RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/64 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 augustus 2025 in de zaak tussen [verzoekster] , uit ( [woonplaats] ) Curaçao, verzoekster (gemachtigde: mr. S. Arakelyan), en Dienst Toeslagen, verweerder(gemachtigde: [gemachtigde] ). Inleiding Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. Verzoekster heeft beroep ingesteld op 7 januari 2025, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 27 december 2023 tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. In het verweerschrift van 16 januari 2025 heeft verweerder te kennen gegeven dat het beroep terecht is ingesteld en dat verweerder daarom bereid is het griffierecht en een proceskostenvergoeding te betalen. Op 10 juni 2025 zijn partijen een vaststellingsovereenkomst overeengekomen. Verzoekster heeft het beroep daarna ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten en het griffierecht. Verweerder heeft op 22 juli 2025 gereageerd op dit verzoek met de mededeling akkoord te gaan met een veroordeling in de proceskosten en vergoeding van het griffierecht. Overwegingen
- Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan eiseres) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
- Niet in geschil is dat verweerder te laat is met het nemen van een besluit op het bezwaar van eiseres. Dit heeft verweerder erkend in het verweerschrift van 16 januari
- Omdat verzoekster terecht in beroep is gekomen wegens het niet tijdig nemen van een besluit, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- met een wegingsfactor 0,
- Toegekend wordt € 453,
- Uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden. Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 453,
- Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus
- de griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.