RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht kantonrechter locatie Utrecht zaaknummer: 11361118 EL EXPL 24-42 D/954 Vonnis van 9 juli 2025 inzake [eisende partij] , wonende te [woonplaats] , verder ook te noemen [eisende partij] , eisende partij in conventie in de hoofdzaak en het incident, verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en het incident, gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces), tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DEXIA NEDERLAND B.V., gevestigd te Amsterdam, verder ook te noemen Dexia, gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak en het incident, eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en het incident, gemachtigde: USG Legal Professionals. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 9 oktober 2024, de incidentele vordering ex artikel 843a, tevens houdende conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie; de conclusie van antwoord in het incident tevens houdende conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie, met een incidentele vordering; conclusie van antwoord in het incident tevens houdende conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie, de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties. 1.2. Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen. 2. De feiten 2.1. [eisende partij] heeft de volgende leaseovereenkomsten (verder: de overeenkomsten) ondertekend waarop zij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia: Nr. Contractnr. Datum Naam overeenkomst I. [contractnummer] 29-11-2000 Allround Effect II. [contractnummer] 29-11-2000 Allround Effect 2.2. Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat: Nr. Datum eindafrekening Resultaat Betaald I. 22-03-2004 - € 4.094,29 Ja II. 22-03-2004 - € 1.495,57 Ja 2.3. Volgens opgave van Dexia heeft [eisende partij] op grond van de overeenkomsten – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 5.717,64 aan maandtermijnen en een bedrag van € 5.589,86 wegens restschuld aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [eisende partij] geen bedrag aan dividenden ontvangen en € 56,63 aan fiscaal voordeel genoten. 2.4. De gemachtigde van [eisende partij] , Leaseproces, heeft bij brief van 20 november 2007 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren. 3De vordering en het verweer in de hoofdzaak en de incidenten 3.1. [eisende partij] vordert thans (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: - in het incident: Dexia ex artikel 843a zal veroordelen de aanvraagformulieren en haar versie van de ondertekende overeenkomsten aan [eisende partij] te verstrekken, - in de hoofdzaak: voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisende partij] en/of toerekenbaar is tekort geschoten, voor recht zal verklaren dat [eisende partij] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden, Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [eisende partij] van al datgene dat [eisende partij] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomsten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eisende partij] , met rente, Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente. 3.2. Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, waarbij Dexia vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: - in het incident: [eisende partij] ex artikel 843a zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier waar de door Leaseproces namens [eisende partij] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend, - in de hoofdzaak: voor recht zal verklaren dat Dexia, na betaling aan [eisende partij] van een bedrag van € 3.726,57, met betrekking tot de tussen haar en [eisende partij] gesloten overeenkomsten met de nummers [contractnummer] en [contractnummer] niets meer aan [eisende partij] verschuldigd is, [eisende partij] zal veroordelen in de proceskosten. 3.3. Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan. 4. De beoordeling van de vorderingen in de hoofdzaak en in de incidenten algemeen 4.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [eisende partij] . 4.2. De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend.Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen. 4.3. Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies: er is sprake van huurkoop; er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck; Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld; [eisende partij] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld; er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia. verjaring 4.4. Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [eisende partij] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen. 4.5. [eisende partij] heeft de overeenkomsten met Dexia afgesloten via de tussenpersoon Spaar Select (verder ook: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd. 4.6. De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [eisende partij] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [eisende partij] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [eisende partij] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [eisende partij] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [eisende partij] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomsten en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard. 4.7. [eisende partij] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende: [eisende partij] kwam in contact met Spaar Select doordat een medewerker van Spaar Select (ongevraagd) aan de deur langskwam. De medewerker vroeg of [eisende partij] geïnteresseerd was om geadviseerd te worden over de financiële mogelijkheden. De adviseur werd door [eisende partij] binnengelaten om de financiële situatie van [eisende partij] door te nemen. De adviseur is meerdere malen bij [eisende partij] op huisbezoek geweest. Tijdens het eerste gesprek heeft de adviseur van Spaar Select geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [eisende partij] . Zo is met de adviseur gesproken over het spaargeld en de gezinssituatie van [eisende partij] . Zo gaf [eisende partij] aan dat zij maandelijks ongeveer NLG 200,00 opzij zette voor de studie van haar twee kinderen en reeds een bedrag had gespaard daarvoor. Het was dan ook de wens van [eisende partij] om (meer) vermogen op te bouwen voor de studie van haar kinderen. De adviseur gaf aan dat hij hier geschikte producten kon adviseren om deze doelstelling te bereiken. De adviseur adviseerde [eisende partij] om twee Allround Effect overeenkomsten van Bank Labouchere af te sluiten, waarvan één met en maandbetaling van ongeveer NLG 200,00 en één met een vooruitbetaling van ongeveer NLG 4.800,00. [eisende partij] kon dan in de ene overeenkomst het reeds gespaarde bedrag in één keer inleggen. Wat betreft de andere overeenkomst kon [eisende partij] maandelijks NLG 200,00 opzij blijven zetten. De adviseur vertelde daarbij dat dit een veilige vorm van beleggen was en dat er geen risico’s aan verbonden waren. Op deze manier zou [eisende partij] een volgens de adviseur aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor [eisende partij] de studie van de kinderen zou kunnen betalen. [eisende partij] heeft de maandelijkse inleg betaald van de lopende betaalrekening. [eisende partij] had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft [eisende partij] het advies van de adviseur opgevolgd. De aanvraag voor de Allround Effect overeenkomsten is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomsten zijn op een later moment ondertekend. 4.8. [eisende partij] heeft, ter onderbouwing van haar stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:- kopieën van de overeenkomsten van 29 november 2000 met contractnummers [contractnummer] en [contractnummer] , voorzien van de tekst Adviseur: […] -Spaar Select B.V. aanhoudingsverzoek 4.9. Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen. 4.10. Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen. 4.11. Met de hiervoor weergegeven feitelijke uiteenzetting en stukken heeft [eisende partij] voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dexia heeft de door [eisende partij] geschetste gang van zaken slechts in algemene termen betwist. Dexia had echter meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds geen sprake is geweest van advisering. Zo had Dexia moeten uiteenzetten op welke wijze de overeenkomsten in haar visie tot stand waren gekomen. Dexia heeft weliswaar erop gewezen dat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [eisende partij] en de adviseur van de tussenpersoon, maar dat kan Dexia niet baten. Voor zover Dexia daardoor in bewijsnood is, komt dat voor haar rekening en risico. Niet alleen had zij zoals hiervoor is overwogen eerder bewijs kunnen verzamelen maar daarbij komt dat Dexia destijds ervan heeft afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten en gebruik heeft gemaakt van deze tussenpersoon voor de afzet van haar producten. Dit terwijl het voor haar als aan toezicht onderworpen effecteninstelling verboden was om van die tussenpersoon cliënten aan te nemen aan wie adviezen waren verstrekt. Het had op haar weg gelegen om daarop controle uit te oefenen en ervoor te zorgen dat zij wel over concrete informatie beschikte over de totstandkoming van een contract en de daarbij betrokken (medewerker van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.