RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Almere Zaaknummer: 11680257 \ MV EXPL 25-68 Vonnis in kort geding van 31 juli 2025 in de zaak van [eisende partij] , te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eisende partij] , gemachtigde: mr. A.J.M. de Bruijn, tegen [gedaagde partij] , als eenmanszaak handelend onder de naam [eenmanszaak] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde partij] , gemachtigde: mr. P.M. van der Lee. 1De procedure 1.1. [eisende partij] heeft [gedaagde partij] op 13 mei 2025 in kort geding gedagvaard. [gedaagde partij] heeft voorafgaand aan de zitting schriftelijk op de dagvaarding geantwoord. 1.2. Het kort geding is op een zitting van de kantonrechter besproken op 26 juni 2025. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. Het kort geding is vervolgens aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen onderling tot een oplossing van het geschil te komen. 1.3. Partijen hebben geen schikking bereikt. [eisende partij] heeft op 9 juli 2025 de kantonrechter gevraagd alsnog vonnis te wijzen, waarop de kantonrechter heeft bepaald dat vandaag schriftelijk uitspraak zal worden gedaan. 2De beoordeling Waar de zaak over gaat 2.1. [gedaagde partij] is op 1 juli 2022 de bedrijfsruimte gelegen aan de [adres] in [vestigingsplaats] van [eisende partij] gaan huren. [gedaagde partij] had daar haar winkel ‘ [eenmanszaak] ’ gevestigd. Op 2 mei 2023 is [bedrijf] B.V., in opdracht van toenmalig eigenaar de heer [A] , gestart met de sloop van het naastgelegen winkelpand. Dit gaf veel overlast en [gedaagde partij] heeft hierdoor omzetverlies geleden. Sindsdien heeft [gedaagde partij] geen huur meer betaald. In februari 2024 heeft zij de exploitatie van haar winkel gestaakt en heeft zij de winkel verlaten. [eisende partij] wil in dit kort geding dat [gedaagde partij] de achterstallige huur en een contractuele boete betaalt. Ook wil [eisende partij] dat [gedaagde partij] haar winkel weer opent. [gedaagde partij] is het hier niet mee eens en stelt een tegenvordering in. Volgens [gedaagde partij] is de huurovereenkomst geëindigd. Daarom wil zij de borg van [eisende partij] terug ontvangen. [eisende partij] krijgt grotendeels gelijk. Er is sprake van een (nog) niet geëindigde huurovereenkomst. [gedaagde partij] moet een deel van de huurachterstand en contractuele boete aan [eisende partij] betalen. [gedaagde partij] heeft nog geen recht op teruggave van de borg. Ook moet [gedaagde partij] de exploitatie per 1 oktober 2025 hervatten. Daaraan zal geen dwangsom wroden verbonden. Hierna wordt uitgelegd waarom. Toetsingskader Kort geding 2.2. Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eisende partij] heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde partij] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid. Het oordeel in kort geding is een voorlopig oordeel. Geldvordering in kort geding 2.3. [eisende partij] stelt onder meer een aantal geldvorderingen in. De kantonrechter moet in kort geding terughoudend zijn met het toewijzen van een geldvordering. De kantonrechter moet niet alleen onderzoeken of het bestaan van een vordering van [eisende partij] op [gedaagde partij] voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de kantonrechter mede betrekken de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling (ook wel: restitutierisico) mocht de rechter in een gewone procedure anders beslissen. Spoedeisend belang 2.4. In dit kort geding moet de kantonrechter allereerst beoordelen of [eisende partij] een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. De kantonrechter is van oordeel dat het vereiste spoedeisend belang, gelet op de aard van de vordering, aanwezig is. Dit betekent dat de vordering van [eisende partij] kan worden behandeld, zodat de kantonrechter hierna overgaat tot de inhoudelijke beoordeling. De huurovereenkomst loopt nog 2.5. Partijen hebben op 28 april 2022 een huurovereenkomst gesloten voor de bedrijfsruimte gelegen aan de [adres] in [vestigingsplaats] . De huurovereenkomst is aangegaan voor een minimale periode van 5 jaar, van 1 juli 2022 tot en met 30 juni 2027. 2.6. [gedaagde partij] zegt dat de huurovereenkomst voortijdig is geëindigd. Dit standpunt van [gedaagde partij] kan niet worden gevolgd. Een huurovereenkomst kan eindigen door het verstrijken van de afgesproken huurperiode, met wederzijds goedvinden, door opzegging, ontbinding of vernietiging. Van geen van deze beëindigingsvormen is sprake, zodat bij de beoordeling in kort geding ervan moet worden uitgegaan dat de huurovereenkomst nog altijd voortduurt. Hierna wordt uitgelegd waarom de door [gedaagde partij] aangevoerde gronden de huurovereenkomst niet hebben doen eindigen. Geen vernietiging 2.7. [gedaagde partij] heeft in haar e-mail aan [eisende partij] van 22 februari 2024 de vernietiging ingeroepen van de huurovereenkomst, op grond van dwaling. Volgens [gedaagde partij] wist [eisende partij] al voor het aangaan van de huurovereenkomst dat het naastgelegen pand zou worden herontwikkeld maar liet hij na dit aan [gedaagde partij] mee te delen. Zij baseert dit op een video-opname van een gesprek dat zij had met de toenmalige eigenaar van het buurpand. [gedaagde partij] stelt dat zij het pand niet zou hebben gehuurd, was zij van de herontwikkeling op de hoogte geweest. [eisende partij] heeft niet berust in de vernietiging. Het is dan aan [gedaagde partij] om een vordering bij de kantonrechter in te stellen om de rechtsgeldigheid van de ingeroepen vernietiging van de huurovereenkomst te laten toetsen of alsnog de vernietiging daarvan te laten uitspreken. Dit heeft zij niet gedaan. De ingeroepen vernietiging blijft daardoor zonder rechtsgevolg. Verder heeft [gedaagde partij] , gelet op de betwisting door [eisende partij] , onvoldoende aangevoerd om nu al vooruit te lopen op het eventuele oordeel van de kantonrechter in een nog te voeren gewone procedure dat de huurovereenkomst op 22 februari 2024 rechtsgeldig is vernietigd of deze dan alsnog zal worden vernietigd. Dit betekent dat de huurovereenkomst niet (rechtsgeldig) is vernietigd en is blijven voortbestaan. Geen eindoplevering door sleuteloverdracht 2.8. [gedaagde partij] voert verder aan dat de huurovereenkomst is geëindigd, omdat er volgens haar een eindoplevering is geweest en de sleutels van het pand zijn ingeleverd. De kantonrechter begrijpt hieruit dat [gedaagde partij] stelt dat de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd. [eisende partij] heeft dit betwist. Vastgesteld kan worden dat [eisende partij] niet akkoord was. De gemachtigde van [gedaagde partij] beweert weliswaar dat [eisende partij] akkoord was, maar [gedaagde partij] heeft op de zitting zelf verklaard dat zij de sleutels wilde inleveren maar dat [eisende partij] deze niet van haar wilde aannemen. Van een beëindiging van de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden is dan geen sprake zodat de huurovereenkomst niet op die grond is geëindigd. Geen ontbinding 2.9. In haar conclusie van antwoord voert [gedaagde partij] drie gronden aan voor ontbinding van de huurovereenkomst, maar zij benoemt niet, laat staan dat zij toelicht, wat zij hiermee beoogt. Voor zover [gedaagde partij] heeft bedoeld aan te tonen dat het dermate aannemelijk is dat de kantonrechter in een nog te voeren gewone procedure de huurovereenkomst op een van die drie gronden zal ontbinden, zodat in dit kort geding op die ontbinding vooruit kan worden gelopen door de vordering van [eisende partij] integraal af te wijzen, kan dit niet worden gevolgd. 2.10. De bevoegdheid tot ontbinding ontstaat pas als [eisende partij] in verzuim is. Vaststaat dat [gedaagde partij] [eisende partij] nooit aansprakelijk heeft gesteld voor de schade die zij stelt te lijden door een gebrek aan het pand, zij hem niet in gebreke gesteld en hem geen redelijke termijn heeft geboden om het pand te herstellen, welke termijn [eisende partij] vervolgens heeft laten verstrijken. De huurovereenkomst is niet buitengerechtelijk ontbonden. Gelet op de door [gedaagde partij] ingenomen standpunten is het onbegrijpelijk dat deze stappen niet zijn genomen. Dit maakt echter dat als sprake is van een gebrek, [eisende partij] niet met het herstel daarvan in verzuim is geraakt. Daarnaast is het nog maar de vraag of de vermeende tekortkoming van [eisende partij] de ontbinding met al haar gevolgen rechtvaardigt. Het is daarom op dit moment niet aannemelijk dat de kantonrechter in een eventueel nog te voeren gewone procedure de huurovereenkomst zal ontbinden. Op een ontbinding van de huurovereenkomst kan in dit kort geding dus niet vooruit worden gelopen. 2.11. Uitgangspunt voor de verdere beoordeling is dus dat de huurovereenkomst nog altijd voortduurt. Waarom is er geen sprake van een huurvrijstelling? 2.12. [gedaagde partij] vindt dat de vordering tot betaling van de huurachterstand moet worden afgewezen omdat [eisende partij] haar van huurbetaling heeft vrijgesteld. Dit verweer slaagt niet. 2.13. In de eerste plaats betwist [eisende partij] dat sprake zou zijn van een huurvrijstelling. Volgens [eisende partij] gaat het om een onverplichte, tijdelijke opschorting van de huur. Deze stelling van [eisende partij] wordt ondersteund door de e-mail van de heer [B] , werkzaam voor [eisende partij] , aan [gedaagde partij] van 5 juli 2023. [B] schrijft: “Ongeveer 1,5 week geleden uw partner gesproken over de huurachterstand, deze zou begin vorige week mij bellen en een termijn betalen. Dit is helaas niet gebeurd, het gaat om de maanden maart, april en mei. De maanden juni en juli moeten ook gewoon betaald worden de omzetderving hiervan moet u zelf verhalen bij [bedrijf] .” Ook in de betalingsherinneringen namens [eisende partij] aan [gedaagde partij] van 2 en 8 augustus 2023 staat: “Weliswaar hebben wij u een tijdelijke huurstop toegekend, echter, dat wil niet zeggen dat er sprake zou zijn van een huurvrijstelling.” 2.14. Volgens [gedaagde partij] is in mei of juni 2023 veelvuldig telefonisch contact geweest tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] en is daarin de afspraak gemaakt dat er geen huur betaald hoeft te worden, zolang de overlast duurt. Dit wordt door [eisende partij] betwist. Op de zitting is [gedaagde partij] gevraagd naar de inhoud van die telefoongesprekken met [eisende partij] en de precieze toezegging die zou zijn gedaan. [gedaagde partij] verklaart daarover dat [eisende partij] tegen haar heeft gezegd dat zij de huur op [bedrijf] moest verhalen en zij die huur aan [eisende partij] moest betalen als zij die van [bedrijf] had ontvangen. Dit duidt erop dat van meet af aan sprake is van een uitgestelde huurbetaling, geen huurvrijstelling. Dat de voorwaarde voor betaling van huur aan [eisende partij] niet is vervuld, is aan [gedaagde partij] te wijten en moet voor haar rekening komen. [gedaagde partij] heeft immers nagelaten [bedrijf] of de toenmalig eigenaar van het naastgelegen pand aansprakelijk te stellen voor de schade die zij lijdt en deze op hen te verhalen. 2.15. Dit betekent dat [gedaagde partij] in beginsel onverkort aan haar betalingsverplichting kan worden gehouden. Uitgangspunt voor de verdere beoordeling is dat van een huurvrijstelling is geen sprake (geweest). Wat moet [gedaagde partij] aan [eisende partij] betalen? De huurachterstand 2.16. [eisende partij] vordert betaling van een huurachterstand van (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.