← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:5279

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 23/5994 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2025 in de zaak tussen AD Utrechts Nieuwsblad, uit Rotterdam, eiser (gemachtigde: M. Steinberger), en het dagelijks bestuur van de Veiligheidsregio Utrecht, de VRU (gemachtigde: mr. dr. B. Wallage). Inleiding Deze uitspraak gaat over het gedeeltelijk toewijzen van het Woo-verzoek van eiser. Eiser heeft op 12 februari 2023 een verzoek op grond van Wet open overheid (Woo) ingediend waarbij hij vraagt om een kopie van alle transcripties van de interviews met betrokkenen waaraan gerefereerd wordt op pagina 7 van het onderzoeksrapport 'Oorzaakonderzoek gasexplosie Bilthoven’, opgesteld door Team brandonderzoek van VRU van 18 november

  1. De VRU wijst dit verzoek op 23 maart 2023 gedeeltelijk toe (het primaire besluit) en stuurt eiser de negentien transcripties (met zwartgelakte gedeelten). In het primaire besluit verwijst de VRU naar artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo (bescherming van de persoonlijke levenssfeer) als grondslag voor de lakkingen. Met het bestreden besluit van 9 oktober 2023 op het bezwaar van eiser is de VRU bij de gedeeltelijke afwijzing van het Woo-verzoek gebleven en vult de VRU de motivering aan wat betreft de afweging tussen de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen en het belang van de openbaarheid van de desbetreffende informatie. Er zijn, naast namen van personen, namelijk ook medische gegevens of persoonlijke kenmerken van betrokken personen niet openbaar gemaakt. Volgens de VRU is de juridische grondslag hiervoor gelegen in artikel 5.1, eerste lid onder d, van de Woo. Ook stelt de VRU zich op het standpunt dat de interviews en de daarvan opgemaakte transcripties belangrijk zijn voor de lerende omgeving van de organisatie en dat het belangrijk is dat mensen in alle veiligheid en in een vertrouwde omgeving hun ervaringen en emoties tijdens een incident opgedaan, kunnen delen. Wanneer dit openbaar wordt gemaakt, zijn de medewerkers in de toekomst minder geneigd om hun medewerking te verlenen. De VRU verwijst hierbij naar artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo. Eiser is het hier niet mee eens en stelt beroep in. De VRU heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Ook heeft de VRU de, naar aanleiding van het Woo-verzoek, ontvangen zienswijzen nagezonden met daarbij een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft het beroep op 12 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser samen met [A] en de gemachtigde van de VRU samen met [B] . De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft op 15 juli 2025 geconcludeerd dat de beperkte kennisname zoals is verzocht door de VRU ten aanzien van de gelakte passages in de zienswijzen gerechtvaardigd is. Voor de kennisneming van de ongelakte zienswijzen heeft de rechtbank geen toestemming gekregen. Met toepassing van artikel 8:29, zesde lid, van de Awb heeft de rechtbank van de ongelakte transcripties kennis genomen. De rechtbank heeft het onderzoek op 17 juli 2025 gesloten. Beoordeling door de rechtbank
  2. De rechtbank beoordeelt of de VRU voldoende informatie openbaar heeft gemaakt. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
  3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Is de Woo van toepassing?
  4. De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of eisers verzoek onder de reikwijdte van de Woo valt. De VRU stelt zich (voor het eerst in haar verweerschrift van 26 mei 2025) op het standpunt dat artikel 4.1 van de Woo niet van toepassing is aangezien sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 8.8 van de Woo. Dit komt doordat sprake is van informatie waarop de artikelen 7 en 26 van de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing zijn, die zijn opgenomen in de bijlage bij de Woo. Het gaat namelijk om een onderzoek dat door de arbeidsinspectie wordt verricht naar aanleiding van een melding. Sinds 2023 bestaat de 'Beleidsregel werkgeversrapportage onderzoek meldingsplichtige arbeidsongevallen'. Op basis van deze beleidsregel voert de werkgever allereerst het onderzoek uit als onderdeel van het onderzoek van de arbeidsinspectie. Dat is hier gebeurd. In de Arbeidsomstandighedenwet is een lex specialis opgenomen voor wat betreft de openbaarheid van rapportages opgemaakt door de arbeidsinspectie, die ook heeft te gelden voor rapportages opgemaakt door de werkgever. Op basis van die wet wordt uitsluitend het onderzoeksrapport openbaar gemaakt en niet de onderliggende documentatie.
  5. De rechtbank stelt vast dat de Woo van toepassing is. De rechtbank volgt de stelling van de VRU dus niet en baseert dit op het volgende. Uit het onderzoeksrapport zelf blijkt niet dat deze is opgesteld als werkgeversrapportage conform de door de VRU genoemde beleidsregel of de pilot daarvan. In het rapport wordt bijvoorbeeld geen enkele keer de arbeidsinspectie of de Arbeidsomstandighedenwet genoemd. Daarnaast staat in de aanleiding van het onderzoeksrapport vermeld dat, naast dit onderzoek door Team Brandonderzoek, de VRU drie andere onderzoeken is gestart, waaronder door Team Arbo naar de arbeidsomstandigheden ten tijde van het incident. Dit om verbeteringen aan te brengen in de arbeidsomstandigheden en zo herhaling van een soortgelijk ongeval te voorkomen. Dat klinkt eerder als de beoogde werkgeversrapportage. Daar komt bij dat de VRU desgevraagd tijdens de zitting heeft aangegeven niet, bijvoorbeeld door middel van correspondentie met de arbeidsinspectie, aan te willen tonen dat de rapportage op grond van de beleidsregel is opgesteld. De correspondentie hierover zou vertrouwelijk zijn. Nergens blijkt uit dat het onderhavige onderzoeksrapport (waar de gevraagde transcripties voor zijn gebruikt) niet onder het toepassingsbereik van de Woo vallen. Gronden van eiser
  6. Eiser heeft er begrip voor dat de direct identificeerbare gegevens op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woo niet openbaar zijn gemaakt maar volgens eiser gaat dit niet op voor de gegevens die indirect en met behulp van niet openbare gegevens kunnen leiden tot identificatie. Eiser vindt dat de VRU niet met een beroep op bescherming van persoonsgegevens en eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer openbaarmaking hiervan kan weigeren. Daarnaast meent eiser dat de VRU het belang miskent dat de persoonlijke (subjectieve) ervaringen en effecten op de betrokkenen de feiten uit het rapport kleur kunnen geven en dat die ervaringen (mede) bepaalde gebeurtenissen kunnen verklaren. Ook vindt eiser dat de stelling van de VRU, dat betrokkenen niet (meer) aan dergelijke onderzoeken zouden meewerken wanneer de niet openbaargemaakte passages openbaar zouden worden gemaakt, niet is onderbouwd. Daarnaast ontbreekt de motivering waarom een eventueel niet meewerken aan dergelijke onderzoeken invloed zou hebben op het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen. Tot slot voert eiser aan dat de VRU de informatie niet kan weigeren omdat er sprake is van onevenredige benadeling van de geïnterviewden en de onderzoekers (artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo). Een beroep op dat artikel kan namelijk enkel slagen wanneer niet al een beroep op de gronden genoemd in het eerste of tweede lid wordt gedaan. Oordeel van de rechtbank
  7. De rechtbank stelt vast dat er door de VRU drie weigeringsgronden zijn toegepast; namelijk artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woo (bijzondere persoonsgegevens), artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo (eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer) en artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo (het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen) en dat deze drie weigeringsgronden van toepassing zijn op alle lakkingen door de VRU.
  8. De rechtbank stelt verder vast dat artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo niet ten grondslag ligt aan het niet openbaar maken van de informatie. Deze grond van eiser behoeft dan ook geen bespreking.
  9. De indirect identificeerbare gegevens zijn door de VRU, naast artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woo, gelakt op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo. Het openbaar maken van informatie blijft dan achterwege enerzijds voor zover de betrokkene uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven voor de openbaarmaking van zijn persoonsgegevens of wanneer deze kennelijk door hem openbaar zijn gemaakt en anderzijds voor zover het belang van openbaarmaking van de gegevens niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. De rechtbank komt, na kennisneming van de gelakte delen in de transcripties, tot de conclusie dat al hetgeen de VRU heeft gelakt in deze kaders terecht is gelakt. Uit de door de VRU overgelegde gelakte zienswijzen blijkt het de rechtbank dat de betrokkenen geen toestemming hebben gegeven voor de openbaarmaking. Daarnaast heeft de rechtbank vastgesteld dat deze gegevens, in samenhang met andere informatie uit het betreffende transcript of andere transcripten danwel andere informatie, te herleiden is tot de geïnterviewden. De bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de geïnterviewden weegt in dit geval zwaarder dan het belang van openbaarheid omdat alle interviews in hoge mate persoonlijk van aard zijn. De interviews vonden namelijk relatief kort na het incident plaats en er kwamen veel emoties los. De geïnterviewden vertelden daarbij over hun persoonlijke indrukken en angsten die zij hadden tijdens het incident.
  10. De rechtbank kan de VRU volgen wat betreft het standpunt dat de geïnterviewden zo open zijn geweest tijdens de interviews omdat hen vertrouwelijkheid daarvan is toegezegd. De openbaarmaking van de transcripten van de interviews zou ertoe kunnen leiden dat brandweerpersoneel in de toekomst terughoudender zal zijn bij onderzoeken na incidenten uit vrees dat niet zal worden vastgehouden aan toegezegde vertrouwelijkheid. Uit het verweerschrift volgt voldoende duidelijk dat deze vertrouwelijkheid zeer belangrijk is en dat openbaarmaking van de transcripten de geïnterviewden geen veilig gevoel meer geeft om ervaringen te delen. Ook schrijven een aantal geïnterviewden in hun zienswijze dat ze bij een volgend onderzoek wellicht niet meer meewerken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de VRU daarmee voldoende onderbouwd dat de zwartgelakte gedeelten van de transcripties ook niet worden geopenbaard op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo, omdat anders de VRU niet meer goed zou kunnen functioneren. Conclusie en gevolgen Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Pruntel, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 juli
  11. de rechter is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.