RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats: Utrecht Parketnummer: 16.410289.24 Tegenspraak Vonnis van de meervoudig kamer van 9 oktober 2025 in de strafzaak van: [verdachte] , geboren op [2003] in [geboorteplaats] , ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats] , gedetineerd in de [verblijfplaats] , hierna: de verdachte. 1Zitting De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 25 september 2025. Op de zitting waren aanwezig: de verdachte; de officier van justitie: mr. E. Wiersma; de advocaat van de verdachte: mr. L.E. Toet; de benadeelde partij: [slachtoffer] . 2Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat: op 19 december 2024 in Houten, samen met een anderen, met geweld en/of bedreiging met geweld meerdere pakketten met waardevolle goederen van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en een portemonnee (met inhoud) en sleutelbos van [slachtoffer] heeft weggenomen. De volledige tekst van de op de zitting gewijzigde beschuldiging staat in bijlage 1 bij dit vonnis. 3Bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3. 3.2. Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het feit wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De advocaat van de verdachte voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3. 3.3. Oordeel van de rechtbank 3.3.1. Bewijsmiddelen De rechtbank oordeelt dat het feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen: Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudende: Op 19 december 2024 was ik op het depot in [slachtoffer] . Ik bezorg pakketjes voor [bedrijf 2] . Omstreeks 07:10 uur ben ik vertrokken vanaf het depot. Op het moment dat ik op de Laagravenseweg ter hoogte van de eerste verkeerslichten reed zag ik dat er aan de linkerzijde van mijn voertuig een zwarte Audi voorbij kwam en voor mij stil ging staan. Ik zag dat er in rode letters: ‘politie volgen’ stond in de achterruit van het voertuig. Ik ben het voertuig gevolgd de Houtenseweg op richting Houten. Ik zag dat het voertuig ter hoogte van de [straat] (de rechtbank begrijpt: [adres] voor mij stopte. Ik zag dat aan de bijrijders zijde van het voertuig een donker persoon uitstapte en op mij af kwam lopen. Ik zag dat deze persoon aan de bestuurszijde van mijn voertuig kwam staan. Ik hoorde dat de man zei dat hij van de politie was en vroeg naar mijn rijbewijs of identiteitskaart omdat hij het moest controleren. Ik gaf hierop mijn rijbewijs en kentekenbewijs van het voertuig aan deze man en zag dat hij terugliep naar de auto. Ik zag dat de man na ongeveer één minuut terug kwam lopen naar mijn bus. Ik hoorde dat de man zei dat ik uit het voertuig moest komen om de pakketjes te controleren. Ik opende de achterzijde van de bus. Ik zag dat op het moment dat ik de deuren opende nog een persoon via de rechterzijde van mijn bus aan kwam lopen. Op het moment dat deze man erbij stond zag en voelde ik dat hij mij de bus in duwde. Ik lag op mijn rug. Ik zag en voelde dat de donkere man mij vasthield aan mijn handen en duwde tegen mijn borst. Ik zag dat de donkere man iets bij zijn broeksband vandaan haalde. Ik zag dat het een soort zakdoek was. Ik zag dat de man de zakdoek openvouwde en een gun liet zien die in de zakdoek zat. Ik denk dat het een echt vuurwapen was. Ik hoorde dat de donkere man vroeg of ik geld had. Ik zag dat de andere man de pakketjes uit de bus aan het pakken was. Ik zag dat de donkere man mijn polsen aan elkaar vast maakte met een witte tie-wrap. Ik zag dat de donkere man naar de voorkant van de bus liep. Ik zag dat de andere man nog steeds naast mij stond. Ik zag dat de donkere man terug kwam en hoorde dat hij zei dat ik tien minuten moest wachten in de laadruimte van mijn bus. Ik zag dat de donkere man de achterste deuren van de bus dicht deed. Ik zag dat mijn portemonnee weg was. In mijn portemonnee zat 240 euro aan contant geld. Ik zag dat de sleutel van mijn bus ook weg was. Proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever, voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudende: De donkere man zei mij dat als ik ging bewegen dat ik geschoten zou worden. Proces-verbaal van onderzoek op de plaats delict ( [adres] in Houten), voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudende: In de bus op de bijrijdersstoel zagen wij een witte tie-wrap. Naast de bus onder de pion troffen wij een ongebruikte witte tie-wrap. In de politiebus werd het slachtoffer verder onderzocht. Wij zagen aan de huid van de polsen rode striemen, vermoedelijk van de tie-wrap. De volgende sporen en sporendragers werden veiliggesteld: Spoornummer: PL0900-2024401458-211635 SIN: AAPD7644NL Spooromschrijving: epitheel Plaats veiligstellen: bemonstering linker en rechter arm slachtoffer Spoornummer: PL0900-2024401458-3454985 SIN: AAPD7645NL Object: kabelbinder Bijzonderheden: tie-wrap waarmee slachtoffer vast gebonden was Spoornummer: PL0900-2024401458-3454994 SIN: AAPD7647NL Object: kabelbinder Bijzonderheden: tie-wrap ongebruikt, lag naast de bus op de grond Rapport van het NFI betreffende DNA-onderzoek, voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudende: Bemonstering: AAPD7644NL#02 (rechterarm slachtoffer) DNA kan afkomstig zijn van: minimaal drie personen: - slachtoffer [slachtoffer] - [verdachte] ; bewijskracht: meer dan 1 miljard - minimaal één onbekende persoon Bemonstering AAPD7645NL#01 (uiteinde kabelbinder) DNA kan afkomstig zijn van: minimaal twee personen: - slachtoffer [slachtoffer] - [verdachte] ; bewijskracht: ongeveer 55 miljoen AAPD7644NL#02 (rechterarm slachtoffer) Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van drie personen. Tevens is aangenomen dat slachtoffer [slachtoffer] één van de donoren is. DNA-meng profiel AAPD7644NL#02 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer] , [verdachte] en een willekeurige onbekende persoon, dan wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer] en twee willekeurige onbekende personen. AAPD7645NL#01 (uiteinde van de kabelbinder) Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van twee personen. Tevens is aangenomen dat slachtoffer [slachtoffer] één van de donoren is. DNA-mengprofiel AAPD7645NL#0l is ongeveer 55 miljoen keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer] en [verdachte] , dan wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer] en een willekeurige onbekende persoon. Rapport van het NFI betreffende DNA-onderzoek, voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudende: Bemonstering: AAPD7647NL#0l (gehele kabelbinder, aangetroffen naast de bus op de grond) DNA kan afkomstig zijn van: minimaal één persoon - [verdachte] ; bewijskracht: meer dan 1 miljard Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van één persoon. DNA-profiel AAPD7647NL#0l is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van [verdachte] , dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige onbekende persoon. Rapport van het NFI betreffende DNA-onderzoek, voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudende: Bemonstering: AAPD7644NL#0l (linker arm slachtoffer) DNA kan afkomstig zijn van: minimaal vier personen: een relatief grote hoeveelheid DNA: - slachtoffer [slachtoffer] een relatief kleine hoeveelheid DNA: - [verdachte] ; bewijskracht: ongeveer 120 miljoen - minimaal twee onbekende personen Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van verdachte [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van vier personen. Tevens is aangenomen dat slachtoffer [slachtoffer] één van de donoren is. DNA-meng profiel AAPD7644NL#0l is ongeveer 120 miljoen keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer] , verdachte [verdachte] en twee willekeurige onbekende personen, dan wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer] en drie willekeurige onbekende personen. 3.3.2. Bewijsoverwegingen De rechtbank stelt op grond van de combinatie van de aangetroffen DNA-sporen vast dat de verdachte één van de overvallers is geweest die [slachtoffer] die ochtend heeft overvallen, te weten ‘de donkere man’ waar [slachtoffer] in zijn aangifte over spreekt. Het DNA-onderzoek van het NFI heeft tot de volgende resultaten geleid. Op zowel de rechter- als de linkerarm van [slachtoffer] is een DNA-profiel aangetroffen dat overeenkomt met het DNA-profiel van de verdachte. Voor het DNA-profiel dat op de rechterarm van [slachtoffer] is aangetroffen geldt dat het meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer het DNA afkomstig is van het slachtoffer, de verdachte en een willekeurige onbekende persoon, dan wanneer het DNA afkomstig is van het slachtoffer en twee willekeurige onbekende personen. Voor het DNA-profiel dat op de linkerarm van [slachtoffer] is aangetroffen geldt dat het ongeveer 120 miljoen keer waarschijnlijker is wanneer het DNA afkomstig is van het slachtoffer, de verdachte en twee willekeurige onbekende personen, dan wanneer het DNA afkomstig is van het slachtoffer en drie willekeurige onbekende personen. Er is ook een DNA-profiel aangetroffen dat overeenkomt met het DNA-profiel van de verdachte op twee op de plaats delict aangetroffen tie-wraps, waarvan er één is gebruikt om het slachtoffer vast te binden. Voor het DNA-profiel op laatstgenoemde tie-wrap geldt dat het ongeveer 55 miljoen keer waarschijnlijker is wanneer het DNA afkomstig is van het slachtoffer en de verdachte, dan wanneer het DNA afkomstig is van het slachtoffer en een willekeurige onbekende persoon. Voor het DNA-profiel op de andere kabelbinder geldt dat meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer het DNA afkomstig is van de verdachte, dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige onbekende persoon. De rechtbank concludeert hieruit, met inachtneming van de rest van het dossier, dat verdachte de donor is van het aangetroffen DNA. Gelet op de plaats van het aantreffen van deze sporen, merkt de rechtbank deze aan als dadersporen. De uitkomst van dit voor verdachte zeer belastend forensisch bewijsmateriaal schreeuwt dan ook om een verklaring. De advocaat van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het DNA van de verdachte is aangetroffen op verplaatsbare objecten en dat de verdachte de tie-wraps mogelijk op een ander moment heeft vastgehad. De verklaring van de verdachte ‘dat hij wel eens tie-wraps heeft vastgehad’ is echter geen verklaring voor hoe zijn DNA op deze specifieke, bij het delict gebruikte, tie-wraps en bovendien op de armen van [slachtoffer] terecht is gekomen. De rechtbank schuift deze verklaring dan ook terzijde en komt tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde zoals hieronder is weergegeven. 3.4. Bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte: op 19 december 2024 te Houten, tezamen en in vereniging met een ander, - één of meerdere pakketten met waardevolle goederen en - een portemonnee (met inhoud) en - een sleutel,die geheel of ten dele aan [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of [slachtoffer] toebehoorden,heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] ,gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, door- met een personenauto voor de bus van die [slachtoffer] te rijden en in de achterruit het signaal 'politie volgen' te tonen en die [slachtoffer] te volgen en tot stoppen te manen en - vervolgens aan te geven de laadruimte van die bus te willen controleren en - vervolgens die [slachtoffer] in de laadruimte van de bus te duwen en die [slachtoffer] bij zijn handen/polsen vast te houden en op zijn borst te duwen en - vervolgens die [slachtoffer] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te tonen en een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer] te richten en daarbij te zeggen dat als hij, [slachtoffer] , zou bewegen, hij beschoten zou worden en - de polsen van die [slachtoffer] met tie-wraps aan elkaar vast te maken en - vervolgens de deur van de laadruimte dicht te doen, waarna hij, verdachte en zijn mededader vertrokken. De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet. 4Kwalificatie en strafbaarheid 4.1 Kwalificatie Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. 4.2 Strafbaarheid feit en verdachte Het feit en de verdachte zijn strafbaar. 5Straf 5.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarden kort gezegd: een meldplicht bij de reclassering, begeleid wonen, meewerken aan middelencontrole, dagbesteding en meewerken aan schuldhulpverlening. 5.2. Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte heeft aangevoerd dat de eis van de officier van justitie te hoog is en verzoekt de rechtbank om niet een straf op te leggen die twee keer zo hoog is als het uitgangspunt voor dit soort feiten zoals opgenomen in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarnaast heeft de advocaat van de verdachte verzocht een deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen met de voorwaarden van de reclassering, met uitzondering van de ambulante behandeling omdat de toelichting daarop te summier is en het daarom niet duidelijk is waar die behandeling op zou moeten zien en waarom die nodig is. 5.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden op, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank verbindt daaraan de voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd; dat geldt ook voor de ambulante behandeling. Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee. Ernst en omstandigheden van het feit De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een gewapende overval op [slachtoffer] . [slachtoffer] , die als koerier van waardevolle pakketten (waaronder mobiele telefoons en juwelen) in zijn bus reed, is door de verdachte en zijn mededader, die zich voordeden als politie, gestopt. Vervolgens heeft de verdachte [slachtoffer] vastgebonden met tie-wraps en een vuurwapen (of iets wat daarop lijkt) op hem gericht, zodat zijn mededader de pakketten uit de bus kon wegnemen. Ook is de portemonnee (met inhoud) van [slachtoffer] weggenomen uit de bus. Uiteindelijk hebben ze [slachtoffer] met tie-wraps om in de laadruimte van de bus achtergelaten. Uit het dossier komt naar voren dat de verdachte hierbij een leidende rol had. De verdachte is ook diegene die het meeste geweld heeft gebruikt en het wapen op [slachtoffer] heeft gericht. Door zo te handelen, hebben de verdachte en zijn mededader een enorm angstaanjagende situatie gecreëerd voor [slachtoffer] , die gewoon aan het werk was. Zoals uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer] is gebleken, heeft de overval een enorme impact op zijn leven (gehad) en kan hij zijn werk niet meer doen zoals voorheen. Een dergelijke overval maakt niet alleen een grove inbreuk op het gevoel van veiligheid voor het slachtoffer, maar heeft doorgaans ook impact op mensen uit de wijk en de samenleving als geheel. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 27 mei 2025, waaruit blijkt dat hij zich recent (in 2021 en in 2023) schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een straatroof. De rechtbank weegt dit in strafverzwarende zin mee. De rechtbank heeft daarnaast gekeken naar het reclasseringsadvies van 16 september 2025, opgesteld door M. Goldstein, reclasseringswerker. Hieruit volgt dat de reclassering wegens de ontkennende proceshouding geen delictgerelateerde factoren kan aanwijzen. De verdachte komt sinds vijftienjarige leeftijd bij justitie en politie in beeld en volgens de reclassering is sprake van een delictpatroon aangaande (onder meer) geweldsmisdrijven. Tevens komt de verdachte in beeld voor vermogensdelicten en zijn er meerdere delicten in vereniging gepleegd. De reclassering stelt dat bij een bewezenverklaring niet uit te sluiten is dat de financiën van de verdachte en zijn sociaal netwerk van invloed zijn geweest op het delictgedrag. Gezien wordt dat, ondanks verschillende trajecten van ondersteuning en aanmoediging, instabiliteit op meerdere leefgebieden al langere tijd voortduurt en de verdachte altijd keuzes lijkt te maken die leiden tot politie- en justitiecontact. Op basis van het delictverleden van de verdachte en de voortdurende instabiliteit op de verschillende leefgebieden ziet de reclassering risico’s voor toekomstig delictgedrag. De reclassering schat het recidiverisico dan ook in als hoog. De reclassering vindt een plan van aanpak geïndiceerd en adviseert een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, meewerken aan middelencontrole, dagbesteding en meewerken aan schuldhulpverlening. Strafkader Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor meerderjarigen voor een overval op een transport gaat uit van een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden. Als strafverzwarende omstandigheid neemt de rechtbank mee dat de overval in samenwerkingsverband plaatsvond en dat de verdachte al eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Verder weegt de rechtbank mee dat de verdachte en zijn mededader zich voor hebben gedaan als politieagenten en de verdachte een vuurwapen op het slachtoffer heeft gericht. Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden op, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank verbindt daaraan de voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd; dat geldt ook voor de ambulante behandeling. Tenuitvoerlegging van de straf De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend. 6Vordering benadeelde partij 6.1. Vordering van de benadeelde partij(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.