RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/206922-24 (uitstel VI) Zaaksnummer: VI: 89-000243 -21 Beslissing van de raadkamer ex artikel 6:6:8 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van 6 mei 2025 op de vordering van de officier van justitie tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: VI) in de zaak tegen: [veroordeelde] , geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ,thans verblijvende in P.I. [plaats] , hierna: veroordeelde. 1De procedure Bij onherroepelijk geworden vonnis van het Landgericht Braunschweig in Duitsland van 27 juli 2023 is veroordeelde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1277 dagen. Deze straf is op 11 augustus 2023 onherroepelijk geworden. De tenuitvoerlegging van deze straf is door de Officier van Justitie te Midden-Nederland via de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijkesancties (WETS) overgenomen. Veroordeelde is op 1 juli 2024 naar Nederland overgeplaatst. De voorlopige datum van de VI van veroordeelde is 14 mei
- De officier van justitie heeft op 13 maart 2025 besloten tot uitstel van de VI met een termijn van 90 dagen, te rekenen vanaf 14 mei
- De beslissing is op 17 maart 2025 rechtsgeldig aan veroordeelde betekend. Namens veroordeelde is op 24 maart 2025 bezwaar ingediend. Het bezwaar is binnen de termijn van artikel 6:6:8 lid 2 Sv ingediend en is ontvankelijk. 2
- Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden ter openbare zitting van de raadkamer van 22 april
- Daarbij zijn gehoord: - de officier van justitie, mr. A.L. Rinsma; - de veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A. Knol, advocaat te AmsterdamDuivendrecht; - [A] , reclasseringswerker; - [B] , persoonsgerichte aanpak (PGA)-expert van de gemeente [gemeente] . 3De adviezen Het advies van de directeur van de P.I. De directeur van P.I. [plaats] heeft op 11 februari geadviseerd de VI uit te stellen voor 3 maanden. Veroordeelde heeft de cognitieve vaardigheden (COVa) training gevolgd en staat op de wachtlijst voor de agressietraining Actie Wacht een Fractie (AWF). Op 10 januari 2025 heeft veroordeelde een rapport gekregen vanwege een positieve urinecontrole. Hierop heeft veroordeelde een beschikking ontoelaatbaar gedrag ontvangen en is hij gedegradeerd naar het basisprogramma. Op 4 februari 2025 heeft veroordeelde opnieuw een rapport gekregen omdat hij heeft geprobeerd te frauderen tijdens de afname van een urinecontrole. Toen veroordeelde hierop werd aangesproken, werd hij verbaal agressief naar het personeel. Daarbij werd de dreiging dusdanig dat het personeel alarm moest maken om versterking op te roepen. Veroordeelde is door meerdere collega's in bedwang gehouden en geplaatst in een isoleercel. Veroordeelde heeft een disciplinaire straf opgelegd gekregen wegens bedreiging van het personeel. Omdat veroordeelde onder meer heeft gezegd: "je moet niet denken dat ik een kleine jongen ben" en "wacht maar tot ik je buiten tegenkom" stelt de directeur zich op het standpunt dat veroordeelde eerst de AWF training dient te volgen, waarin hem handvatten worden gegeven om geweldsuitbarstingen te voorkomen. Het reclasseringsadvies De reclassering heeft geadviseerd veroordeelde de wel VI te verlenen onder de bijzondere voorwaarden, te weten: een meldplicht, ambulante behandeling, dagbesteding en andere voorwaarden het gedrag betreffend. De reclassering heeft kennis genomen van het advies van de directeur van de P.I. maar neemt in aanmerking dat veroordeelde heeft verklaard dat hij getriggerd werd. Een medewerker in detentie raakte hem aan terwijl veroordeelde had aangegeven dat niet te willen, waarna het uit de hand is gelopen. Volgens veroordeelde heeft hij zijn excuses aangeboden en heeft hij spijt dat het zo uit de hand is gelopen. De reclasseringswerker is ter terechtzitting als deskundige gehoord en heeft verklaard dat het volgen van de agressietraining ook kan worden opgenomen in de bijzondere voorwaarde van ambulante behandeling en dat middelencontrole eventueel ook kan worden opgenomen als bijzondere voorwaarde van de VI. De PGA-expert van de gemeente Utrecht is ter terechtzitting als deskundige gehoord en heeft verklaard dat veroordeelde in de PI op een wachtlijst staat voor de agressietraining, maar dat hij voor een dergelijke training mogelijk binnen korte(re) termijn ook terecht kan bij De Waag. Veroordeelde is bij de gemeente op de wachtlijst geplaatst voor een woning met begeleiding en het ziet ernaar uit dat er in juli 2025 een woning voor hem beschikbaar zal zijn. Als de VI wordt uitgesteld kan hij de woning niet verkrijgen en komt veroordeelde onderaan de wachtlijst voor een woning te staan. 4De standpunten 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de beslissing tot uitstel van de VI voor de duur van 90 dagen. Uit navraag bij de PI is gebleken dat zich op 21 februari 2025 opnieuw een situatie heeft voorgedaan waarbij veroordeelde zich onbeschoft, agressief en bedreigend naar het inrichtingspersoneel heeft gedragen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslissing om de VI uit te stellen als onredelijk moet worden beschouwd. Veroordeelde heeft tijdens de detentie tot voor kort goed gedrag laten zien, heeft motivatie getoond, zat in een plusprogramma, is gaan inzien dat hij gedragsverandering wil en heeft zich daarvoor ingezet. Veroordeelde heeft excuses aangeboden voor de incidenten die er recent zijn geweest en heeft zijn spijt betuigd. De reclassering adviseert positief over de VI en veroordeelde kan zich vinden in de voorwaarden. Hij zal buiten de P.I. op korte termijn een agressietraining kunnen gaan volgen omdat er, anders dan in de P.I., geen wachtlijst is. Uitstel van de VI heeft disproportionele gevolgen voor veroordeelde: hij kan de bruiloft van zijn zus niet bijwonen en hij zal voorlopig nog niet in aanmerking komen voor een woning met begeleiding van de gemeente. 5Het beoordelingskader Op grond van artikel 6:2:10 lid 3 Sv, voor zover hier van belang, worden bij de beslissing over het verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling in ieder geval de volgende aspecten betrokken: a. de mate waarin en de wijze waarop de veroordeelde door zijn gedrag heeft doen blijken van een bijzondere geschiktheid tot terugkeer in de samenleving; b. de mogelijkheden om eventuele aan de invrijheidstelling verbonden risico’s te beperken en beheersen. Op grond van artikel 6:2:12 lid 1 Sv, voor zover hier van belang, beslist het openbaar ministerie over het verlenen en herroepen van voorwaardelijke invrijheidstelling en over het stellen, wijzigen of opheffen van bijzondere voorwaarden. De beslissingen van het openbaar ministerie zijn met redenen omkleed. Het openbaar ministerie stelt de veroordeelde in kennis van zijn beslissingen. Op grond van het tweede lid adviseren de directeur van de penitentiaire inrichting en de reclassering omtrent de beslissingen, bedoeld in het eerste lid. Op grond van artikel 6:2:13 Sv, voor zover hier van belang, stelt het openbaar ministerie de veroordeelde uiterlijk vier weken voor het in artikel 6:2:10, eerste of vierde lid, bedoelde tijdstip in kennis van zijn beslissing over het al dan niet verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling. De beslissing kan ook inhouden dat een beslissing over het verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld voor een termijn van ten hoogste zes maanden. Op grond van artikel 6:6:8 Sv, voor zover hier van belang, kan de veroordeelde bij de rechtbank een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen tegen: b. de beslissing om een beslissing over het verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling uit te stellen. Op grond van artikel 6:6:9 Sv, voor zover hier van belang, onderzoekt de rechtbank zo spoedig mogelijk na ontvangst van een tijdig ingediend bezwaarschrift of het openbaar ministerie bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. 6De beoordeling De rechtbank stelt vast dat er voldaan is aan de wettelijke formele vereisten uit het beoordelingskader zoals volgt uit de overgelegde stukken genoemd in onderdeel
- De rechtbank stelt voorts voorop dat de beoordeling door de rechtbank slechts marginaal is, zoals hiervoor in artikel 6:6:9 Sv is weergegeven. De rechtbank dient te toetsen of het openbaar ministerie ‘in redelijkheid’ tot de beslissing heeft kunnen komen dat de VI met 90 dagen wordt uitgesteld. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Omdat veroordeelde zich op 4 februari 2025 dusdanig verbaal agressief en dreigend tegenover het personeel heeft gedragen, dat versterking is ingeroepen, veroordeelde door meerdere personen in bedwang moest worden gehouden en in de isoleercel geplaatst moest worden, heeft het openbaar ministerie in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat betrokkene door zijn gedrag niet heeft doen blijken van een bijzondere geschiktheid tot terugkeer in de samenleving. Het openbaar ministerie heeft daarbij, met het oog op de beperking van het risico op een nieuwe geweldsuitbarsting, van belang kunnen achten dat veroordeelde eerst deelneemt aan de agressietraining. Dat het uitstel van de VI voor veroordeelde nadelige gevolgen met zich brengt, betekent niet dat deze beslissing onredelijk is. Veroordeelde heeft het uitstel aan zijn eigen gedrag te danken en er waren ook incidenten op 10 januari 2025 en op 21 februari
- Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat veroordeelde ook in het kader van de VI verplicht kan worden tot het volgen van een agressietraining, dat hij door het uitstel langer zal moeten wachten op een woning met begeleiding van de gemeente en dat hij de bruiloft van zijn zus (mogelijk) niet kan bijwonen niet maken dat de gevolgen van het uitstel van de VI disproportioneel zijn. Het belang van een veilige en verantwoorde terugkeer van veroordeelde in de samenleving is op dit moment van groter gewicht . 7De beslissing De rechtbank: - verklaart het bezwaar ongegrond. Deze beslissing is genomen door mr. L.M. Reijnierse, voorzitter, mrs. S.M. van Lieshout en C.E. Schalk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.E. van Wiggen, griffier en in het openbaar uitgesproken ter zitting van 6 mei
- De oudste en de jongste rechter zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.