RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/4257 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 juli 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker(gemachtigde: mr. C.J. Driessen) en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, het college (gemachtigde: mr. E.H. Siemeling). Inleiding In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een huisvestingsvergunning voor de woning aan de [adres] . Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 9 juli 2025 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 31 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het college. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de voorzieningenrechter
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
- Verzoeker heeft op 13 juni 2025 een huisvestingsvergunning aangevraagd voor de woning aan de [adres] . Verzoeker wil deze woning huren per 1 juli
- Het college heeft de aanvraag afgewezen, omdat – kort gezegd – het huishoudinkomen van verzoeker en zijn echtgenote te hoog is. Daarmee is niet voldaan aan artikel 3, eerste lid, onder d, van de Huisvestingsverordening gemeente Utrecht.
- Op de zitting is gebleken dat verzoeker geen huisvestingsvergunning nodig heeft. De kale huur van de woning bedraagt € 1.217,
- Daarmee valt de woning niet in één van de categorieën woningen waarvoor een huisvestingsvergunning is vereist op grond van artikel 2, eerste lid, van de Huisvestingsverordening gemeente Utrecht. Partijen zijn het daarover eens.
- Partijen zijn het er ook over eens dat verzoeker de woning per direct kan betrekken zonder dat hij daarvoor een huisvestingsvergunning nodig heeft. Dit betekent dat verzoeker geen belang heeft bij zijn verzoek om voorlopige voorziening. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
- Op de zitting heeft de gemachtigde van het college toegezegd dat het college de door verzoeker geleden schade, bestaande uit twee maanden huur van de ‘oude’ woning, zal vergoeden.
- De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat het college het griffierecht moet vergoeden en dat verzoeker ook een vergoeding krijgt van zijn proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 907,-. Het college moet deze vergoeding betalen.
- Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat. Beslissing De voorzieningenrechter:- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan verzoeker moet vergoeden; - veroordeelt het college tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan verzoeker. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2025 door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.