RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16.110308.24 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 30 juli 2025 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1972 in [geboorteplaats] , ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres: [adres] , [postcode] [plaats] , hierna: verdachte. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 16 juli
- De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. J. Boon en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.D.A. van Boom, advocaat in Utrecht, naar voren hebben gebracht. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
- op 27 maart 2024 in Utrecht, samen met een ander of anderen, opzettelijk ongeveer 491,8 gram MDMA aanwezig heeft gehad;
- op 27 maart 2024 in Utrecht, samen met een ander of anderen, opzettelijk ongeveer 42 kilogram hasj en 52,202 kilogram hennep aanwezig heeft gehad. 3VOORVRAGEN Voordat de rechtbank een inhoudelijke beslissing kan nemen in de zaak tegen verdachte, moet zij eerst kijken of aan de in de wet gestelde voorvragen is voldaan. Dat is het geval: de dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om deze zaak te beoordelen, de officier van justitie mag verdachte vervolgen en er zijn geen redenen om de vervolging uit te stellen. 4VRIJSPRAAK 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd omdat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is te bewijzen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en zal verdachte hiervan vrijspreken. Dat verdachte ervan op de hoogte was dat in de door hem gehuurde opslagbox verdovende middelen lagen opgeslagen, kan niet worden vastgesteld. Verdachte heeft verklaard dat hij de sleutel van opslagbox [nummer] had, dat hij daar toegang toe had en dat hij de opslagbox aan medeverdachte [medeverdachte] verhuurde. Dat verdachte in de opslagbox is geweest terwijl die in gebruik was bij de medeverdachte of dat verdachte wist welke spullen de medeverdachte daar had opgeslagen, is niet gebleken. De rechtbank neemt in aanmerking dat de drugs goed waren verstopt: in een aggregaat, in een container en in de accubak van een vorkheftruck. 5BESLISSING De rechtbank: Vrijspraak - verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.M. Lemmen, voorzitter, mrs. S.M. van Lieshout en S. Ourahma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Scholten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 juli
- Bijlage: de tenlastelegging Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat: 1 hij op of omstreeks 27 maart 2024 te Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 491,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; ( art 2 ahf/ond C Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht ) 2 hij op of omstreeks 27 maart 2024 te Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 42 kilogram hasj, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), en/of 52,202 kilogram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (een) middel(len) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. ( art 3 ahf/ond C Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )