← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:5273

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/196323-24 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 22 januari 2025 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1982] in [geboorteplaats] , wonende aan [adres 1] , [postcode 1] in [woonplaats] , thans verblijvende in [locatie 1] in [plaats 1] , hierna: verdachte. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 januari

  1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. S. Mirshahi en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. N.M. van Wersch, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: op 15 juni 2024 in Amersfoort heeft geprobeerd zijn moeder, [slachtoffer] , van het leven te beroven door haar keel dicht te drukken, haar hoofd hard tegen de muur te duwen en haar bij de kaak vast te pakken; Subsidiair is dit feit ten laste gelegd als een poging tot zware mishandeling; feit 2: in de periode van 2 juni 2024 tot en met 5 juni 2024 in Amersfoort zijn moeder, [slachtoffer] , heeft bedreigd per mail; feit 3: in de periode van 1 juli 2023 tot en met 15 juni 2024 in Amersfoort zijn moeder, [slachtoffer] , heeft gestalkt door haar dreigende berichten per mail te sturen, naar haar adres te gaan en zich in haar omgeving op te houden. 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken onder paragraaf 4.
  2. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman bepleit vrijspraak van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde, onder meer omdat er geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet op de dood of op zwaar lichamelijk letsel. Ten aanzien van feit 2 en feit 3 refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank. De standpunten van de verdediging worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken onder paragraaf 4.
  3. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Vrijspraak feit 1 primair en subsidiair De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het door verdachte dichtknijpen van de keel van aangeefster gericht is geweest op de dood. Dit wordt ondersteund door de eerdere bedreigingen die verdachte richting aangeefster heeft gedaan. De verdediging voert aan dat geen aanmerkelijke kans op de dood of op zwaar lichamelijk letsel kan worden vastgesteld, omdat over de duur en intensiteit van het dichtknijpen van de keel geen duidelijkheid bestaat. De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier vaststaat dat verdachte aangeefster, zijn moeder, op enig moment bij de keel heeft vastgepakt en tegen de muur heeft geduwd. De rechtbank acht echter niet bewezen dat verdachte hiermee willens en wetens heeft geprobeerd om zijn moeder te doden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of verdachte in voorwaardelijke zin opzet had op de dood of op zwaar lichamelijk letsel. Hiervoor is allereerst vereist dat verdachte met zijn handelen een aanmerkelijke kans op de dood of op zwaar lichamelijk letsel in het leven heeft geroepen. De rechtbank is van oordeel dat het bewijs hiervoor ontbreekt. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om iets te kunnen zeggen over de kracht en de intensiteit waarmee verdachte aangeefster bij de keel heeft gepakt of over hoe lang dat heeft geduurd. De politie heeft ter plaatse geen letsel waargenomen in de hals van aangeefster, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat verdachte veel druk op haar keel heeft uitgeoefend. Daarbij heeft aangeefster verklaard dat er niet een moment is geweest waarop zij niet meer kon ademen. Het dossier bevat voorts onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat het duwen van het hoofd van aangeefster tegen de muur en het bij haar kaak pakken van dien aard is geweest dat daardoor een aanmerkelijke kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel in het leven is geroepen. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet kan worden geconcludeerd dat de aanmerkelijke kans bestond dat verdachte aangeefster zou doden of zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Dat betekent dat ook voorwaardelijke opzet op de dood of op zwaar lichamelijk letsel niet kan worden aangenomen, zodat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. Bewezenverklaring feit 2 en feit 3 De feiten zijn door verdachte begaan. Verdachte heeft het onder 2 en 3 ten laste gelegde bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor deze feiten bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen: de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 januari 2025; een geschrift, te weten een niet juist ondertekend proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 8 april 2024, genummerd PL0900-2024109457-2, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, doorgenummerde pagina 13-16 van het proces-verbaal van 24 juni 2024, genummerd PL0900-2024197869, pagina 1-
  4. een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 20 juni 2024, genummerd PL0900-2024194478-2, doorgenummerde pagina 36-45 van het proces-verbaal van 24 juni 2024, genummerd PL0900-2024197869, pagina 1-
  5. Een proces-verbaal van bevindingen van 17 juni 2024, genummerd PL0900-2024188946-17, pagina 40-44, met bijlagen op pagina 65-194, van het proces-verbaal van 17 juni 2024, genummerd PL0900-2024188946, doorgenummerde pagina 1-194; 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: feit 2: op meer tijdstippen in de periode van 2 juni 2024 tot en met 5 juni 2024, te [plaats 2] , [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [slachtoffer] meerdere berichten via e-mail toe te sturen, met daarin (onder meer) de volgende dreigende teksten: - “Je mag van geluk spreken dat je de aller liefste zoon had dar hij bereid was zichzelf te vermoorden ipv jullie.” en - “Stap 1 om dat te begrijpen is dat je 2 seconde je mond dicht houdt als ik het wil uitkleggen. Ik heb duizend keer gesmeekt ofje wilde luisteren. Wat je doet [slachtoffer (voornaam)] is zo verschrikkelijk ziek dat je blij mag zijn dat ik nu niet bij je langs kom om je bij je strot te grijpen. Niet om je pijn te doen. Maar zodat je je MOND dicht houdt als ik je wil” en - “(…) Wil je dat ik NU naar [slachtoffer (voornaam)] ga en heer bij haar strot grijp?” en - “(…) Is het zo duidelijk stelletje patiënten? Of moet ik nu echt even langs komen en jullie alle drie helemaal kapot slaan?” en - “Als ik gedwongen moet opgenomen worden neem ik wraak op jullie.” en - “Ik moet gewoon echt haar tegen de muur drukken en dan mijn hand over haar mond doen (daarom zeg ik bij haar strot grijpen) anders begint ze te bleren of ze escaleert de boel. ECHT WAAR. Ze is gek.” en - “Dat [A (voornaam)] en [slachtoffer (voornaam)] het verdienen om aan hun haren door heel [plaats 2] gesleurd te worden. En dat er niets mis is met mij dat ik dat zeg.”; feit 3: op meer tijdstippen in de periode van 1 juli 2023 tot en met 15 juni 2024, te [plaats 2] , wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door die [slachtoffer] - veelvuldig (bedreigende) berichten via e-mail toe te sturen en - naar het adres van die [slachtoffer] te gaan en/of zich in de omgeving van die [slachtoffer] [slachtoffer] op te houden, met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen. Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op: feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, meermalen gepleegd; feit 3: belaging. 7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8OPLEGGING VAN STRAF 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot: - een gevangenisstraf van 282 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als (bijzondere) voorwaarden: * een klinische behandeling van 1 jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt; * begeleid wonen als de reclassering dat gewenst vindt; * een middelenverbod voor alcohol en drugs; * een contactverbod met [slachtoffer] ; * een locatieverbod voor directe omgeving van de woning van [slachtoffer] ; * inspanning voor het vinden en behouden van een dagbesteding. 8.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging voert aan dat gelet op het Pro-Justitiarapport en het reclasseringsadvies een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest volstaat. Een voorwaardelijk strafdeel van 145 dagen, of korter zoals geëist door de officier van justitie, is mede gelet op de behandelmotivatie en familierelatie een voldoende stok achter de deur. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. Ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd Verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna een jaar schuldig gemaakt aan bedreiging en belaging van zijn moeder. Verdachte heeft haar vele mails gestuurd, waarin hij zijn moeder ernstig heeft bedreigd. Ook is verdachte meermaals langs de woning van zijn moeder gegaan. Uiteindelijk is hij ook de woning van zijn moeder binnengedrongen via een raam en heeft haar daar vastgepakt en tegen de muur gedrukt. Verdachte heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van zijn moeder en heeft haar veel angst aangejaagd. Persoon van verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 15 januari
  6. Hierin ziet de rechtbank geen aanleiding om hoger of lager te straffen. De rechtbank heeft ook kennisgenomen van een over verdachte opgemaakt rapport van GZ-psycholoog [B] . Hierin leest de rechtbank dat verdachte al geruime tijd kampt met een somatisch-symptoomstoornis. De psycholoog stelt vast dat er sprake is van vermijdende, afhankelijke, narcistische en antisociale persoonlijkheidstrekken. Vanuit de persoonlijkheidsstoornis in combinatie met de somatisch-symptoomstoornis is verdachte voornamelijk op zichzelf, zijn behoeften en zijn klachten gericht, waarbij hij geen oog heeft voor de gevolgen voor aangeefster. Zijn mentaliserend vermogen schiet tekort. Zijn impulscontrole is door een periode van veel alcoholgebruik beperkt en dit heeft de drempel om geweld te gebruiken verlaagd. De combinatie van al deze factoren, voortkomend uit de stoornissen van verdachte, heeft een rol gespeeld bij zowel het sturen van de bedreigingen via e-mailberichten als het aanvallen van aangeefster. De psycholoog adviseert de rechtbank dan ook om verdachte de ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen. De emotieregulatieproblemen, het beperkte empathische vermogen en het beperkte mentaliserend vermogen zijn bij verdachte belangrijke risicofactoren. Gezien de indicatoren in de historische en klinische domeinen, de risicohantering en de beschermende factoren, wordt de kans dat verdachte in de komende periode tot gewelddadig handelen zal overgaan, zonder behandeling, ingeschat als matig tot hoog. Als adequate hulp uitblijft, is de kans groot dat hetzelfde patroon ontstaat, hij opnieuw middelen gaat gebruiken in een poging zijnemoties te reguleren en bij een toename van stress aangeefster daar de schuld van zal geven. De verwachting is niet dat dit risico direct zal ontstaan, maar wel als de spanning opnieuw oploopt op middellange termijn. De complexe psychische problemen maken datverdachte hulp nodig zal hebben om zijn leven vorm te geven en toe te werken naar een meer stabiel bestaan. Voor deze risicofactoren is behandeling en begeleiding in een strafrechtelijk kader aangewezen. Verdachte geeft aan hiervoor gemotiveerd te zijn, maar vindt zelf een klinische behandeling niet nodig. Hij geeft zelf de voorkeur aan een ambulante behandeling. Er zijn echter al lang zorgen over verdachte en het is tot op heden zonder kader niet gelukt om verdachte goed in zorg te krijgen. Om de kans op recidive te verminderen, is het van belang dat verdachte psychotherapeutische behandeling krijgt. Vanwege de duur en de ernst van de problematiek is een start van de behandeling in een klinische setting aangewezen. Gezien de problemen op het gebied van emotieregulatie, middelengebruik, persoonlijkheid en psychosomatiek en het matig tot hoge recidiverisico wordt een start op een forensische psychiatrische afdeling aanbevolen. Dan wordt het risico op gewelddadig gedrag ingeschat als laag tot matig.De psycholoog adviseert de rechtbank dan ook om de beschreven behandeling op te leggen als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf met toezicht door de reclassering. De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van 13 december
  7. De reclassering signaleert instabiliteit op verschillende leefgebieden van verdachte, waarbij de leefgebieden ‘psychosociaal functioneren’, ‘middelengebruik en verslaving’ en ‘relatie familie’ als grootste (direct delictgerelateerde) risicofactoren aangemerkt worden. De reclassering schat het recidiverisico in als hoog. Er is sprake van familiaire relatieproblemen, een geschiedenis van problemen op het gebied van werk, middelenmisbruik en een persoonlijkheidsstoornis. De reclassering schat het risico op letselschade vanwege de beperkte impulscontrole van verdachte in als gemiddeld, ook al is hij slechts één keer eerder veroordeeld voor een geweldsdelict. Het risico op onttrekken aan voorwaarden schat de reclassering in als gemiddeld. Er waren in het verleden problemen op het gebied van motivatie voor behandeling en behandeltrouw, al kan dit niet volledig in kaart worden gebracht. Wel heeft verdachte steeds opnieuw hulp gezocht. De reclassering sluit zich verder aan bij het advies van de Pro-Justitiarapporteur en is van mening dat zij niet voldoende aan risicobeheersing kunnen doen binnen een reclasseringstoezicht, zonder dat eerst in een klinische setting is gewerkt aan de psychische en verslavingsproblematiek van verdachte. Vanuit de kliniek kan vervolgens toegewerkt worden naar ambulante behandeling door een forensisch FACT-team. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, opname in een zorginstelling en inspanning voor het vinden en behouden van dagbesteding. Verdachte is op 21 januari 2025 opgenomen in [locatie 1] in [plaats 1] om te starten met de klinische behandeling. Verdachte heeft op de zitting van 22 januari 2025 aangeven dat de overplaatsing van [locatie 2] naar de kliniek goed is verlopen. Hij ziet nu zelf ook in dat een klinische behandeling goed voor hem kan zijn. De rechtbank neemt de conclusies van de psycholoog over ten aanzien van de bij verdachte vastgestelde somatisch-symptoomstoornis en zijn vermijdende, afhankelijke, narcistische en antisociale persoonlijkheidstrekken. Dit geldt eveneens voor de conclusies van de psycholoog over de aanwezigheid van deze stoornissen ten tijde van de bewezenverklaarde feiten en de beïnvloeding daardoor van de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte. Het advies van de psycholoog om het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen, neemt de rechtbank over. De straf Gelet op de ernst en de frequentie van de bewezen verklaarde feiten en de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd, kan niet anders dan een gevangenisstraf aan verdachte worden opgelegd. De rechtbank houdt bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Alles afwegende acht de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij het onvoorwaardelijke deel niet langer is dan de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, passend en geboden. De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf van 280 dagen opleggen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling van de rechtbank dat verdachte terug moet naar de gevangenis. Aan het voorwaardelijke deel van de straf zullen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geëist door de officier van justitie, te weten een klinische behandeling, begeleid wonen, een middelenverbod, inspanning voor het vinden en behouden van een dagbesteding, een contactverbod met [slachtoffer] en een locatieverbod voor de directe omgeving van haar woning. Voorlopige hechtenis Nu de rechtbank een straf oplegt die niet langer is dan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, zal de rechtbank het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen. 9TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 10BESLISSING De rechtbank: Vrijspraak - verklaart het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Bewezenverklaring - verklaart het onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld; - verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Strafbaarheid - verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; - verklaart verdachte strafbaar; Oplegging straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 280 dagen; - bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; - bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 60 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast; - als voorwaarden gelden dat verdachte: * zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; * ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; * medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen; - stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd: * meewerkt aan de opname in de zorginstelling [locatie 1] in [plaats 1] , of een andere kliniek als de reclassering dat nodig vindt. De opname duurt een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte zal zich houden aan de huisregels en aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijk opvang gewenst vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing; * zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang als de reclassering dat nodig vindt. Verdachte zal zich houden aan de aanwijzingen die in het kader van het verblijf aan verdachte zullen worden gegeven en aan het (dag-) programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht; * zich zal onthouden van het gebruik van soft- en harddrugs en alcohol. Verdachte zal meewerken aan urine- en ademanalyse controles, indien de toezichthouder dergelijke controles geïndiceerd acht. * op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] (geboren op [1957] te [gemeente] ), zolang de reclassering dit noodzakelijk acht; * zich niet zal bevinden in een straal van 50 meter rondom de woning van [slachtoffer] gelegen aan [adres 2] , [postcode 2] in [plaats 2] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht (zie kaart in bijlage II); * zich zal inspannen voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur; - waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; - heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter, mrs. S. Ourahma en M. Erich, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.I. .van Balkom, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 januari
  8. Bijlage I: de tenlastelegging Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat: feit 1: hij, op of omstreeks 15 juni 2024, te Amersfoort, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om zijn moeder [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, - met beide handen (met kracht) de nek en/of de keel van die [slachtoffer] dicht heeft gedrukt en/of die [slachtoffer] gedurende enige tijd de ademhaling heeft belet en/of belemmerd en/of - die [slachtoffer] (daarbij) tegen de muur heeft geduwd en/of het hoofd van die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, hard tegen de muur heeft geduwd en/of gedrukt en/of - die [slachtoffer] (hard) bij de kaak heeft vastgepakt en/of in de kaak heeft geknepen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij, op of omstreeks 15 juni 2024, te Amersfoort, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn moeder [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen - met beide handen (met kracht) de nek en/of de keel van die [slachtoffer] dicht heeft gedrukt en/of die [slachtoffer] gedurende enige tijd de ademhaling heeft belet en/of belemmerd en/of - die [slachtoffer] (daarbij) tegen de muur heeft geduwd en/of het hoofd van die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, hard tegen de muur heeft geduwd en/of gedrukt en/of - die [slachtoffer] (hard) bij de kaak heeft vastgepakt en/of in de kaak heeft geknepen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; feit 2: hij, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 juni 2024 tot en met 5 juni 2024, te Amersfoort, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] een of meerdere bericht(en) via e-mail toe te sturen, met daarin (onder meer) de volgende (dreigende) tekst(en): - “ Je mag van geluk spreken dat je de aller liefste zoon had dar hij bereid was zichzelf te vermoorden ipv jullie.” En/of - “ Stap 1 om dat te begrijpen is dat je 2 seconde je mond dicht houdt als ik het wil uitkleggen. Ik heb duizend keer gesmeekt ofje wilde luisteren. Wat je doet [slachtoffer (voornaam)] is zo verschrikkelijk ziek dat je blij mag zijn dat ik nu niet bij je langs kom om je bij je strot te grijpen. Niet om je pijn te doen. Maar zodat je je MOND dicht houdt als ik je wil” en/of - “(…) Wil je dat ik NU naar [slachtoffer (voornaam)] ga en heer bij haar strot grijp?” en/of - “(…) Is het zo duidelijk stelletje patiënten? Of moet ik nu echt even langs komen en jullie alle drie helemaal kapot slaan?” en/of - “ Als ik gedwongen moet opgenomen worden neem ik wraak op jullie.” En/of - “ Ik moet gewoon echt haar tegen de muur drukken en dan mijn hand over haar mond doen (daarom zeg ik bij haar strot grijpen) anders begint ze te bleren of ze escaleert de boel. ECHT WAAR. Ze is gek.” En/of - “ Dat [A (voornaam)] en [slachtoffer (voornaam)] het verdienen om aan hun haren door heel Amersfoort gesleurd te worden. En dat er niets mis is met mij dat ik dat zeg.”, althans (telkens) woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking; feit 3: hij, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2023 tot en met 15 juni 2024, te Amersfoort, althans in Nederland, (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door die [slachtoffer] - veelvuldig, althans meermalen (bedreigende) berichten via (onder meer) e-mail toe te sturen en/of - naar het adres van die [slachtoffer] te gaan en/of zich in de omgeving van die [slachtoffer] op te houden, met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen. Bijlage II: kaart locatieverbod (* ivm pseudonimiseren is de kaart verwijderd)

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.