RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats: Lelystad Parketnummers: 16.071572.25; 16.035654.23 (vord. tul) Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 9 september 2025 in de strafzaak van: [verdachte] , geboren op [2009] in [geboorteplaats] , ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [plaats 1] , hierna: [verdachte (voornaam)] . 1Zitting De strafzaak van [verdachte (voornaam)] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 26 augustus 2025. Op de zitting waren aanwezig: [verdachte (voornaam)] ; de officier van justitie: mr. M. de Nooij; de advocaat van [verdachte (voornaam)] : mr. C.C.J. Tuip; de moeder van [verdachte (voornaam)] ; [verdachte (voornaam)] ’s toezichthouder bij jeugdreclassering [instelling 1] (hierna: [instelling 1] ); een onderzoeker van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). 2Tenlastelegging De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De officier van justitie beschuldigt [verdachte (voornaam)] ervan dat hij, samengevat, op 7 maart 2025 in Lelystad samen met één of meer anderen: feit 1 [juwelier] heeft overvallen; feit 2 [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] heeft bedreigd met een vuurwapen; feit 3 een vuurwapen en/of munitie in bezit heeft gehad. 3Bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat [verdachte (voornaam)] alle aan hem ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. 3.2. Standpunt van de verdediging De advocaat van [verdachte (voornaam)] heeft de rechtbank gevraagd hem vrij te spreken van het wapenbezit waarvan hij onder feit 3 is beschuldigd. Over de andere beschuldigingen heeft de advocaat geen verweren gevoerd. 3.3. Oordeel van de rechtbank Bewijsmiddelen feiten 1 (overval [juwelier] ) en 2 (bedreiging) [verdachte (voornaam)] bekent dat hij de overval samen met de medeverdachte ( [medeverdachte (voornaam)] ) heeft gepleegd en daarbij gedreigd heeft met een vuurwapen. De advocaat van [verdachte (voornaam)] heeft voor deze feiten geen vrijspraak bepleit. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: de bekennende verklaring van [verdachte (voornaam)] op de zitting van 26 augustus 2025; het proces-verbaal van bevindingen van [A] , pagina’s 168 tot en met 172; de aangifte van [slachtoffer 1] , pagina’s 87 tot en met 90; de verklaring van getuige [slachtoffer 2] , pagina’s 102 tot en met 105; de aangifte van [slachtoffer 3] , pagina’s 150 tot en met 152; de aangifte van [slachtoffer 4] , pagina’s 153 tot en met 156; de aangifte van [slachtoffer 5] , pagina’s 209 tot en met 211. Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan. Bewijsmiddelen feit 3 (bezit vuurwapen en munitie) [verdachte (voornaam)] heeft op de zitting van 26 augustus 2025 onder meer het volgende verklaard, zakelijk weergegeven: Het klopt dat ik op 7 maart 2025 op een fatbike naar [locatie] ben gereden en daar naar de [juwelier] ben gegaan. De ander (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte (voornaam)] ) is bij [juwelier] naar binnen gegaan en ik ben buiten gebleven. Ik hield het wapen gericht op de winkel. Het klopt dat we daarna zijn weggevlucht en ons op de [straat] hebben omgekleed. Ik heb het wapen gekregen voor deze overval. Verbalisant [verbalisant 1] heeft in een proces-verbaal van bevindingen van 25 maart 2025, zakelijk weergegeven, een opgenomen gesprek (op 20 maart 2025) tussen [verdachte (voornaam)] en [medeverdachte (voornaam)] als volgt uitgewerkt: [verdachte] : Het ligt best wel op een plek waar ze het kunnen vinden toch (de rechtbank begrijpt: het wapen). Als mensen het daar vinden, kunnen we gewoon faya gaan. [medeverdachte] : Vooral kinderen. [verdachte] : Ja ook. ook. Ik ga hem daar laten weghalen want in die dossier staat het adres van die osso. Verbalisant [verbalisant 2] heeft in een proces-verbaal van bevindingen van 21 maart 2025, zakelijk weergegeven, het volgende beschreven: Op 21 maart 2025 ben ik met collega’s naar de steeg in de [straat] [nummeraanduiding 1] (plaats delict 2) gereden. Ik zag een vuurwapen gelijkend voorwerp in/onder de klimop welke tegen de schutting van de [straat] [nummeraanduiding 1] - [nummeraanduiding 2] groeide. Verbalisant [verbalisant 3] heeft in een proces-verbaal van bevindingen van 15 april 2025, zakelijk weergegeven, het volgende beschreven: In het kader van de Wet wapens en munitie heb ik een nader onderzoek ingesteld. Het aangetroffen pistool betreft een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 gelet op artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie. De aangetroffen patronen betreffen munitie in de zin van artikel 1 aanhef onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie. 3.3.3. Bewijsoverweging De advocaat van [verdachte (voornaam)] heeft betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat [verdachte (voornaam)] het ten laste gelegde wapen voorhanden heeft gehad en over dat wapen kon beschikken. Immers is er tijd overheen gegaan voordat het wapen werd aangetroffen. Niet valt uit te sluiten dat [verdachte (voornaam)] een balletjespistool mee had naar de overval. De rechtbank verwerpt dit verweer en zal uitleggen waarom. Het staat vast dat bij de overval op [juwelier] een vuurwapen is gebruikt. Na de vlucht zijn [verdachte (voornaam)] en [medeverdachte (voornaam)] op de fatbike naar een steeg tussen de [straat] [nummeraanduiding 1] - [nummeraanduiding 2] en [nummeraanduiding 1] - [nummeraanduiding 3] gereden. Daar hebben zij de kleding die zij bij de overval droegen, een deel van de buit en de gebruikte fatbike achtergelaten. In een door de politie afgeluisterd gesprek praatten [verdachte (voornaam)] en [medeverdachte (voornaam)] over het wapen, dat ligt op een adres dat in het dossier voorkomt. Als de politie gaat kijken op de plek waar [verdachte (voornaam)] en [medeverdachte (voornaam)] de eerder genoemde spullen hebben achtergelaten vinden zij tegen de schutting van de [straat] [nummeraanduiding 1] - [nummeraanduiding 2] een vuurwapen. Gelet op deze omstandigheden heeft de rechtbank geen twijfel dat het aangetroffen vuurwapen het vuurwapen is dat [medeverdachte (voornaam)] en [verdachte (voornaam)] bij de overval op [juwelier] hebben gebruikt. De rechtbank zal feit 3 dan ook bewezen verklaren. 3.4. Bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte (voornaam)] : feit 1 op 7 maart 2025 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een ander sieraden, die geheel aan [juwelier] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, of om, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - met gezichtsbedekkende kleding de winkel van [juwelier] te betreden en - met een hamer vitrines kapot te slaan en - sieraden te pakken en in een tas te stoppen en mee te nemen en - de loop van een vuurwapen te richten naar/op die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 4] en die [slachtoffer 5] en een of meer andere onbekend gebleven personen en/of - daarbij de woorden toe te voegen "schieten" en/of "schiet maar"; feit 2 op 7 maart 2025 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door op één of meerdere momenten de loop van een vuurwapen te richten op/naar voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] ; feit 3 op 7 maart 2025 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een naar scherpschietend omgebouwd (alarm)pistool, van het merk Bruni, type model mini GAP, kaliber 8mmK, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en munitie van categorie III van de Wet Wapens en munitie, te weten twee naar scherpe projectielen omgebouwde (knal)patronen/stalen rondkogels, voorhanden heeft gehad; De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte (voornaam)] wordt daarvan vrijgesproken. 4Kwalificatie en strafbaarheid 4.1 Kwalificatie feit 1: diefstal, vergezeld/gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen; feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd; feit 3: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. 4.2 Strafbaarheid feiten en [verdachte (voornaam)] De feiten en [verdachte (voornaam)] zijn strafbaar. 5Straf en maatregel 5.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie eist dat [verdachte (voornaam)] wordt veroordeeld tot: een gedragsbeïnvloedende maatregel (hierna: GBM) voor de duur van 12 maanden, met de voorwaarden zoals die zijn geadviseerd door de Raad, en met de aantekening dat wanneer [verdachte (voornaam)] niet naar behoren meewerkt aan de tenuitvoerlegging van de maatregel, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 6 maanden. De officier van justitie eist dat de maatregel direct na de uitspraak van het vonnis ingaat; een jeugddetentie van 210 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 129 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden de voorwaarden als geadviseerd door de Raad in haar rapport van 25 augustus 2025. De officier van justitie eist dat de bijzondere voorwaarden direct na de uitspraak van het vonnis ingaan. 5.2. Standpunt van de verdediging De advocaat van [verdachte (voornaam)] voert aan dat [verdachte (voornaam)] bijzonder kwetsbaar is en een belast verleden heeft. [verdachte (voornaam)] heeft zich voornamelijk aan de voorwaarden van schorsing gehouden en stelt zich begeleidbaar op. De advocaat vraagt zich af of een GBM noodzakelijk is en vraagt in ieder geval de duur van deze maatregel te matigen. Ook bij het opleggen van een voorwaardelijke jeugddetentie verzoekt de advocaat het aantal dagen te matigen. 5.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank legt aan [verdachte (voornaam)] een GBM op voor de duur van 12 maanden, met daarbij de voorwaarden zoals beschreven door de Raad. Als [verdachte (voornaam)] niet naar behoren meewerkt aan de GBM, zal deze vervangen worden door jeugddetentie voor de duur van 6 maanden. De GBM gaat direct in. Naast de GBM legt de rechtbank een jeugddetentie op voor de duur van 210 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 129 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en ook daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad. Deze bijzondere voorwaarden gaan ook direct in. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot deze maatregel en straf is gekomen. Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder [verdachte (voornaam)] deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte (voornaam)] en zijn persoonlijke omstandigheden mee. Ernst en omstandigheden van de feiten Op klaarlichte dag hebben [verdachte (voornaam)] en medeverdachte [medeverdachte (voornaam)] een overval gepleegd op [juwelier] . Bij die overval hebben zij een vuurwapen meegenomen. [verdachte (voornaam)] heeft het wapen gericht op het winkelpersoneel, klanten en andere omstanders. Hiermee heeft hij bij al die personen grote angst bezorgd: angst dat zij mogelijk het leven zouden laten bij die overval. Angst die heeft geleid tot trauma en die deze mensen mogelijk hun leven lang bij zich zullen dragen. Voor die gevolgen is [verdachte (voornaam)] , samen met [medeverdachte (voornaam)] , verantwoordelijk. Naast de gevolgen voor de mensen die hier zelf getuige van waren draagt deze overval ook bij aan een gevoel van onveiligheid in de samenleving als geheel. Ook heeft [juwelier] schade opgelopen doordat bij de overval een vitrine is ingeslagen en allerlei sieraden zijn gestolen. Na het verkrijgen van de buit, zijn [verdachte (voornaam)] en [medeverdachte (voornaam)] een woonwijk in gevlucht terwijl politieagenten meermaals naar hen hadden geroepen dat zij moesten stoppen. Ondanks meerdere waarschuwingsschoten en een direct op [verdachte (voornaam)] en [medeverdachte (voornaam)] gericht schot gaven zij zich niet over. In de woonwijk verstopten zij het vuurwapen (met daarin patronen) in een steeg. Op vragen van de politie en de raadkamer over het wapen wilden zij geen antwoord geven, terwijl uit het opgenomen gesprek tussen [verdachte (voornaam)] en [medeverdachte (voornaam)] blijkt dat zij wisten dat op de plek waar zij het wapen hadden neergelegd kinderen lopen en spelen. De rechtbank neemt het [verdachte (voornaam)] bijzonder kwalijk dat hij met [medeverdachte (voornaam)] deze gevaarlijke situatie heeft gecreëerd en in stand gehouden. Persoonlijke omstandigheden van [verdachte (voornaam)] De rechtbank heeft gekeken naar: het strafblad van [verdachte (voornaam)] van 27 augustus 2025; een rapport van een psycholoog die [verdachte (voornaam)] heeft onderzocht van 25 juli 2025; een advies van de Raad van 25 augustus 2025; een haalbaarheidsonderzoek GBM van [instelling 1] van 21 augustus 2025. Strafblad De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van [verdachte (voornaam)] van 27 augustus 2025 waaruit blijkt dat [verdachte (voornaam)] eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Deze veroordelingen hebben [verdachte (voornaam)] er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank weegt dat in het nadeel van [verdachte (voornaam)] mee bij de bepaling van de straf. Het advies van de psycholoog Uit het rapport van de psycholoog volgt dat [verdachte (voornaam)] een normoverschrijdende gedragsstoornis en een ongespecificeerde psychotrauma- en stressorgerelateerde stoornis heeft. Het is aannemelijk dat deze stoornissen de gedragskeuzes en gedragingen van [verdachte (voornaam)] op 7 maart 2025 hebben beïnvloed. Over de mate van toerekenbaarheid kan de psycholoog niets zeggen, omdat [verdachte (voornaam)] met de psycholoog niet heeft willen praten over de beschuldigingen. [verdachte (voornaam)] heeft een forse ontwikkelingsachterstand in zowel sociaal emotioneel opzicht als op het gebied van de gewetensontwikkeling. Als de omstandigheden niet veranderen, is het recidiverisico (op gewelddadig gedrag) hoog. [verdachte (voornaam)] vervalt snel in oude gedragspatronen en is gebaat bij een beschermend en gestructureerd opvoedklimaat. [verdachte (voornaam)] is echter nauwelijks gemotiveerd en geeft weinig inzicht in zijn gevoelswereld. Er dient in eerste instantie aandacht te zijn voor emotie- en agressieregulatie. De psycholoog adviseert een GBM op te leggen. Een enkele voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden zou slechts een vergeldend karakter hebben, het recidiverisico niet verlagen en niet bijdragen aan een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van [verdachte (voornaam)] . Het advies van de Raad De Raad signaleert, net als de psycholoog, zowel in de thuis- als in de schoolsituatie grote zorgen. Meerdere hulpverleningstrajecten, zowel in civiel- als in strafrechtelijk kader, zijn vroegtijdig gestopt omdat er bij [verdachte (voornaam)] sprake was van een gebrek aan motivatie en hij onvoldoende meewerkte. Sinds [verdachte (voornaam)] geschorst is, heeft hij al meerdere waarschuwingen en een gele kaart ontvangen van de jeugdreclassering omdat hij zich onvoldoende hield aan het weekrooster binnen de ITB Harde Kern en de tijdsafspraken volgens de elektronische monitoring. De jeugdreclasseerder heeft bij de zitting aangegeven dat dit steeds onderwerp van gesprek blijft. De Raad vindt een intensief behandel- en begeleidingstraject noodzakelijk om de hoge kans op recidive te verminderen. In aansluiting op het advies van de psycholoog vindt de Raad een GBM het meest passend. De motivatie van [verdachte (voornaam)] blijkt in de praktijk niet altijd (langdurig) vast te houden en daarom past een GBM het best omdat dan gewerkt kan worden met time-outs zonder dat de hulpverlening stopt. Het advies van [instelling 1] De jeugdreclassering vindt een GBM haalbaar, al zijn er nog een aantal dingen onduidelijk. Zo moet de dagbesteding nog verder geconcretiseerd worden en is het nog niet bekend of [instelling 3] bereid is [verdachte (voornaam)] opnieuw in behandeling te nemen nadat een eerdere behandeling vroegtijdig is beëindigd. [instelling 2] is inmiddels weer betrokken. De jeugdreclasseerder adviseert de ITB Harde Kern te verlengen voor de duur van 6 maanden. De op te leggen straf De bewezenverklaarde feiten zijn ernstige feiten. Vanwege die ernst kan eigenlijk niet volstaan worden met een andere straf dan een straf die vrijheidsbeneming meebrengt. Tegelijkertijd ziet de rechtbank bij [verdachte (voornaam)] de adviezen van de deskundigen en de daaruit blijkende noodzaak tot hulpverlening, behandeling en begeleiding. De rechtbank zal [verdachte (voornaam)] daarom nu niet terugsturen naar een jeugdgevangenis. Wel vindt de rechtbank het belangrijk dat [verdachte (voornaam)] zich voor langere tijd zal laten begeleiden en behandelen. Daarin is de geadviseerde GBM een geleidelijke weg. Binnen de GBM is ruimte voor vallen en opstaan, zonder dat de hulpverlening stagneert. Naast de GBM is een forse voorwaardelijke straf noodzakelijk om [verdachte (voornaam)] te motiveren uit de criminaliteit te blijven en mee te werken aan alle voorwaarden. De noodzaak van deze straf is ingegeven door het grote gebrek aan openheid – zowel tegen de rechtbank, als de psycholoog als justitie en politie. De advocaat van [verdachte (voornaam)] heeft verzocht zowel de GBM als een voorwaardelijke jeugddetentie in duur te matigen. Dit zal de rechtbank niet doen omdat de verwachting is dat [verdachte (voornaam)] de geadviseerde tijd nodig zal hebben om te leren omgaan met zijn emoties en agressie. Een kortere dan de op te leggen voorwaardelijke jeugddetentie zal [verdachte (voornaam)] mogelijk onvoldoende motiveren. Een forse voorwaardelijke straf is ook nodig als tegenwicht van eigenbelang. Uit de schorsingsperiode, uit het blijvende gebrek aan openheid van zaken en uit de door de politie afgeluisterde (OVC) gesprekken tussen [verdachte (voornaam)] en [medeverdachte (voornaam)] blijkt een mate van berekenbaarheid en eigenrichting. Dat baart de rechtbank zorgen en maakt juist die forse voorwaardelijke straf passend en geboden. Alles overwegende legt de rechtbank een GBM op voor de duur van 12 maanden. De rechtbank zal daarbij de voorwaarden zoals beschreven door de Raad overnemen en opleggen. Als [verdachte (voornaam)] niet naar behoren meewerkt aan de tenuitvoerlegging van de maatregel, zal deze vervangen worden door jeugddetentie voor de duur van 6 maanden. Naast de GBM legt de rechtbank een jeugddetentie op voor de duur van 210 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 129 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank is hierbij uitgegaan van een voorarrest van 81 dagen. Dit betekent dat [verdachte (voornaam)] dus niet meer terug hoeft naar de jeugdgevangenis, mits hij zich aan de voorwaarden zal houden. Aan de voorwaardelijke jeugddetentie is de algemene voorwaarde gekoppeld dat [verdachte (voornaam)] zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Ook zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad opleggen. Dadelijk uitvoerbaar Op basis van de bevindingen van de psycholoog en de Raad over het recidiverisico, is de kans groot dat, bij gebrek aan de juiste begeleiding en behandeling, [verdachte (voornaam)] opnieuw een strafbaar feit zal begaan gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Zowel de GBM als de (bijzondere) voorwaarden en het toezicht bij de voorwaardelijke jeugddetentie, zijn daarom dadelijk uitvoerbaar. Voorlopige hechtenis De rechtbank heft het geschorste bevel voorlopige hechtenis op. 6Vordering benadeelde partij 6.1. Vordering van de benadeelde partij(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.