RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 23/6434 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2025 in de zaak tussen [verzoekster 2] en [verzoekster 1] , te [plaats] , verzoeksters, (gemachtigde: mr. I.E. Nauta), en het college van Burgemeester en Wethouders van Ermelo, verweerder. Procesverloop Verzoeksters hebben op 29 september 2023, ontvangen door rechtbank Gelderland op 3 oktober 2023, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op hun bezwaar. Het bezwaar ziet op de twee tijdelijke vergunningen die zijn verleend voor het gebruik van de percelen [adres] te [plaats] . Wegens betrokkenheid van een medewerker bij rechtbank Gelderland is de zaak op 7 november 2023 doorverwezen naar rechtbank Midden-Nederland. Bij besluit van 19 december 2023 heeft verweerder alsnog een besluit genomen. Naar aanleiding hiervan hebben verzoeksters op 30 januari 2024 het beroep ingetrokken met het verzoek verweerder te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld binnen twee weken te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Bij brief van 12 februari 2024, ontvangen door de rechtbank op 14 februari 2024, heeft verweerder hierop gereageerd. Verweerder verzoekt de rechtbank om bij toekenning van de proceskosten wegingsfactor 0,25 toe te passen conform de proceskostenveroordeling in de uitspraak van 7 december 2023 met zaaknummer UTR 23/
- Overwegingen
- De veroordeling van een partij in de proceskosten in bestuursrechtelijke gedingen is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en nader uitgewerkt in het Bpb.
- In artikel 6:2 van de Awb staat dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, de schriftelijke weigering een besluit te nemen en het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijk worden gesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat derhalve beroep bij de rechtbank open.
- Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop stelt de rechtbank vast dat inmiddels wel een inhoudelijk besluit is genomen en dat verweerder wat dat betreft tegemoet is gekomen aan het beroep van verzoeksters. Verzoeksters hebben vervolgens het beroep ingetrokken en hebben bij hun intrekking verzocht verweerder te veroordelen in de proceskosten.
- Gelet op artikel 8:75a van de Awb ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoeksters gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat het ingestelde beroep van licht gewicht is, nu dit geding slechts betrekking heeft op de proceskosten.
- De rechtbank wijst het verzoek van verweerder om een lagere wegingsfactor toe te passen af. In de uitspraak van 2 mei 2024, heeft de Raad van State geoordeeld dat, bij een beroep wegens niet tijdig beslissen, en wanneer de zaak nu enkel gericht is tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding, en van eenvoudige aard is, als "licht" aangemerkt dient te worden en past zij wegingsfactor 0,5 toe. Daarom zag de rechtbank sindsdien aanleiding om voortaan wegingsfactor 0,5 toe te passen.
- Uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoeksters betaalde griffierecht aan hen te vergoeden. Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoeksters. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven. ECLI:NL:RBMNE:2023:
- ECLI:NL:RVS:2024:1796