← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:4416

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/2393 uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 mei 2025 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. A.M.R. van Ginneken), en de burgemeester van de gemeente Nieuwegein, de burgemeester (gemachtigden: mr. Y.W.J. Dofferhoff en mr. R.A. Hanoeman). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] uit [woonplaats] (derde-belanghebbende). Inleiding

  1. Verzoeker huurt een kamer in de woning van derde-belanghebbende. De woning telt totaal 14 kamers met één gemeenschappelijke badkamer en keuken.
  2. Op 29 december 2024 is de politie de woning van derde-belanghebbende binnengetreden. In de kamer van verzoeker is 212,2 gram hennep, 50,2 gram hasj, honderden gripzakjes, krimpfolie, een stijltang, een lamineermachine, meerdere grote zwarte hennepzakken en een zak met hennepgruis aangetroffen. Ook is in zijn kamer een elektrische fiets aangetroffen, die gestolen bleek te zijn. Van de bevindingen van de politie is op 30 december 2024 een bestuurlijke rapportage opgemaakt.
  3. Op basis van de bestuurlijke rapportage heeft de burgemeester na een voornemen daartoe te hebben genomen, waartegen verzoeker een zienswijze heeft ingediend, op 31 maart 2025 besloten om de kamer van verzoeker bij wijze van last onder bestuursdwang te sluiten voor de duur van drie maanden vanaf 16 april 2025 om 14.00 uur.
  4. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De burgemeester heeft toegezegd de uitvoering van de last tot bestuursdwang op te schorten totdat uitspraak is gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening.
  5. De burgemeester heeft een verweerschrift en de volgens hem relevante stukken ingediend. Daarbij heeft de burgemeester ten aanzien van de bestuurlijke rapportage verzocht om beperkte kennisneming toe te passen. Verzoeker heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen geheimhouding van deze gegevens in de bestuurlijke rapportage. De rechtbank heeft bij beslissing van 18 april 2025 besloten dat de beperkte kennisname van de bestuurlijke rapportage zoals door de burgemeester verzocht deels gerechtvaardigd is en heeft de burgemeester de gelegenheid gegeven hierop te reageren. De burgemeester heeft op 18 april 2025 een herziene versie van de bestuurlijke rapportage ingebracht. Verzoeker heeft op de zitting aangegeven geen bezwaar te hebben tegen geheimhouding van de daarin weggelakte gegevens.
  6. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 april 2025 op zitting behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde (via een beeldverbinding) en [naam] , vriendin en hulpverlener bij [bedrijf] . De burgemeester heeft zich op de zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  7. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
  8. De voorzieningenrechter bekijkt of het nodig is om het besluit van burgemeester te schorsen in afwachting van de beslissing op het bezwaar. Daartoe beoordeelt de voorzieningenrechter of sprake is van een spoedeisend belang, of het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft en daarna weegt zij de belangen van alle partijen af. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzoek. Daarbij geldt dat hoe zekerder de voorzieningenrechter is over de rechtmatigheid van het besluit, hoe minder ruimte er is om gewicht toe te kennen aan de belangen van verzoeker bij het schorsen daarvan. Spoedeisend belang
  9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker een spoedeisend belang bij een beoordeling door de voorzieningenrechter. Verzoeker moet namelijk tijdelijk zijn kamer uit als deze door de burgemeester mag worden gesloten. Voorlopig rechtsmatigheidsoordeel
  10. Uit het bezwaar- en verzoekschrift en de verklaring ter zitting volgt dat verzoeker de bevoegdheid van de burgemeester om de woonruimte op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet te sluiten niet betwist.
  11. Partijen verschillen wel van mening over de vraag of de burgemeester in dit geval in redelijkheid gebruik mocht maken van die bevoegdheid (artikel 3:4, tweede lid, van de Awb). In dat verband moet in de eerste plaats aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding worden beoordeeld in hoeverre sluiting van de woning noodzakelijk is om het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde te beschermen. In de tweede plaats gaat de beoordeling over de vraag of de sluiting evenredig is. Dit volgt uit de overzichtsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) over dit soort zaken. Is sluiting van de woonruimte noodzakelijk?
  12. Verzoeker voert aan dat sluiting van de woonruimte niet langer noodzakelijk is. Volgens verzoeker is van een ernstige verstoring van de openbaring orde sinds de politie-inval op 28 december 2024 geen sprake meer. De medebewoner bij wie eveneens verdovende middelen zijn aangetroffen is op die datum aangehouden en er zijn maatregelen getroffen ten aanzien van het tegenover gelegen voetbalveldje en parkeerplaats. Het beoogde doel, de bekendheid als drugspand en de loop naar het pand wegnemen, is dan ook al bereikt. Bij terugkomst in de woonruimte op 30 december 2024 heeft verzoeker opluchting en rust ervaren. Woningsluiting is dan niet langer noodzakelijk, een waarschuwing kan volstaan. Het beoogde doel van de sluiting, de bekendheid als drugspand en de loop naar het pand wegnemen, is al bereikt.
  13. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester de ernst en omvang van de overtreding als ernstig kunnen kwalificeren en de sluiting geschikt en noodzakelijk mogen vinden. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
  14. Gelet op het feit dat in de woning van verzoeker 212,2 gram hennep en 50,2 gram hasj is aangetroffen, en verder honderden gripzakjes, krimpfolie, een stijltang, een lamineermachine, meerdere grote zwarte hennepzakken en een zak met hennepgruis is aangetroffen waarvan het bekend is dat deze middelen gebruikt worden ter voorbereiding van het bereiden van drugs, heeft de burgemeester kunnen concluderen dat sprake is van een handelshoeveelheid drugs. Als een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen in een pand, mag aangenomen worden dat het pand een rol vervult binnen een keten van drugshandel. Dit levert op zichzelf al een belang op bij sluiting, ook als geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd.
  15. De burgemeester heeft hierbij verder kunnen betrekken dat sprake is van verzwarende indicatoren zoals genoemd in de Beleidsregel. Zo blijkt uit de bestuurlijke rapportage dat er de afgelopen vier jaar 67 registraties zijn opgemaakt door de politie over het pand, waarvan een veelvoud drugs en/of overlast gerelateerd zijn. Er worden volgens de politiesystemen veelvuldig voertuigen voor een korte periode op de locatie gezien. Die voertuigen staan vaak op naam van personen die registraties over verdovende middelen of politieantecedenten op de Opiumwet op hun naam hebben staan. Dit geeft de politie het vermoeden dat er op de locatie van het pand verdovende middelen worden verhandeld. Specifiek ten aanzien van verzoeker wordt in de bestuurlijke rapportage vermeld dat er op 12 november 2024 een persoon op heterdaad is aangehouden in de woonruimte van verzoeker. Bij deze persoon zijn acht brokken hasj, twee biljetten van vijftig euro en drie biljetten van tien euro aangetroffen. Ook is tegenover de politie verklaard dat er in de woonruimte van verzoeker gezien werd dat de salontafel vol lag met zakjes hennep.
  16. Op basis hiervan én dat wat tijdens de politie-inval op 28 december 2024 in de kamer van verzoeker is aangetroffen, heeft de burgmeester naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter mogen concluderen dat het pand en de woonruimte van verzoeker bekend staan als pand en woonruimte waar drugshandel of drugsbezit aanwezig is, dat vermoedelijk sprake is van verwijtbaar gedrag van verzoeker en dat sprake is van een gevaar en risico voor het woon- en leefklimaat in de omgeving. De burgemeester heeft daartoe ter zitting er ook op kunnen wijzen dat dit wordt bevestigd in de brief van de derde-belanghebbende van 17 april
  17. Daarin staat dat ‘mijn overzicht is dat als de [verzoeker] hier in deze kamer blijft wonen, na enige tijd dezelfde overlast van koeriers en handelaren zich zal voordoen.’
  18. Ook heeft de burgemeester ter zitting toereikend toegelicht dat sprake is van de verzwarende indicator ‘betrokkenheid bij personen met antecedenten’. De elektrische fiets die in de woonruimte van verzoeker is aangetroffen is door de politie namelijk eerder gezien met een medebewoner die antecedenten heeft. De bestuurlijke rapportage biedt voldoende houvast voor deze conclusie.
  19. De voorzieningenrechter ziet voorlopig oordelend in de bestuurlijke rapportage echter onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie van de burgemeester ter zitting dat verzoeker in december 2024 een joint zou hebben verkocht in het pand of dat verzoeker betrokken is geweest bij een ruzie over een verdwenen partij cocaïne dan wel handel in cocaïne. Uit de bestuurlijke rapportage blijken geen omstandigheden op grond waarvan verzoeker hieraan te koppelen is. De burgemeester dient in bezwaar een nadere motivering hierover te geven.
  20. De burgemeester heeft er verder in het kader van de noodzakelijkheid op kunnen wijzen dat hij, zelfs los van voornoemde verzwarende indicatoren, op basis van de Beleidsregel over mocht gaan tot sluiting gezien de hoeveelheid aangetroffen drugs en attributen in de kamer van verzoeker.
  21. De stelling van verzoeker dat er geen overlast meer is, omdat de medebewoner is aangehouden en omdat er maatregelen zijn genomen ten aanzien van het tegenovergelegen voetbalveld en parkeerterrein, maakt het voorgaande niet anders. De burgemeester heeft op de zitting naar het oordeel van de voorzieningenrechter toereikend toegelicht dat het gebruikelijk is dat het na een politie-inval een tijdje rustig blijft. Dat neemt voor de burgemeester de noodzaak tot sluiting niet weg, omdat de burgemeester de bekendheid van het pand als drugspand en de loop naar het pand definitief wil wegnemen. Daartegenover heeft verzoeker niet onderbouwd en ook niet gebleken is dat de overlast alleen veroorzaakt werd door de medebewoner en/of het tegenovergelegen parkeerterrein en voetbalveld. Integendeel, gezien de informatie in de bestuurlijke rapportage blijkt dat de druggerelateerde overlast verbonden is met de woning van derde-belanghebbende en specifiek ook de kamer van verzoeker.
  22. Het tijdsverloop tussen de politie-inval op 29 december 2024 en de datum van het bestreden besluit van 31 maart 2025 maakt de noodzaak tot sluiting naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ook niet anders. De voorzieningenrechter acht dit tijdsverloop niet onredelijk lang. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat vóór het nemen van het bestreden besluit de burgemeester uit zorgvuldigheidsoverwegingen de zienswijzeprocedure heeft gevolgd. De zorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit neemt de noodzaak tot het nemen van het besluit niet weg.
  23. Dat verzoeker, zoals op de zitting is gesteld, voor de aangetroffen drugs en attributen in zijn kamer strafrechtelijk gezien alleen een geldboete van € 400,- opgelegd heeft gekregen, maakt de noodzaak tot het sluiten van zijn kamer ook niet anders. De strafrechtelijke beoordeling is niet gelijk te stellen met de bestuursrechtelijke beoordeling. Is sluiting van de woonruimte evenredig?
  24. Verzoeker voert aan dat de sluiting van de woonruimte in strijd is met het evenredigheidsbeginsel (artikel 4:84 van de Awb). Door het ingrijpen van de politie (de aanhouding van de medebewoner en de maatregelen ten aanzien van het voetbalveld en de parkeerplek) is er geen overlast meer. Verzoeker heeft geen wetenschap gehad van de drugs die zijn aangetroffen in de krabpaal en de koffer in zijn kamer. Hij is alleen gebruiker en geen dealer. Hij is ook niet voor handel vervolgd. Hij heeft de afgelopen vijf jaar slechts één antecedent gehad en dat was niet drugsgerelateerd. Er is dan in deze ook geen sprake van verwijtbaarheid. Daarnaast is verzoeker kwetsbaar, hij heeft een broze gezondheid. Hij wordt binnen vier weken opgeroepen voor een operatie aan zijn aders en daarna moet hij zes maanden herstellen. Dat doet hij het liefst in zijn vertrouwde woonomgeving: hij woont al twintig jaar in zijn kamer en zijn beperkte sociale netwerk bevindt zich in de omgeving daarvan. Hij kan ook nergens anders terecht. De burgemeester heeft ook geen concrete alternatieven genoemd. De gevolgen van de woningsluiting zijn voor verzoeker dan ook onevenredig. Ter onderbouwing verwijst verzoeker naar de brief van [naam] van 7 april 2025, een brief van chirurg [naam chirurg] aan de huisarts van verzoeker van 26 maart 2025 en een print screen van de planning van de operatie die hij ook ter zitting heeft getoond.
  25. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Een sluiting dient – naast noodzakelijk – ook evenredig te zijn. Voor de beoordeling van de evenredigheid zijn onder meer de verwijtbaarheid en de gevolgen van de sluiting van belang en ook de evenwichtigheid van de duur van de sluiting. Persoonlijke verwijtbaarheid speelt geen rol bij de noodzaak tot sluiting van een woning, maar kan wel een rol spelen bij de afweging van de belangen in het kader van de evenredigheid.
  26. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester nog onvoldoende gemotiveerd dat de sluiting van de kamer in het geval van verzoeker evenredig is. Weliswaar is sprake van een ernstige situatie, waarbij een handelshoeveelheid drugs en attributen is aangetroffen in de woning die bekend staat als drugspand en waarvan er overlast signalen zijn. De burgemeester heeft hierbij - ondanks dat eiser betwist met een deel van de aangetroffen drugs bekend te zijn - kunnen betrekken dat er sprake is van enige verwijtbaarheid aan de kant van verzoeker. Hij is namelijk in beginsel verantwoordelijk te houden voor wat zich in zijn kamer bevindt en hij heeft geen (begin van) bewijs overgelegd dat de aangetroffen drugs en attributen hem niet toebehoren. Inherent aan een woningsluiting is verder dat een bewoner de woning moet verlaten. Dat geeft op zichzelf geen bijzondere omstandigheid, tenzij verzoeker een bijzondere binding heeft met de woning. De duur van twintig jaar acht de voorzieningenrechter op zichzelf niet bijzonder, wel ziet de voorzieningenrechter in de medische toestand van verzoeker in combinatie met zijn beperkte sociale netwerk - zoals toegelicht door [naam] - dat de beschikbaarheid van zijn kamer voor verzoeker van groot belang is. Op de zitting is met een print screen onderbouwd dat verzoeker binnen enkele weken wordt opgeroepen voor een operatie en dat hij na die operatie langdurig moet revalideren. Ook heeft [naam] op de zitting toegelicht dat alternatieve opvang, zoals een plek in een revalidatiecentrum, pas geregeld kan worden als verzoekers medische toestand na de operatie duidelijk is. Een dergelijke plek wordt immers alleen toegekend als dat medisch noodzakelijk is. Weliswaar heeft de burgemeester er terecht op gewezen dat verzoeker niet heeft onderbouwd dat hij als de woning gesloten wordt nergens anders terecht kan en dat dit zal leiden tot beëindiging huurovereenkomst, maar de burgemeester heeft onvoldoende afgewogen hoe de sluiting zich verhoudt tot het belang van verzoeker om zowel tijdens de sluiting als erna op een goede en verantwoorde manier te kunnen herstellen en revalideren. Dat betekent naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat verzoeker er in ieder geval verzekerd van moet zijn dat hij voor zover dat nodig is voor zijn revalidatie na de operatie een dak (welk dak dan ook) boven zijn hoofd heeft en daar zo nodig (thuis)zorg kan ontvangen. De toezegging van de burgemeester ter zitting, dat verzoeker gedurende de periode van de sluiting niet op straat komt te staan, is zonder nadere motivering onvoldoende. Daarmee is verzoeker er namelijk niet van verzekerd dat hij na afloop van de periode van sluiting wanneer zijn revalidatie dat nog vereist nog een dak boven zijn hoofd heeft. In de bezwaarprocedure kunnen beiden partijen hun standpunten hierover nader uitwerken en onderbouwen. Ditzelfde geldt voor stelling van verzoeker in de brief van [naam] en zoals ter zitting door hem nader toegelicht, dat hij zijn leven op orde probeert te krijgen, daarvoor nu hulpverlening krijgt en in het proces is om begeleid te gaan wonen, welk proces door een sluiting mogelijk bemoeilijkt zal worden. Moet een voorlopige voorziening worden getroffen?
  27. Als dit alles wordt afgewogen komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat de spoedeisende belangen van verzoeker vereisen dat het besluit om de woning te sluiten wordt geschorst in afwachting van de bezwaarprocedure. De burgemeester heeft weliswaar toereikend gemotiveerd dat sprake is van een bevoegdheid en noodzaak tot sluiting van de kamer van verzoeker, maar de burgemeester heeft ontoereikend gemotiveerd dat in het specifieke geval van verzoeker, gezien zijn gezondheidstoestand, de sluiting van de kamer ook evenredig is. De burgemeester zal dit gebrek in bezwaar moeten herstellen. Tot die tijd dienen de belangen van verzoeker te prevaleren boven de belangen van de burgemeester. De voorzieningenrechter acht een sluiting op dit moment, gezien het gebrek in de motivering, voorbarig. De voorzieningenrechter sluit echter niet uit dat de burgemeester het geconstateerde gebrek in bezwaar kan herstellen en dan alsnog tot sluiting van de woonruimte van verzoeker kan overgaan. Verzoeker dient met dit scenario rekening te houden.
  28. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en zal het besluit van 31 maart 2025 schorsen tot de nog te nemen beslissing op bezwaar. Conclusie en gevolgen
  29. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Conform het verzoek van verzoeker treft de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening dat het besluit van 31 maart 2025 wordt geschorst tot de beslissing op bezwaar.
  30. De voorzieningenrechter ziet hierbij aanleiding te bepalen dat de burgemeester het griffierecht moet vergoeden van € 194,- en dat verzoeker ook een vergoeding krijgt van zijn proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-. Beslissing De voorzieningenrechter: - schorst het primaire besluit tot de beslissing op bezwaar; - bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 194,- aan verzoeker moet vergoeden; - veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoeker. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J.J.M. Kock, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 7 mei
  31. De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a van de Opiumwet en de Beleidsregel artikel 13b Opiumwet gemeente Nieuwegein 2021 (hierna: Beleidsregel) Artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uitspraak van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:
  32. Uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3938 Uitspraak van de Afdeling van 30 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2393 Uitspraak van de Afdeling van 4 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4083

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.