RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/6851 uitspraak van de meervoudige kamer van 14 augustus 2025 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE), en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [plaats] (gemachtigde: D.J. Koopmans). Inleiding 1.1. In de beschikking van 28 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres 1] in [woonplaats] (de woning) voor het belastingjaar 2023, vastgesteld op € 1.802.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2022. De heffingsambtenaar heeft bij deze beschikking aan eiseres als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing opgelegd waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd. 1.2. Eiseres heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van 26 september 2024 (het bestreden besluit) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de WOZ-waarde gehandhaafd. 1.3. Tegen de uitspraak op bezwaar heeft eiseres beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift en een taxatiematrix ingediend. In het verweerschrift concludeert de heffingsambtenaar dat de vastgestelde waarde van € 1.802.000,- geen stand kan houden en verlaagd moet worden. De heffingsambtenaar geeft daarbij aan dat het beroep gegrond is en de waarde van de woning vastgesteld moet worden op € 1.750.000,-. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, bijgestaan door taxateurs [taxateur1] en [taxateur2] . Feiten 2. De woning is een in 1955 gebouwde vrijstaande woning met een aangebouwde woonruimte van 182 m² en een vrijstaande garage. De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 228 m² en een kaveloppervlakte van 2.947 m². 3. In geschil is de waarde van de woning per waardepeildatum 1 januari 2022. De heffingsambtenaar heeft in beroep een waarde voorgesteld van € 1.750.000,-. Eiseres vindt deze waarde nog te hoog en bepleit een waarde van € 1.599.000,-. Beoordeling door de rechtbank Inleiding 4. Het door gemachtigde van eiseres opgestelde beroepschrift, de ‘pinpointbrief’ en de meeste andere brieven staan vol met algemene, weinig inhoudelijke, dikwijls onsamenhangende en inconsistente, fragmentarische en niet of nauwelijks onderbouwde op de onroerende zaak betrekking hebbende stellingen. In elke zaak van deze gemachtigde worden min of meer dezelfde brieven gestuurd. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiseres er al eerder op gewezen dat zij daar niets mee kan. Nadat de heffingsambtenaar in de beroepsfase de WOZ-waarde nader heeft onderbouwd met het verweerschrift (ontvangen door de rechtbank op 15 april 2025 en doorgezonden op dezelfde dag) heeft de gemachtigde van eiseres een ‘verbijzonderingsbrief’ gestuurd. De rechtbank heeft deze brief ontvangen op 23 juli 2025. Deze brief is de enige brief die een inhoudelijk en op de woning toegespitst standpunt bevat over waarom eiseres het niet eens is met de vastgestelde waarde. In deze brief voert eiseres aan dat er in een eerdere procedure over belastingjaar 2024 een compromis is bereikt voor een waarde van € 1.775.000,- en dat daarom voor dit belastingjaar een lagere waarde moet worden vastgesteld, namelijk € 1.599.000. De rechtbank zal daarom enkel deze in de ‘verbijzonderingsbrief’ genoemde grond bespreken in deze uitspraak. De overige beroepsgronden die ter zitting naar voren worden gebracht, laat de rechtbank wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing. Verzoek om heropening 5. Gemachtigde van eiseres heeft met zijn brief van 28 juli 2025 een verzoek ingediend om heropening van deze zaak, omdat hij niet alles heeft kunnen horen en gezien het grote belang van de zaak. De rechtbank ziet in het verzoek van gemachtigde van eiseres geen reden om het onderzoek ter zitting te heropenen en een nadere zitting te houden. De gemachtigde van eiseres heeft op zitting normaal mee kunnen doen. Op geen enkel moment heeft hij laten blijken dat hij iets niet goed heeft verstaan. De rechtbank ziet daarom geen reden om het onderzoek te heropenen en om een nieuwe zitting te plannen. Het verzoek om heropening van de zaak wordt om deze reden afgewezen. Beoordelingskader 6. De WOZ-waarde van een woning is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die bij verkoop op de voor de woning meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de woning zou zijn betaald. De waarde wordt bepaald door middel van de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde van de woning wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden. 7. Op de heffingsambtenaar rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de waarde van de woning op de waardepeildatum (1 januari 2022) niet te hoog is vastgesteld. Bij de beoordeling of dit het geval is, zal de rechtbank wat eiseres ter betwisting van de vastgestelde waarde heeft aangevoerd, meewegen. Om de waarde van de woning te onderbouwen, heeft de heffingsambtenaar een taxatiematrix overgelegd waarin de woning wordt vergeleken met drie verkopen in [woonplaats] , te weten: [adres 2] , verkocht op 22 maart 2023 voor € 2.400.000,-; [adres 3] , verkocht op 11 juni 2022 voor € 2.633.888,-; [adres 4] , verkocht op 6 juni 2022 voor € 1.815.000,-. Beoordeling van het geschil 8. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrix en de toelichting die daarop ter zitting is gegeven aannemelijk heeft gemaakt dat de in het verweerschrift voorgestelde waarde van € 1.750.000 niet te hoog is. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de in de taxatiematrix genoemde referentiewoningen goed bruikbaar zijn, omdat de objecten een vergelijkbare ligging in [woonplaats] hebben en wat uitstraling betreft voldoende vergelijkbaar zijn met de woning van eiseres. Met de taxatiematrix maakt de heffingsambtenaar aannemelijk dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de woning en de referentiewoningen. Met de taxatiematrix heeft de heffingsambtenaar de waardeverhouding tussen de woning van eiseres en de referentiewoningen inzichtelijk gemaakt. 9. De stelling van eiseres, dat de waarde van de woning met 10% verlaagd moet worden ten aanzien van de op een eerdere zitting geschikte waarde over belastingjaar 2024 kan de rechtbank niet volgen. In het algemeen geldt immers dat de waarde van de woning op grond van de Wet WOZ voor elk kalenderjaar opnieuw moet worden bepaald aan de hand van verkoopcijfers van vergelijkbare woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht. De WOZ-waarde van de woning van voorgaande of latere jaren speelt daarbij geen rol. Vergelijking met een vastgestelde waarde van een eerdere of latere vastgestelde waarde, verhoogd of verlaagd met regionale of landelijke percentages is doorgaans onvoldoende nauwkeurig. Dat de WOZ-waarde voor het belastingjaar 2024 op € 1.775.000,- is geschikt kan dan ook geen reden zijn om de waarde van de woning voor belastingjaar 2023 met 10 % te verlagen. De beroepsgrond van eiseres slaagt niet. 10. Omdat de heffingsambtenaar in zijn verweerschrift heeft aangegeven dat de waarde van de woning verlaagd moet worden naar € 1.750.000,- is het beroep wel gegrond. Daarom moet de heffingsambtenaar de proceskosten van eiseres vergoeden. De rechtbank geeft hieronder een toelichting op de proceskostenvergoeding. Proceskostenvergoeding 11. De enkelvoudige kamer van deze rechtbank heeft deze zaak alleen naar de meervoudige kamer verwezen om zich uit te laten over een mogelijke samenloop van de wettelijke wegingsfactor uit artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ en de uitgangspunten die deze rechtbank sinds 4 september 2023 in een aantal categorieën van zaken hanteert bij de toepassing van de wegingsfactor uit het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De verwijzing naar de meervoudige kamer heeft dus niets te maken met het belang van deze zaak, de complexiteit of de mate van inspanning door de gemachtigde. 12. Sinds de inwerkingtreding van artikel 30a van de Wet WOZ wordt de hoogte van de proceskostenvergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor WOZ-zaken bepaald door (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.