RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/688 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 mei 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser, (gemachtigde: D. van der Locht) en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap [gemeente], verweerder (gemachtigde: mr. D. Koopmans). Procesverloop 1.1 In de beschikking van 28 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres 1] in [plaats] (de woning) voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op € 697.000,- naar de waardepeildatum 1 januari
- Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van deze woning ook een aanslag onroerendzaakbelasting en watersysteemheffing opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd. 1.2 Eiser is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van 20 november 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning gehandhaafd. 1.3 Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift met een taxatiematrix ingediend. 1.4 De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Overwegingen Feiten
- De woning is een in 1999 gebouwde vrijstaande woning met een aangebouwde garage van 19 m², een tuinhuis/blokhut van 7 m² en een dakkapel. De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 157 m2 en ligt op een kavel van 480 m². Geschil
- In geschil is de WOZ-waarde van de woning op de waardepeildatum 1 januari
- Eiser bepleit in beroep een lagere waarde. De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de vastgestelde waarde van € 697.000,-. Beoordelingskader
- De WOZ-waarde van de woning is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die bij verkoop op de voor die woning meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor die woning zou zijn betaald. De waarde wordt bepaald door middel van de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde van de woning wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden.
- Op de heffingsambtenaar rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de waarde van de woning op de waardepeildatum (1 januari 2022) niet te hoog is vastgesteld. Bij de beoordeling of dit het geval is, zal de rechtbank wat eiser ter betwisting van de vastgestelde waarde heeft aangevoerd, meewegen.
- Om de waarde van de woning te onderbouwen heeft de heffingsambtenaar een taxatiematrix overlegd, waarin de woning wordt vergeleken met drie verkopen in [plaats] , te weten: - [adres 2] , verkocht op 24 april 2021 voor € 1.050.000,-; - [adres 3] , verkocht op 18 juni 2021 voor € 812.222,-; - [adres 4] , verkocht op 20 december 2020 voor € 700.000,-. Beoordeling van het geschil
- De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrix en de toelichting daarop aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de in de taxatiematrix genoemde referentiewoningen goed bruikbaar zijn, omdat de referentiewoningen ook vrijstaande woningen zijn die in dezelfde wijk in [plaats] liggen en niet te ver van de waardepeildatum zijn verkocht. Met de taxatiematrix maakt de heffingsambtenaar aannemelijk dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woning qua onder andere het voorzieningenniveau en het gebruiksoppervlakte, door voor de woningwaarde een waarde onder het gemiddelde van de m²-prijs van de referentiewoningen te hanteren. Met de taxatiematrix heeft de heffingsambtenaar de waardeverhouding tussen de woning en de referentiewoningen inzichtelijk gemaakt.
- Wat eiser in beroep aanvoert, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Beroepsgronden Onvoldoende rekening gehouden met de gedateerde keuken en badkamer
- Eiser voert aan dat de keuken en de badkamer gedateerd zijn. De keuken en de badkamer zijn meer dan 20 jaar oud. Een verouderde keuken en badkamer hebben zichtbare gebreken wat afdoet aan de esthetische waarde. Daarnaast voldoen ze niet meer aan de eisen van deze tijd ten aanzien van energie- of waterbesparing en duurzaamheid. De referentiewoningen hebben geen gedateerde keuken of badkamer. Doordat de heffingsambtenaar hier onvoldoende rekening mee heeft gehouden is de waarde van de woning te hoog vastgesteld. 9.1 De heffingsambtenaar geeft aan dat er in het woningwaarderapport geen foto’s van de woning zijn opgenomen. Desondanks is het voorzieningenniveau gewaardeerd op ‘eenvoudig/verouderd’. Volgens de heffingsambtenaar is daarmee aan deze grond tegemoet gekomen. Daarnaast, voor zover eiser stelt dat er onvoldoende rekening is gehouden met de gedateerde voorzieningen, geeft de heffingsambtenaar aan dat daar in de matrix voldoende ruimte voor is. Immers, de prijzen per m2 van de referentiewoningen liggen (fors) hoger dan die van de woning. De rechtbank kan de heffingsambtenaar hierin volgen. De beroepsgrond slaagt niet. Het duurzaamheidsniveau
- Eiser voert aan dat het duurzaamheidsniveau van de woning ‘onder gemiddeld’ is. De woning is matig tot slecht geïsoleerd en de energiekosten zijn hierdoor hoog. Hiermee is door de heffingsambtenaar onvoldoende rekening gehouden, waardoor de waarde te hoog is vastgesteld. 10.1 De heffingsambtenaar licht toe dat de woning geen bekend energielabel heeft. Omdat de woning is vergeleken met woningen uit dezelfde bouwperiode, is de duurzaamheid in de prijs verdisconteerd. De rechtbank kan de heffingsambtenaar hierin volgen en voegt hieraan toe dat het op de weg van eiser had gelegen om de stelling te onderbouwen met objectieve, te verifiëren gegevens. Dit heeft eiser niet gedaan. De beroepsgrond slaagt niet. De ligging nabij een snelweg
- Eiser voert verder aan dat door de heffingsambtenaar onvoldoende rekening is gehouden met de ligging van de woning nabij een snelweg. Deze ligging zorgt voor een lagere waarde vanwege de mogelijke overlast en verminderde leefkwaliteit. Geluidsoverlast en luchtvervuiling door het verkeer kunnen potentiële kopers afschrikken. De referentiewoningen hebben een betere ligging zonder deze vormen van overlast. Eiser is daardoor van mening dat de heffingsambtenaar hierdoor de waarde van de woning te hoog heeft vastgesteld. 11.1 De heffingsambtenaar geeft aan dat de woning op ongeveer 350 meter van de snelweg ligt. Op deze afstand kan niet worden gesproken van overmatige hinder. Volgens de heffingsambtenaar is voor het overige de woning juist fraai gelegen. De rechtbank kan de heffingsambtenaar hierin volgen. De beroepsgrond slaagt niet. De ligging in de buurt van een hoogspanningsmast
- Eiser voert ten slotte aan dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met de ligging van de woning in de buurt van een hoogspanningsmast. Deze ligging zorgt voor een lagere waarde vanwege de mogelijke gezondheidsrisico’s en visuele hinder. Het magnetische veld en elektromagnetische straling van hoogspanningsmasten kunnen zorgen voor bezorgdheid bij potentiële kopers over hun gezondheid. De referentiewoningen liggen niet in de buurt van een hoogspanningsmast. Doordat de heffingsambtenaar hier onvoldoende rekening mee heeft gehouden is volgens eiser de waarde van de woning te hoog vastgesteld. 12.1 De rechtbank is van oordeel dat de aanwezigheid van een hoogspanningsmast in de omgeving geen nadelige gevolgen heeft voor de waarde van de woning. De dichtstbijzijnde hoogspanningsmast ligt op ongeveer 200 meter afstand. Als er al vanuit de achtertuin van de woning zicht is op de hoogspanningsmast, is het door de tussenliggende bebouwing niet aannemelijk dat er sprake is van enige vorm van visuele hinder. Ook ten aanzien van de door eiser benoemde gezondheidsrisico’s, of de eventuele bezorgdheid hierover bij potentiële kopers, is de rechtbank van oordeel dat het gezien de ruime afstand tot die hoogspanningsmast niet aannemelijk is dat potentiële kopers hierdoor afgeschrikt worden. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de WOZ-waarde gehandhaafd blijft. Er is daarom geen aanleiding voor de vergoeding van de proceskosten of het griffierecht. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 mei
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).