← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:4874

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/60 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. D.D. Pietersz), en Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht (gemachtigde: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ). Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de definitieve berekening van zijn huurtoeslag over
  2. 1.
  3. Met het primaire besluit van 4 augustus 2023 heeft Dienst Toeslagen de huurtoeslag over 2022 definitief vastgesteld op € 2.910 en daarbij vastgesteld dat eiser € 1.151,- moet terugbetalen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. 1.
  4. Met het bestreden besluit van 27 december 2023 op het bezwaar van eiser is Dienst Toeslagen bij dat besluit gebleven. Eiser heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld. 1.
  5. Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
  6. Eiser heeft een nader stuk ingebracht. Het betreft een besluit van de staatssecretaris van Financiën, Toeslagen en Douane van 25 november 2024, waarin eisers verzoek om toepassing van de hardheidsclausule ten aanzien van de vaststelling van de huurtoeslag over 2022 en de terugvordering van reeds verstrekte voorschotten, wordt afgewezen. 1.
  7. De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, [A] (de dochter van eiser) en de gemachtigden van Dienst Toeslagen. Totstandkoming van het besluit
  8. Eiser en zijn echtgenote huren de woning aan de [adres] te [plaats] ( [woonplaats] ) sinds 26 september 2016 van Stichting [woningcorporatie] ( [woningcorporatie] ). De kale huurprijs van de woning bedraagt € 621,99 per maand. Op basis van een rekenhuur van € 645,99 heeft Dienst Toeslagen met het besluit van 28 december 2021 een voorschot huurtoeslag voor 2022 toegekend van € 4.051,-
  9. Eiser heeft in 2021 bij de kantonrechter huurprijsvermindering gevorderd, omdat zij sinds 2017 last hebben van ongedierte in huis als gevolg van problemen met de leidingen en [woningcorporatie] deze problemen, ondanks hiertoe meermaals te zijn gesommeerd, niet structureel heeft verholpen. Bij verstekvonnis van 8 september 2021 is deze vordering toegewezen. Bij vonnis in verzet van 4 mei 2022 is, opnieuw beslissend, de huurprijs met ingang van 13 januari 2021 met 50% verminderd totdat het gebrek is hersteld.
  10. Met het primaire besluit van 4 augustus 2023 heeft Dienst Toeslagen de huurtoeslag over 2022 definitief vastgesteld op € 2.910, omdat de rekenhuur van in de periode van juli tot en met november 2022 is verlaagd. Volgens Dienst Toeslagen bedroeg de kale huurprijs: van januari 2022 tot juni 2022 € 621,99 (rekenhuur € 645,99,-); van juli 2022 tot november 2022 € 318,25,- (rekenhuur € 342,15); en in december 2022 € 636,30,- (rekenhuur € 660,30).
  11. Eiser is het niet met het primaire besluit eens. De tijdelijke verlaging van het huurbedrag mag niet in mindering worden gebracht op de rekenhuur, omdat dit een immateriële schadevergoeding betreft. In de beslissing op bezwaar verklaart Dienst Toeslagen dit bezwaar ongegrond. Beoordeling door de rechtbank
  12. De rechtbank beoordeelt de vraag of Dienst Toeslagen de huurtoeslag over 2022 op juiste gronden heeft vastgesteld op € 2.910,-. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
  13. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Is Dienst Toeslagen uitgegaan van een juiste rekenhuur?
  14. Eiser stelt zich op het standpunt dat Dienst Toeslagen de huurtoeslag verkeerd heeft berekend, omdat de tijdelijke huurvermindering niet als een aanpassing van de rekenhuur moet worden gezien, maar als een immateriële schadevergoeding voor gederfd woongenot. Dit volgt volgens eiser uit de vonnissen van de kantonrechter. Om deze reden moest Dienst Toeslagen bij het vaststellen van de huurtoeslag over 2022, voor alle maanden uitgaan van de ‘oude’ huurprijs namelijk € 621,99 per maand.
  15. In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet op de huurtoeslag (Wht) wordt onder de huurprijs verstaan de prijs die bij huur en verhuur is verschuldigd voor het enkele gebruik van een woning. De hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk is van de rekenhuur. De rekenhuur is de huurprijs die de huurder per maand is verschuldigd, vermeerderd met een bedrag voor door de huurder verschuldigde servicekosten.
  16. De rechtbank overweegt als volgt. In het dictum van het vonnis van 4 mei 2022 is letterlijk vermeld dat de huurprijs met 50% wordt verminderd. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat dit anders moet worden begrepen dan wat de Wht onder de huurprijs verstaat. Voor zover eiser stelt dat het als een immateriële schadevergoeding moet worden gezien, volgt de rechtbank dat niet. In het voormelde vonnis is hierover uitdrukkelijk overwogen dat eiser niet heeft aangetoond dat sprake is van een ‘aantasting in de persoon’ in de zin van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, wat daarvoor vereist is. Dat in dit kader in het vonnis ook is overwogen dat de huurprijsvermindering ‘ook al een vorm van schadevergoeding is’, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat geen sprake is van vermindering van de huurprijs in de zin van de Wht. De Dienst Toeslagen heeft daarom de vermindering terecht betrokken in de berekening van de hoogte van de huurtoeslag. De beroepsgrond slaagt niet. Moest Dienst Toeslagen afzien van terugvorderen?
  17. Eiser heeft aangevoerd dat nu de staatssecretaris van Financiën de hardheidsclausule niet heeft toegepast, in deze zaak nadrukkelijk opnieuw moet worden beoordeeld of de invordering niet onevenredig is met de nadelige gevolgen ervan. Dienst Toeslagen had volgens eiser in alle feiten en omstandigheden redelijkerwijs aanleiding moeten zien om van terugvordering af te zien. Door het aanpassen van de huurtoeslag als gevolg van huurverlaging wegens dit soort gebreken, wordt het huurders van sociale huurwoningen onmogelijk gemaakt om deze gebreken aan de orde te stellen. De vordering die eiser bij de kantonrechter heeft ingesteld, is nu in wezen zinledig geworden.
  18. Op grond van artikel 26, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen is het uitgangspunt dat Dienst Toeslagen het volledige bedrag terugvordert in het geval van herziening. Dienst Toeslagen kan van volledige terugvordering afzien, indien de nadelige gevolgen van de terugvordering onevenredig zijn ten opzichte van de te dienen doelen van de volledige terugvordering. In het Verzamelbesluit Toeslagen zijn beleidsregels over de discretionaire terugvordering van toeslagen vastgesteld. Hierin is vermeld dat alleen bijzondere omstandigheden zich kunnen verzetten tegen gehele terugvordering. Als bij de aanwezigheid van dergelijke omstandigheden gehele terugvordering onevenredig is, kan worden afgezien van de terugvordering of kan het bedrag van de terugvordering worden gematigd.
  19. De rechtbank is van oordeel dat Dienst Toeslagen in het bestreden besluit heeft mogen vinden dat in dit geval geen sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat de terugvordering moet worden gematigd. Hierbij is van belang dat het uitgangspunt is, bij de toekenning van toeslagen, dat aan betrokkenen een bedrag wordt betaald, omdat de vaste lasten, afgezet tegen het genoten inkomen en eventueel vermogen, als onevenredig hoog worden beschouwd. In dit geval zijn de vaste lasten in de vorm van de huurprijs verminderd en is, zoals hiervoor is overwogen, geen sprake van een (immateriële) schadevergoeding, waardoor het niet onredelijk is dat ook de toeslag wordt aangepast. Verder is geen sprake van de situatie dat eiser er in het geheel niet op vooruit is gegaan. De toeslag is slechts verminderd naar aanleiding van de lagere rekenhuur en Dienst Toeslagen heeft ook pas vanaf 1 juli 2022 de rekenhuur aangepast, terwijl de huurkorting al vanaf januari 2021 gold. Ten slotte ziet de rechtbank, mede nu nog steeds sprake is van financieel voordeel, ook geen reden om aan te nemen dat het als gevolg van het niet matigen van de terugvordering in dit soort gevallen, voor huurders onmogelijk wordt om deze gebreken aan de orde te stellen. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen
  20. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat Dienst Toeslagen de huurtoeslag over 2022 juist heeft berekend. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 19 juni
  21. De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 21 van de Wht Artikel 5, eerste lid en onder a van de Wht.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.