4De beoordeling in conventie [gedaagde sub 2] is de contractspartij en [gedaagde sub 1] niet meer 4.1. [eiser sub 2] heeft in deze procedure zowel [gedaagde sub 2] als [gedaagde sub 1] in privé gedagvaard. [eiser sub 2] vindt dat zij een overeenkomst met [gedaagde sub 1] – die handelde onder de naam [handelsnaam] – heeft gesloten. Toch heeft [eiser sub 2] ook [gedaagde sub 2] gedagvaard, omdat [gedaagde sub 2] volgens haar hoofdelijk aansprakelijk is voor de door haar geleden schade. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betwisten dat [gedaagde sub 1] de contractspartij van [eiser sub 2] is. Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] heeft [gedaagde sub 2] namelijk alle bedrijfsactiviteiten van [handelsnaam] overgenomen, waaronder de overeenkomst die [handelsnaam] met [eiser sub 2] had gesloten. 4.2. Voor een rechtsgeldige overname van een rechtsverhouding (ook wel contractovername genoemd) is op grond van de wet onder andere de medewerking van de wederpartij (in dit geval [eiser sub 2] ) vereist. De rechter is van oordeel dat [eiser sub 2] in dit geval stilzwijgend haar medewerking heeft verleend. [gedaagde sub 2] heeft de contractovername namelijk op 29 augustus 2023 per e-mail aan de architect van [eiser sub 2] medegedeeld. [eiser sub 2] heeft erkend dat zij deze e-mail heeft gezien en zij heeft hiertegen (de overname) niet geprotesteerd. Bovendien heeft [eiser sub 2] ook uitvoering gegeven aan de contractovername door de factuur aan [gedaagde sub 2] te betalen en [gedaagde sub 2] tot de woning toe te laten en te betrekken bij de bouwvergaderingen in september 2023. 4.3. Doordat [eiser sub 2] (stilzwijgend) haar medewerking heeft verleend, is [gedaagde sub 2] de contractspartij van [eiser sub 2] geworden. De vorderingen zullen dan ook worden afgewezen voor zover deze zijn ingesteld tegen [gedaagde sub 1] in privé, omdat [eiser sub 2] geen overeenkomst meer heeft met [gedaagde sub 1] . Daarnaast heeft [eiser sub 2] geen andere grondslag onderbouwd waarom [gedaagde sub 1] naast [gedaagde sub 2] hoofdelijk aansprakelijk is voor de door [eiser sub 2] geleden schade. Volgens [eiser sub 2] had zij met [gedaagde sub 1] afgesproken dat hij een CAR-verzekering zou afsluiten, maar het enkele feit dat [gedaagde sub 2] voor 15 november 2023 geen CAR-verzekering had en [gedaagde sub 1] wel, vormt op zichzelf geen aanleiding om een dergelijke hoofdelijke aansprakelijkheid aan te nemen. Wat hebben partijen met elkaar afgesproken? 4.4. Om vast te kunnen stellen of [gedaagde sub 2] inderdaad tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst zoals [eiser sub 2] stelt, moet eerst worden beoordeeld wat partijen precies met elkaar hebben afgesproken. De overeenkomst zal daarom moeten worden uitgelegd. Het is vaste rechtspraak dat daarvoor niet alleen moet worden gekeken naar de tekst van de overeenkomst. Het is ook belangrijk wat partijen verder nog gezegd en gedaan hebben en wat zij op grond daarvan van elkaar mochten verwachten. Bij de uitleg van de overeenkomst zal de rechter daarom ook letten op de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen. 4.5. In dat kader is het van belang dat partijen uitgebreid met elkaar hebben gesproken over de inhoud van de offerte voordat zij een definitieve overeenkomst met elkaar sloten, waarvan de offerte onderdeel is. Zo werd de offerte opgesteld en herzien aan de hand van de door de architect opgestelde technische omschrijving. [eiser sub 2] heeft ook de informatie van de constructeur in dit traject met [gedaagde sub 2] gedeeld. De definitieve offerte verwijst ook naar de opgave van deze constructeur. Daarnaast is de offerte op verzoek van [eiser sub 2] een aantal keer aangepast. Zo vond [eiser sub 2] het bijvoorbeeld belangrijk dat een aantal meldcodes expliciet in de offerte werden vermeld. Tussen partijen staat dan ook niet ter discussie dat in de offerte gedetailleerd is vastgelegd hoe het werk moest worden uitgevoerd. 4.6. Partijen zijn het er ook over eens dat de offerte op grond van artikel 4.1 van de overeenkomst leidend is voor het antwoord op de vraag of [gedaagde sub 2] voldoet aan de in artikel 9.2 van de overeenkomst genoemde resultaatsverbintenis: “Aannemer is vrij in het indelen van zijn werkzaamheden binnen de context van het werk en de overeengekomen resultaatsverplichting.” Gelet hierop is de vrijheid van [gedaagde sub 2] om op grond van artikel 9.1 van de overeenkomst zelf te bepalen hoe het werk wordt uitgevoerd, zeer beperkt. Bovendien bepaalt artikel 2 van de overeenkomst ook uitdrukkelijk dat de werkzaamheden worden uitgevoerd zoals beschreven in de offerte. Het stond [gedaagde sub 2] daarom niet vrij om naar eigen inzicht en zonder voorafgaand overleg met [eiser sub 2] af te wijken van de met [eiser sub 2] nauwkeurig overeengekomen afspraken. 4.7. Ten aanzien van specifiek de vloer staat het volgende opgenomen in de offerte: “Balk en broodjesvloer begane grond volgens opgave constructeur afgewerkt met fermacell vloer meldcode KA18299”. In de opgave van de constructeur staat vervolgens uitdrukkelijk vermeld dat de “PS-renovatievloer DROOG conform opgave leverancier (VBI)” moet worden gelegd. Ook ten aanzien van de voorzetwanden hebben partijen duidelijke afspraken gemaakt in de offerte: “maken van Geïsoleerde voorzetwanden met 80mm PIR isolatie c.a. 60m2. Meldcode KA18187”. 4.8. Verder is het relevant dat partijen in artikel 6 de volgende betalingsafspraken hebben gemaakt: De betaling van de aanneemsom vindt plaats in de volgende termijnen: - € 14.202,54 uiterlijk op 01 Augustus 2023 (10% bij akkoord) - € 14.202,54 uiterlijk op 10 Augustus 2023 (10% bij start werkzaamheden) - € 106.519,05 Verdeeld over de weken van start tot eind (75% tijdens werkzaamheden) - € 7.101,27 Na oplevering (5% na oplevering) 4.9. Tot slot staat tussen partijen niet ter discussie dat zij met elkaar hebben afgesproken dat het werk in oktober 2023 zou worden opgeleverd (artikel 8.2 van de overeenkomst). De vloer is niet gelegd op de wijze die partijen met elkaar hebben afgesproken 4.10. In de eerste plaats is de vloer niet gelegd volgens de meldcode KA18299, terwijl dit wel de afspraak was. De door [gedaagde sub 2] geplaatste EPS-vulelementen (broodjes) hadden namelijk een isolatiewaarde van 4 en niet de volgens de meldcode vereiste isolatiewaarde 5. Dit wordt niet door [gedaagde sub 2] betwist en bovendien ook bevestigd in alle drie de deskundigenrapporten van [deskundige 3] , [deskundige 2] én [deskundige 4] . 4.11. Daarnaast blijkt ook uit de deskundigenrapporten dat de vloer niet is gemonteerd op de in de verwerkingsinstructies van de leverancier (waar de constructeur naar verwijst) voorgeschreven wijze: [gedaagde sub 2] heeft de gaten die in de muur zijn ontstaan als gevolg van het verwijderen van de houten vloerbalken niet dichtgemetseld, de VBI hoeklijn is niet op alle punten voorzien van een ankerslag en [gedaagde sub 2] heeft geen randisolatiestroken toegepast tussen de muren en de fermacell vloer. 4.12. Tussen partijen bestaat tot slot ook nog discussie of een onderslagbalk onder de vloer aangebracht had moeten worden. Volgens [gedaagde sub 2] was een onderslagbalk niet nodig. Volgens haar had de bestaande pilaar geen functie meer en betrof het aanbrengen van een (nieuwe) onderslagbalk slechts een advies en geen verplichting. De rechter is van oordeel dat [gedaagde sub 2] onvoldoende heeft onderbouwd dat een onderslagbalk geen meerwaarde had. Daarnaast is ook niet gebleken dat [gedaagde sub 2] hierover in overleg is getreden met [eiser sub 2] . Dat had zij wel moeten doen gelet op de inhoud van en wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen. De stelling van [gedaagde sub 2] dat deze opgave van de constructeur en/of de verwerkingsinstructies van de leverancier slechts adviezen betreffen en geen verplichtingen, zodat zij hier naar eigen inzicht en zonder overleg met [eiser sub 2] vanaf kon wijken, gaat gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dan ook niet op. De voorzetwanden voldoen niet aan de afgesproken meldcode 4.13. [gedaagde sub 2] erkent ook dat de voorzetwanden niet voldoen aan de meldcode KA18187, terwijl partijen dit wel uitdrukkelijk zijn overeengekomen. Dat de voorzetwanden voldoen aan de meldcode was voor [eiser sub 2] belangrijk, omdat dit van invloed is op onder andere het energielabel van de woning, het verkrijgen van subsidie door [eiser sub 2] en het type samenstelling van het materiaal. Volgens [gedaagde sub 2] was het juiste materiaal dat wel voldeed aan de meldcode niet beschikbaar en heeft zij daarom een alternatief gebruikt, zonder dit vooraf te overleggen met [eiser sub 2] . Dit geldt ook als een tekortkoming. Niet alleen omdat [eiser sub 2] geen recht heeft op dezelfde subsidie bij het door [gedaagde sub 2] gekozen alternatief, maar ook omdat [eiser sub 2] geen invloed heeft gehad op welk alternatief gekozen zou worden dat naar haar wens was. Hoewel het goed te begrijpen is dat de [gedaagde sub 2] snel aan het werk wil, was in dit geval overleg noodzakelijk en bovendien ook goed mogelijk geweest, mede gelet op de bouwvergaderingen die wekelijks plaatsvonden. [gedaagde sub 2] is in verzuim en [eiser sub 2] niet 4.14. [eiser sub 2] kan de overeenkomst alleen ontbinden en een schadevergoeding van [gedaagde sub 2] vorderen als [gedaagde sub 2] in verzuim is. Als uitgangspunt geldt dat [gedaagde sub 2] pas in verzuim komt als zij een verplichting niet (goed) is nagekomen en haar een herstelkans is geboden om dat alsnog te doen. Op grond van de wet is een dergelijke herstelkans (ook wel een ingebrekestelling genoemd) niet altijd nodig. Dat is bijvoorbeeld het geval als [eiser sub 2] uit een mededeling van [gedaagde sub 2] kon afleiden dat zij in de nakoming van de verbintenis tekort zal schieten (artikel 6:83 sub c BW) of als een door partijen overeengekomen fatale termijn is verstreken (artikel 6:83 sub a BW). Het verzuim treedt in dat geval van rechtswege direct in. 4.15. Gelet op dit wettelijk kader is de rechter van oordeel dat [gedaagde sub 2] in verzuim is en niet [eiser sub 2] . [eiser sub 2] heeft namelijk in de bouwvergaderingen de hiervoor genoemde tekortkomingen aan de zijde van [gedaagde sub 2] opgemerkt. Zo werd in de bouwvergadering van 19 september 2023 door [eiser sub 2] en haar architect benoemd dat de vloer door de tekortkoming opnieuw moest worden gelegd, waarop [gedaagde sub 2] reageerde dat zij de sleutel van de woning in dat geval zou inleveren. Weliswaar is [gedaagde sub 2] nog op deze uitspraak teruggekomen, maar uit de opvolgende brief van 5 oktober 2023 die namens [gedaagde sub 2] aan [eiser sub 2] is verstuurd, blijkt juist weer duidelijk dat [gedaagde sub 2] geen gehoor zou geven aan het verzoek van [eiser sub 2] om over te gaan tot herstel. Uit deze mededeling kon [eiser sub 2] dus afleiden dat [gedaagde sub 2] niet meer tot het herstellen van de vloer en wanden over zou gaan, terwijl dat wel nodig was. Op grond van artikel 6:83 sub c BW is [gedaagde sub 2] daarom vanaf 5 oktober 2023 in verzuim. 4.16. Volgens [gedaagde sub 2] hoefde zij pas over te gaan tot herstel als [eiser sub 2] eerst haar factuur van 15 september 2023 zou betalen. Dat verweer slaagt niet. Dat er een betalingstermijn van 14 dagen op de factuur door [gedaagde sub 2] is opgenomen, betekent namelijk niet automatisch dat deze betalingstermijn kwalificeert als een fatale termijn in de zin van artikel 6:83 sub a BW. Daarvoor is nodig dat die betalingstermijn vooraf duidelijk is overeengekomen tussen partijen. [gedaagde sub 2] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat dit is gebeurd, terwijl [eiser sub 2] dat betwist. Anders dan de in artikel 6 van de overeenkomst genoemde eerste twee betalingstermijnen, is voor de eerste deelbetaling van 25% geen termijn (datum) overeengekomen. Ook is niet gebleken dat [gedaagde sub 2] een ingebrekestelling naar [eiser sub 2] heeft verstuurd vóór 5 oktober 2023, waardoor [eiser sub 2] in verzuim is komen te verkeren. Dat betekent ook dat [gedaagde sub 2] de nakoming van haar herstelverplichting niet heeft mogen opschorten. Tussenconclusie: [eiser sub 2] heeft de overeenkomst rechtsgeldig ontbonden 4.17. Omdat [gedaagde sub 2] op 5 oktober 2023 in verzuim is geraakt, mocht [eiser sub 2] de overeenkomst ontbinden. In dit geval was een volledige ontbinding van de overeenkomst gerechtvaardigd. Uit de rapporten van [deskundige 2] , [deskundige 3] en [deskundige 4] blijkt namelijk dat de door [gedaagde sub 2] uitgevoerde werkzaamheden niet voldeden aan de overeenkomst en ook constructief niet goed waren uitgevoerd. [gedaagde sub 2] had moeten meewerken aan herstel, maar heeft dat ten onrechte geweigerd. De gevorderde verklaring voor recht dat [eiser sub 2] de overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden, zal daarom worden toegewezen. Gevolgen ontbinding 4.18. Doordat de overeenkomst is ontbonden, ontstaan over en weer verbintenissen tot ongedaanmaking van de al door partijen ontvangen prestaties. Dit betekent dat [gedaagde sub 2] de € 28.405,09 die [eiser sub 2] al aan haar heeft betaald weer terug moet betalen aan [eiser sub 2] . [gedaagde sub 2] kan op haar beurt de door haar verrichte werkzaamheden in de woning niet meer ongedaan maken. Als de prestatie niet meer ongedaan kan worden gemaakt, treedt daar een waardevergoeding voor in de plaats, voor zover dat redelijk is. Omdat [gedaagde sub 2] op meerdere punten tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst, zal de vergoeding worden beperkt tot het bedrag van de waarde die de prestatie voor [eiser sub 2] werkelijk heeft gehad. Het gaat daarbij om de subjectieve waarde van deze de prestatie voor [eiser sub 2] . De rechter is van oordeel dat dit niet exact vast te stellen is op basis van het gevoerde partijdebat dat op dit punt zeer uiteenloopt. De rechter zal dan ook, in lijn met artikel 6:97 BW, het bedrag van de waarde schatten. De rechter sluit daarbij aan bij het oordeel van [deskundige 2] dat de waarde van de door [gedaagde sub 2] geleverde prestatie € 6.684,25 bedraagt. Volgens [gedaagde sub 2] bedraagt de waarde van haar werk veel meer, namelijk € 48.000,-, maar dit klopt niet. [gedaagde sub 2] houdt daarbij namelijk ten onrechte geen rekening met de herstelwerkzaamheden die [eiser sub 2] heeft moeten uitvoeren en dat de geleverde prestaties niet in overeenstemming zijn met de gemaakte afspraken. [gedaagde sub 2] heeft bovendien onvoldoende concreet gemaakt op welke punten de door [deskundige 2] vastgestelde herstelwerkzaamheden niet kloppen. Dit betekent dat [eiser sub 2] een waardevergoeding van € 6.684,25 aan [gedaagde sub 2] verschuldigd is. [gedaagde sub 2] moet daarom in ieder geval nog (€ 28.405,09 minus € 6.684,25 =) € 21.720,84 aan [eiser sub 2] betalen na aftrek van de waardevergoeding op grond van de ongedaanmakingsverbintenis die is ontstaan. Aanvullende schadevergoeding 4.19. Daarnaast vordert [eiser sub 2] aanvullende schadevergoeding. Deze aanvullende schadevergoeding bestaat volgens [eiser sub 2] uit zes verschillende posten, welke de rechter hierna afzonderlijk zal beoordelen: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.