Rechtbank Midden-Nederland – ECLI:NL:RBMNE:2025:4853
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/603 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2025 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. J.C.J.E. Allein Richir), en De minister van Financiën (gemachtigde: mr. drs. T.G.H. Spruyt).
Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de gedeeltelijke afwijzing van haar verzoek van 18 november 2022 om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet open overheid (Woo). Eiseres verzoekt om openbaarmaking van alle documenten die zijn gebruikt bij de totstandkoming van de “Bijlage Gefingeerd Voorbeeld Beoordelingskader CWS voor immateriële schadevergoeding” en die genoemd zijn in de “12de-Voortgangsrapportage hersteloperatie toeslagen” (hierna: de Voortgangsrapportage). Daarnaast verzoekt eiseres om specifieke informatie met betrekking tot de inhoud van de “Bijlage Gefingeerd Voorbeeld Beoordelingskader CWS voor immateriële schadevergoeding.”
1.1.
De minister heeft vijftien documenten aangetroffen die onder de reikwijdte van het verzoek vallen. Bij primair besluit van 8 juni 2023, heeft de minister met toepassing van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder, e, van de Woo (het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer) openbaarmaking van documentnummers 1, 3, 5, 6, 7 en 9 deels geweigerd en openbaarmaking van documentnummers 10 tot en met 15 integraal geweigerd.
Met toepassing van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo (het belang van het goed functioneren van de Staat), heeft de minister openbaarmaking van documentnummers 3 en 6 deels geweigerd en openbaarmaking van documentnummers 2, 4 en 8 integraal geweigerd.
1.2.
Met het bestreden besluit van 18 december 2023 (bestreden besluit 1) op het bezwaar van eiseres is de minister bij dat besluit gebleven.
1.3.
De minister heeft op beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Met de beslissing op bezwaar van 30 januari 2025 (bestreden besluit 2) heeft de minister het bestreden besluit 1 gewijzigd door een passage uit document 2 die eerder niet openbaar was gemaakt, alsnog openbaar te maken.
1.5.
De minister heeft de stukken waarvan openbaarmaking is geweigerd, overgelegd met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb is van rechtswege verleend.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
1.7.
Op zitting is afgesproken dat de minister documenten 3 en 6 nogmaals aan de hand van de bezwaargronden zal beoordelen. De afspraken zijn vastgelegd in een verkort proces-verbaal. De minister heeft vervolgens met zijn beslissing van 5 maart 2025 (bestreden besluit 3) het bestreden besluit 1 nogmaals gewijzigd en documenten 3 en 6 openbaar gemaakt met uitzondering van persoonsgegevens van ambtenaren en de op zitting genomen beslissing dat documenten 4 en 8 openbaar gemaakt zullen worden, bevestigd.
1.8.
Eiseres heeft geen gebruik gemaakt van haar recht om op het gewijzigde besluit te reageren.
1.9.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat die zitting achterwege blijft en heeft op 8 mei 2025 het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt de gedeeltelijke openbaarmaking van informatie op grond van de Woo. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Omvang van het geschil 4. De minister heeft met bestreden besluit 2 en 3 alsnog documenten 2, 3, 4, 6 en 8 openbaar gemaakt en is hiermee tegemoet is gekomen aan de gronden van eiseres voor zover die gericht waren tegen de weigering deze documenten openbaar te maken. Voor het overige is de minister bij zijn weigering gebleven. De rechtbank stelt vast dat de gronden van eiseres alleen nog zien op het volgende:
Heeft de minister de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder, e van de Woo ('eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer) juist toegepast?
Beoordeling 7. Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo blijft het openbaar maken van informatie achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
De rechtbank stelt vast dat deze adviezen persoonlijke informatie bevatten waardoor aannemelijk is dat deze op zichzelf en in onderlinge samenhang bezien, zeker in de kring van personen die dichtbij de betreffende ouder staat, herleidbaar is. Dit omvat ook de in de adviezen genoemde bedragen, juist omdat een specifiek bedrag een identificeerbaar gegeven is en te meer nog in combinatie met eventuele andere bronnen. Een niet onbelangrijke rol speelt hierin ook, dat het gaat om een weliswaar grote, maar wel afgebakende groep van personen, die in aanmerking is gekomen voor immateriële schadevergoeding. De rechtbank stelt vast dat als de minister de indirecte tot de persoon herleidbare informatie weglakt er geen relevante informatie overblijft.
Heeft de minister een voldoende zoekslag gemaakt?
En volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust.
Conclusie en gevolgen 16. Het beroep is gegrond, omdat de minister na het bestreden besluit meer documenten openbaar heeft gemaakt. De besluiten komen voor vernietiging in aanmerking behoudens voor zover het de weigering van de (gedeeltelijke) openbaarmaking van de documenten 9 t/m 15 betreft. De rechtbank verwijst hiervoor naar de in 7 tot en met 15 opgenomen overwegingen.
Beslissing De rechtbank: het beroep is gegrond; vernietigt de bestreden besluiten behoudens voor zover het betreft de weigering van de (gedeeltelijke) openbaarmaking van de documenten 9 t/m 15; draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Artikel 5.1, tweede lid, van de Woo bepaalt: “Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: (…) e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer: (…) i. het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen, of bestuursorganen.
Artikel 8:29, zesde lid, van de Awb ECLI:NL:RBROT:2024:6823 Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2622, 7 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2361 en 30 september 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ8937.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP2799 Kamerstukken II 2013/14, 33328, nr. 22 Dit volgt onder meer uit artikel 3.3. van het Procesreglement van CWS waarin leden van CWS en betrokken medewerkers tot geheimhouding zijn verplicht op grond van artikel 2:5 van de Algemene wet bestuursrecht.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:367 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2689