← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:3901

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/7532 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2025 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker, (gemachtigde: mr. A. van Os) en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), (gemachtigde W.A. Postma). Overwegingen

  1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
  2. Deze zaak gaat over het besluit van het Uwv van 30 januari 2024 waarmee de mate van arbeidsongeschiktheid van verzoeker per 16 januari 2024 is gewijzigd naar 59,07%. Tegen dit besluit is door verzoeker bezwaar gemaakt. Met de beslissing op bezwaar van 23 oktober 2024 is het bezwaar van verzoeker gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van verzoeker vastgesteld op 61,85%. Tegen deze beslissing op bezwaar heeft verzoeker beroep ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
  3. Op 27 februari 2025 heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op het bezwaar van verzoeker genomen. Het Uwv heeft met deze beslissing alsnog geconcludeerd dat verzoeker per 16 januari 2024 geen benutbare mogelijkheden heeft en acht verzoeker daarom volledig arbeidsongeschikt. Hierop heeft verzoeker zijn beroep ingetrokken met het verzoek het Uwv te veroordelen in de proceskosten die hij heeft gemaakt. Met de brief van 17 maart 2025 heeft het Uwv aangegeven zich te kunnen vinden in een forfaitaire vergoeding van de proceskosten voor het indienen van het beroepschrift. Met betrekking tot de kosten voor het inschakelen van deskundigen merkt het Uwv op dat alleen de kosten van de deskundigen zelf voor vergoeding in aanmerking komen, niet de administratiekosten die ook op de door verzoeker ingediende factuur staan. Kosten voor rechtsbijstand
  4. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Kosten voor deskundigen
  5. Verzoeker heeft een specificatie van de kosten voor deskundigen [A] (verzekeringsarts) en [B] (arbeidsdeskundige) van het [deskundigen bureau] ingediend voor een bedrag van € 3.630,- inclusief btw. Genoemde deskundigen hebben op verzoek van verzoeker op 2 januari 2025 een rapportage opgemaakt in deze procedure.
  6. De rechtbank stelt de te vergoeden kosten van de deskundigen vast aan de hand van artikel 1, aanhef en onder b, en artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het Bpb, gelezen in verband met artikel 8:36, tweede lid, van de Awb, en met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in de Wet tarieven in strafzaken en het Besluit tarieven in strafzaken
  7. Op de overlegde specificatie voor de deskundigen wordt naast de werkzaamheden van de deskundigen ook administratiekosten gedeclareerd. Deze kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
  8. De gemaakte kosten voor werkzaamheden van de deskundigen komen op grond van de eerdergenoemde bepalingen voor vergoeding in aanmerking. In de factuur zijn 18 uren verantwoord, met een uurtarief van € 154,50 per uur. De rechtbank stelt de vergoeding vast op 18 x € 154,50 = € 2.781,-. Inclusief btw is dit € 3.365,
  9. Totaal
  10. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoeker die het Uwv moet betalen vast op € 4.272,01 (€ 907,- + € 3.365,01).
  11. Het Uwv moet ook het door verzoeker betaalde griffierecht van € 51,- vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Beslissing De rechtbank veroordeelt het Uwv tot betaling van € 4.272,01 aan proceskosten. Het Uwv moet dit bedrag betalen aan verzoeker. Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 maart
  12. de griffer rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven. Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG
  13. Artikel 8:41, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.