← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:5334

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Almere Zaaknummer: 11160666 \ MC EXPL 24-3941 Vonnis van 8 januari 2025 in de zaak van VERENIGING TOT BEHOUD VAN NATUURMONUMENTEN IN NEDERLAND, statutair gevestigd en kantoorhoudende te Amersfoort, eisende partij, hierna te noemen: Natuurmonumenten, gemachtigde: mr. M. Niermeijer, tegen

  1. [gedaagde sub 1], voormalig vennoot van de vennootschap onder firma [bedrijfsnaam (VOF)], wonende te [woonplaats] ,
  2. [gedaagde sub 2], voormalig vennoot van de vennootschap onder firma [bedrijfsnaam (VOF)], wonende te [woonplaats] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , procederend in persoon. 1De procedure 1.
  3. Natuurmonumenten heeft [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op 10 juni 2024 gedagvaard voor de kantonrechter. Daarbij heeft Natuurmonumenten zes

(6)producties meegestuurd. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben op de dagvaarding geantwoord en daarbij tweeëntwintig
(22)bijlagen gevoegd. De kantonrechter heeft beslist dat de zaak op een zitting moet worden besproken. 1.
  1. De mondelinge behandeling heeft op 3 december 2024 in Lelystad plaatsgevonden. Namens Natuurmonumenten is de heer [A] ( [functie] bij Natuurmonumenten) verschenen, bijgestaan door mr. Niermeijer. Ook [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting is besproken. 1.
  2. De kantonrechter heeft besloten dat vandaag de uitspraak is. 2De beoordeling Waar gaat de zaak over? 2.
  3. De vennootschap onder firma [bedrijfsnaam (VOF)] (hierna: de vof) heeft met ingang van 1 april 2021 van Natuurmonumenten het pand aan het [adres] in ( [postcode] ) [plaats] (hierna: het gehuurde) gehuurd. De huurovereenkomst is aangegaan voor een periode van tien jaar, eindigend op 31 maart 2031, tegen laatstelijk een huurprijs van € 13.250,00 (te vermeerderen met btw) per maand en een voorschot op servicekosten van € 2.500,00 (te vermeerderen met btw) per maand. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn de (voormalige) vennoten van de vof. Op 30 maart 2022 is de vof omgezet naar een besloten vennootschap, [bedrijfsnaam (B.V.)] (hierna: de BV). Vanaf mei 2023 zijn de huurpenningen niet meer betaald. Per 6 december 2023 hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] het gehuurde verlaten en ontruimd en de sleutels bij Natuurmonumenten ingeleverd. Wat wil Natuurmonumenten en waarom? 2.
  4. Natuurmonumenten wil ontbinding van de huurovereenkomst en wil dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als voormalige vennoten van vof de huurachterstand tot en met december 2023 van € 103.577,88, de achterstand voor de levering van energie tot en met 6 december 2023 van € 16.193,70, de contractuele boete van € 4.200,00, de huurtermijnen/ gebruiksvergoeding tot het einde van de huurovereenkomst en de buitengerechtelijke incassokosten van € 17.965,74 met rente en kosten betalen. Natuurmonumenten vordert dit omdat er een huurachterstand is ontstaan die ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Op grond van de huurovereenkomst is de vof de huur bij vooruitbetaling verschuldigd en verbeurt de vof een direct opeisbare boete als de huur niet volledig op de vervaldag wordt voldaan (artikel 23.2 van de algemene bepalingen). Op grond van artikel 28.1 van de algemene bepalingen vordert Natuurmonumenten ook buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn als voormalige vennoten persoonlijk aansprakelijk voor de schulden van de vof. Wat vinden [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ? 2.
  5. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verzetten zich niet tegen de ontbinding van de huurovereenkomst. Zij betwisten echter dat zij persoonlijk aansprakelijk zijn voor de betaling van de gevorderde bedragen. Immers, de huurachterstand is pas ontstaan nádat de vof al was omgezet in de BV. Daarnaast betwisten [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de hoogte van de afrekening van de kosten voor levering van energie. Wat oordeelt de kantonrechter? 2.
  6. Natuurmonumenten krijgt gelijk. De vorderingen van Natuurmonumenten worden grotendeels toegewezen. Dit betekent dat de huurovereenkomst wordt ontbonden per datum van dit vonnis. Daarnaast moeten [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk de gevorderde huurachterstand, de afrekening voor de levering van energie, de wettelijke rente, de (gematigde) buitengerechtelijke incassokosten en de ontbindingsschade aan Natuurmonumenten betalen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten als de partijen die grotendeels ongelijk krijgen ook de proceskosten van Natuurmonumenten betalen. Hierna wordt uitgelegd waarom dit zo is. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn aansprakelijk voor de betaling van de gevorderde bedragen. 2.
  7. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stellen dat zij niet persoonlijk aansprakelijk zijn voor de betaling van de gevorderde bedragen, omdat die schulden pas zijn ontstaan nadat de vof was omgezet in de BV. Dit verweer van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] wordt gepasseerd en wel om het volgende. 2.
  8. Natuurmonumenten hebben gesteld – en dit is door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ook niet weersproken – dat van contractsovername en/of indeplaatsstelling door de BV geen sprake is. Natuurmonumenten heeft daar nooit mee ingestemd en zou daar – zoals zij ter zitting heeft gesteld – ook niet zonder aanvullende zekerheden mee hebben ingestemd. Nu de vof is omgezet in een BV en aldus is ontbonden, zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als voormalige vennoten hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de ontbonden vof. Dit volgt uit artikel 18 van het Wetboek van Koophandel, waarin is bepaald dat elk van de vennoten hoofdelijk aansprakelijk is voor de verbintenissen van de vennootschap onder firma. Uitgetreden vennoten blijven aansprakelijk voor de schulden van de vennootschap. Dat geldt ook voor schulden die weliswaar pas na de ontbinding van de vof zijn ontstaan maar die voortvloeien uit mede namens de uitgetreden vennoten door de vof aangegane verbintenissen. In dit geval gaat het om een schuld die voortvloeit uit de – door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aangegane – huurovereenkomst tussen Natuurmonumenten en de ontbonden vof. Daarom zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] nog steeds verantwoordelijk voor de huurachterstand die is ontstaan en kan Natuurmonumenten die (ook) op hen verhalen. De huurachterstand tot en met december
  9. 2.
  10. Natuurmonumenten vordert betaling van het bedrag van € 103.577,88 aan huurachterstand tot en met december
  11. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben de omvang van deze huurachterstand niet betwist, zodat de vordering tot betaling van het bedrag van € 103.577,88 aan huurachterstand tot en met december 2023 wordt toegewezen. De huurovereenkomst wordt ontbonden. 2.
  12. De forse huurachterstand van € 103.577,88 rechtvaardigt de ontbinding van de huurovereenkomst. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben zich ook niet verzet tegen de ontbinding van de huurovereenkomst, zodat de huurovereenkomst per datum van dit vonnis (8 januari 2025) wordt ontbonden. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de afrekening voor de levering van energie van € 16.193,70 betalen. 2.
  13. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben de hoogte van de afrekening voor de levering van energie van € 16.193,70 betwist. De kantonrechter gaat aan die betwisting voorbij en wel om het volgende. 2.
  14. Uit de specificatie in bijlage 20 bij conclusie van antwoord, die Natuurmonumenten eerder aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] heeft toegestuurd, blijkt voldoende hoe de afrekening voor de levering van energie van € 16.193,70 is berekend en opgebouwd. Ter zitting heeft Natuurmonumenten ook gesteld dat er tussenmeters zijn geplaatst. De in rekening gebrachte kosten voor levering van energie zien dan ook alleen op het gehuurde en niet op eventuele andere bijgebouwen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben dit niet voldoende weersproken, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid van hetgeen Natuurmonumenten heeft aangevoerd. Dat de kosten hoger waren dan wat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verwachtten, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat de berekening niet juist is. De vordering tot betaling van het bedrag van € 16.193,70 voor de afrekening van de levering van energie wordt dan ook toegewezen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de contractuele boete betalen. 2.
  15. Natuurmonumenten vordert op grond van de algemene bepalingen bij de huurovereenkomst een contractuele boete van € 4.200,00 over de periode van 1 mei 2023 tot en met juni 2024 vanwege te late betaling. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben geen afzonderlijk verweer hiertegen gevoerd, zodat de contractuele boete van € 4.200,00 wordt toegewezen. Deze contractuele boete zal worden toegewezen tot datum van de ontbinding van de huurovereenkomst (8 januari 2025), omdat vanaf datum ontbinding van de huurovereenkomst de grondslag voor de contractuele boete is komen te vervallen. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de datum van de ontbinding. 2.
  16. De gevorderde wettelijke rente wordt slechts toegewezen vanaf de datum van de ontbinding van de huurovereenkomst. Natuurmonumenten heeft namelijk over de periode dat de huurovereenkomst nog liep de contractuele boete gevorderd. Artikel 6:92 lid 2 BW bepaalt dat een boete in de plaats treedt van een schadevergoeding op grond van de wet. Partijen kunnen afspreken dat boete en schadevergoeding naast elkaar verschuldigd zijn, maar daarvan is niet gebleken. De wettelijke rente is wel toewijsbaar vanaf de datum van de ontbinding van de huurovereenkomst (8 januari 2025) omdat vanaf de ontbinding van de huurovereenkomst geen boetes gevorderd kunnen worden. De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen conform het wettelijke tarief. 2.
  17. Natuurmonumenten maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Natuurmonumenten heeft de betreffende vordering van € 17.965,737 gebaseerd op artikel 28.
  18. van de algemene bepalingen bij de huurovereenkomst. Deze gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn hoger dan het wettelijk tarief. Natuurmonumenten heeft niet gesteld dat de werkelijke kosten hoger zijn dan dit tarief. De buitengerechtelijke kosten zullen daarom worden toegewezen conform het wettelijk tarief. Dit betreft op basis van de in de dagvaarding genoemde openstaande hoofdsom van € 119.771,58 een bedrag van € 2.386,99 (inclusief btw). Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen. 2.
  19. Daarnaast vordert Natuurmonumenten wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf datum van de dagvaarding (10 juni 2024) tot voldoening. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten een bedrag aan ontbindingsschade betalen. 2.
  20. Natuurmonumenten kan in beginsel aanspraak maken op de op een bedrag gelijk aan de huurprijs over de periode vanaf de datum van de beëindiging van de huurovereenkomst (8 januari 2025) tot de datum waarop de huurovereenkomst normaal gesproken zou zijn geëindigd; in dit geval zou dit zijn tot 31 maart
  21. Als de huurovereenkomst had voortgeduurd, had Natuurmonumenten in deze periode namelijk huurinkomsten ontvangen van de vof/ [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Natuurmonumenten is wel verplicht om haar schade te beperken en dus waar mogelijk het gehuurde te verhuren aan een ander. Ter zitting heeft Natuurmonumenten toegelicht dat zij bezig is geweest om het gehuurde opnieuw te verhuren maar dat er tot het moment van de zitting nog geen nieuwe huurder voor het gehuurde is gevonden. Natuurmonumenten wil [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] wel enigszins tegemoet komen en heeft daarom haar ontbindingsschade ter zitting beperkt tot zes maanden. De kantonrechter houdt enerzijds rekening met de – niet betwiste – moeilijke verhuurbaarheid van het bijzondere pand, maar neemt anderzijds ook in beschouwing dat Natuurmonumenten al vanaf december 2023 de mogelijkheid heeft gehad een andere huurder te vinden. De kantonrechter acht daarom de vordering toewijsbaar voor een periode van drie
(3)maanden; derhalve tot een bedrag van € 39.750,00 (= 3 x € 13.250,00, te vermeerderen met btw). Voor het geval Natuurmonumenten het gehuurde binnen deze drie
(3)toch kan verhuren aan een ander bepaalt de kantonrechter dat de inkomsten die Natuurmonumenten hierdoor verkrijgt, van de toe te wijzen schadevergoeding moeten worden afgetrokken. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen. De proceskosten 2.
  1. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Natuurmonumenten worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 137,47 - griffierecht € 1.409,00 - salaris gemachtigde € 1.900,00 (2 punten salaris gemachtigde à € 950,00) - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 3.581,47 2.
  2. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. De hoofdelijke veroordeling 2.
  3. De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het bedrag) niet meer te betalen. De uitvoerbaar bij voorraad verklaring 2.
  4. Natuurmonumenten verzoekt het vonnis uitvoer bij voorraad te verklaren. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben geen bezwaar gemaakt tegen de vordering om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Evenmin zijn feiten en/of omstandigheden gebleken die aan toewijzing van deze vordering in de weg staan. Dit vonnis wordt daarom uitvoer bij voorraad verklaard. 3De beslissing De kantonrechter: 3.
  5. ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst voor de bedrijfsruimte aan het adres [adres] in ( [postcode] ) [plaats] per vandaag; 3.
  6. veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk tot betaling aan Natuurmonumenten van:- € 119.771,58 aan huurachterstand tot en met december 2023 en afrekening van de levering van energie tot en met 6 december 2023, te vermeerderen met de contractuele boete vanaf 1 juli 2024 tot 8 januari 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 8 januari 2025 tot de dag waarop alles is betaald, waarbij rekening wordt gehouden met tussentijdse betalingen; - € 2.386,99 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 10 juni 2024 tot de dag waarop alles is betaald, waarbij rekening wordt gehouden met tussentijdse betalingen; - € 4.200,00 aan contractuele boete; - een bedrag van € 39.750,00 (te vermeerderen met btw) aan ontbindingsschade; 3.
  7. veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 3.581,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ook de kosten van betekening betalen; 3.
  8. veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan; 3.
  9. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; 3.
  10. wijst af wat er meer of anders is gevorderd. Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra en in het openbaar uitgesproken op8 januari
  11. HHt/37278

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.