RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Lelystad Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/7954 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 september 2025 in de zaak tussen [eiser 1] , uit [plaats] , [eiser 2] , uit [plaats] , [eiser 3] , uit [plaats] , [eiser 4] , uit [plaats] , [eiser 5] , uit [plaats] , [eiser 6] , uit [plaats] , [eiser 7] , uit [plaats] , [eiser 8] , uit [plaats] , [eiser 9] , uit [plaats] , [eiser 10] , uit [plaats] , [eiser 11] , uit [plaats] , [eiser 12] , uit [plaats] , [eiser 13] , uit [plaats] , [eiser 14] , uit [plaats] , [eiser 15] , uit [plaats] , [eiser 16] , uit [plaats] , [eiser 17] , uit [plaats] , [eiser 18] , uit [plaats] , [eiser 19] , uit [plaats] , [eiser 20] , uit [plaats] , Eisers, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere (gemachtigde: mr. L.A. Sluiter). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [plaats] (vergunninghouder) (gemachtigde: mr. T. Gelo). Inleiding [vergunninghouder] (vergunninghouder) heeft op 16 juni 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het aanleggen van vier padelbanen op twee oude tennisbanen op het adres. Met het besluit van 2 oktober 2023 heeft het college de omgevingsvergunning verstrekt. Op 19 november 2023 is bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 28 oktober 2024 op het bezwaar heeft het college het bezwaarschrift van [eiser 1] niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij niet als belanghebbende aangemerkt kon worden. Het college heeft hierbij het advies van de bezwaarschriftencommissie van 10 juli 2024 overgenomen. [eiser 1] heeft, namens zichzelf en anderen, beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en aanvullende gronden ingediend. [eiser 1] heeft nadien getekende machtigingen overgelegd. Vergunninghouder heeft zienswijzen ingediend. Het college heeft gereageerd met een verweerschrift. Eisers hebben nadien aanvullende gronden ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van vergunninghouder. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep van [eiser 1] ongegrond en de beroepen van de overige eisers niet-ontvankelijk. Overwegingen[eiser 1] Het college heeft terecht het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard, omdat [eiser 1] geen belanghebbende is. Alleen belanghebbenden kunnen bezwaar maken en beroep instellen. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Volgens vaste rechtspraak is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit, als die gevolgen van enige betekenis zijn. Hemelsbreed zit er meer dan 6 km tussen het terrein van [vergunninghouder] en het huis van eiser [eiser 1] . [eiser 1] woont in [woonplaats] , terwijl de vereniging in Almere Buiten zit. Tussen het sportpark en de woning liggen meerdere woonwijken, scholen en onder andere een snelweg. Dat [eiser 1] feitelijke gevolgen van enige betekenis zal ondervinden is niet aannemelijk geworden. [eiser 1] heeft toegelicht dat hij als inwoner van de gemeente Almere geraakt wordt door het feit dat de gemeente Almere geen uniform beleid toepast over padelbanen. Hij woont zelf ook naast een tennisvereniging en is bang dat daar óók padelbanen toegestaan zullen worden. Deze vrees is echter niet genoeg om aan te nemen dat [eiser 1] rechtstreeks en persoonlijk betrokken is bij het besluit wat nu voorligt. Of de padelbanen in Almere Buiten er nou komen of niet, [eiser 1] merkt daar niks van. Mocht de tennisvereniging bij [eiser 1] in de wijk in de toekomst soortgelijke plannen ontwikkelen, dan is dat het besluit waartegen hij desgewenst op zal moeten komen. Het college heeft het bezwaar van [eiser 1] daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij geen belanghebbende is bij de verleende omgevingsvergunning. Het beroep van [eiser 1] is daarom ongegrond.Het beroep van [eiser 15] , [eiser 16] , [eiser 17] , [eiser 18] , [eiser 19] en [eiser 20] De in artikel 8:1, in samenhang met de artikelen 6:7 en 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), neergelegde regeling met betrekking tot de beroepstermijn brengt met zich dat de identiteit van degene(n) namens wie beroep wordt ingesteld, voor afloop van de beroepstermijn kenbaar moet zijn. De beslissing op bezwaar is verzonden op 29 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.