RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Lelystad Parketnummers: 16/323611-24 ; 15/192902-22 (vord. tul) Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 22 oktober 2025 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1989] te [geboorteplaats] , ingeschreven op het adres aan [adres] te [woonplaats] , hierna te noemen: de verdachte. 1Zitting De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 8 oktober 2025. Op de zitting waren aanwezig: de verdachte; de officier van justitie: mr. A. Drogt; de advocaat van de verdachte: mr. E.K.B. Bijl; de medewerker van de reclassering, die het rapport over verdachte heeft geschreven. 2Tenlastelegging De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging staat in bijlage I bij dit vonnis. De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat: feit 1 in de periode van 26 augustus 2024 tot en met 4 oktober 2024 te Lelystad [slachtoffer] heeft gestalkt; feit 2 in de periode van 26 augustus 2024 tot en met 4 oktober 2024 te Lelystad [slachtoffer] door middel van (bedreiging met) geweld of een andere feitelijkheid heeft gedwongen iets te doen en/of niet te doen en/of te dulden; feit 3 op één of meer tijdstippen in de periode van 6 april 2024 tot en met 30 juni 2024 te Lelystad [slachtoffer] heeft mishandeld. 3Bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3 heeft gepleegd. 3.2. Standpunt van de verdediging De advocaat heeft verzocht verdachte vrij te spreken van de feiten 1 en 3. De advocaat van de verdachte voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3. 3.3. Oordeel van de rechtbank 3.3.1. Bewijsmiddelen feiten 1 en 2 De rechtbank oordeelt dat de feiten 1 en 2 (stalking en dwang) zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan. 3.3.2. Bewijsoverwegingen feit 1 Voor de beoordeling of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer van belang. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte in de periode van 26 augustus 2024 tot en met 4 oktober 2024 op verschillende manieren veelvuldig contact heeft opgenomen met aangeefster. Dit contact bestond onder meer uit het versturen van ruim 4800 berichten, video’s en audioberichten naar aangeefster en haar familie, maar ook uit het zich meerdere keren in de buurt van de woning van aangeefster begeven. Dat de verdachte nooit kwade bedoelingen heeft gehad en het hem enkel te doen was om weer in contact te komen met de kinderen en om zijn persoonlijke eigendommen op te halen, zoals de advocaat heeft bepleit, is onaannemelijk. Het overgrote deel van de berichten gaat – in niet mis te verstane woorden en bewoordingen – over aangeefster. Slechts een zeer beperkt aantal gaat over de kinderen of de spullen. Reeds uit de grove en beledigende strekking van veel van de berichten volgt dat verdachte moest weten dat dit voor aangeefster ongewenste berichten waren. Daarnaast blijkt uit de berichten dat de verdachte zich ervan bewust was dat aangeefster geen contact met hem wenste. De rechtbank verwijst in dit verband in het bijzonder naar een door de verdachte op 23 september 2024 aan aangeefster verzonden bericht met de volgende tekst: “Laatste app en dan hou ik me aan je afspraak doe alsjeblieft nix met niemand oke alsje alsje alsjeblieft oke ik kan er niet van slapen [slachtoffer] ”.Het door de verdediging aangevoerde verweer dat geen zogenoemd ‘stopgesprek’ heeft plaatsgevonden, doet aan het voorgaande niet af. Een stopgesprek met de verdachte is geen vereiste voor een bewezenverklaring van belaging. De verdachte moet hebben geweten dat hij, door herhaaldelijk berichten van deze kwetsende en soms zelfs dreigende aard te versturen en zich ook nog in de directe omgeving van de woning van aangeefster op te houden, de grenzen van aanvaardbaar gedrag telkens weer overschreed. Met dit gedrag heeft de verdachte de uitdrukkelijke wens van aangeefster om geen contact met hem te hebben, niet gerespecteerd. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde belaging van aangeefster. 3.3.3. Bewijsoverwegingen feit 2 Ten aanzien van de onder feit 2 ten laste gelegde dwang overweegt de rechtbank als volgt. De verdachte heeft zich in de nabijheid van de woning van aangeefster opgehouden en heeft haar daarnaast veelvuldig berichten, video’s en audioberichten gestuurd. Deze berichten strekken voornamelijk tot het verbieden van het aangaan van een nieuwe relatie door aangeefster, waarbij de verdachte grove en beledigende en soms ook dreigende bewoordingen heeft gebruikt. Daarnaast had een aantal van de berichten betrekking op de omgang met de kinderen of op de spullen die de verdachte terug wilde hebben. Al deze gedragingen zijn naar het oordeel van de rechtbank van bedreigende aard en hebben bij aangeefster gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht. De rechtbank merkt daarbij op dat het merendeel van de gedragingen van de verdachte, zoals hiervoor reeds is overwogen, ziet op de belaging van aangeefster, maar dat deze gedragingen voor een deel ook zien op het afdwingen van contact met de kinderen en het teruggeven van spullen aan verdachte. De rechtbank overweegt ook ten aanzien van feit 2 dat het enkele ontbreken van een zogenoemd ‘stopgesprek’ niet maakt dat de verdachte verschoonbaar heeft gedwaald over de wensen van aangeefster, zoals door de verdediging betoogd. Daarbij betrekt de rechtbank de beledigende en bedreigende strekking van de veelvoud aan berichten, maar ook het gegeven dat verdachte in zijn apps op enig moment zelf ook duidelijk maakt dat hij weet wat de wens van aangeefster is, namelijk dat zij geen contact meer met hem wil. Dit verweer wordt dan ook verworpen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan dwang, door aangeefster te dwingen de relatie met hem voort te zetten, de kinderen te brengen en zijn spullen over te dragen. 3.3.4. Bewijsmiddelen feit 3 De rechtbank oordeelt dat feit 3 (mishandeling) is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan. 3.3.5. Bewijsoverwegingen feit 3 Ten aanzien van de onder feit 3 ten laste gelegde mishandeling overweegt de rechtbank als volgt. Aangeefster heeft in haar verklaring in algemene bewoordingen gesproken over meerdere mishandelingen door de verdachte. Verder heeft zij verklaard dat begin 2024 een vriendin van haar (getuige [getuige] ) bij haar is komen wonen en dat ook de getuige zou hebben gezien dat zij werd mishandeld door verdachte. Deze getuige heeft verklaard over één specifiek voorval dat plaatsvond in juni 2024 tijdens het afwassen, welk incident ook in de verklaring van aangeefster wordt beschreven. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze mishandeling wettig en overtuigend kan worden bewezen. Ten aanzien van de overige door aangeefster genoemde incidenten stelt de rechtbank vast dat enkel foto’s van letsel beschikbaar zijn, zonder dat duidelijk is geworden op welke wijze en op welk moment dit letsel is ontstaan. De rechtbank acht de verklaring van aangeefster op zichzelf niet onbetrouwbaar, maar vindt onvoldoende steun in de overige bewijsmiddelen om ook de andere incidenten bewezen te achten. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich éénmaal schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van aangeefster, bestaande uit het slaan van aangeefster in het gezicht. 3.4. Bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte: feit 1 in 26 augustus 2024 tot en met 4 oktober 2024 te Lelystad wederrechtelijk, stelselmatig, opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door - veelvuldig, te bellen en - veelvuldig, (bedreigende/beledigende) (voice)berichten en video's te sturen via SMS en WhatsApp en Facebook en - veelvuldig, familieleden en vrienden van die [slachtoffer] berichten te sturen en - veelvuldig, de opvang van de kinderen te bellen en - te dreigen zichzelf te doden en - zich meermalen, op te houden in de nabijheid van die [slachtoffer] en de woning van die [slachtoffer] , met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, te dulden en vrees aan te jagen; feit 2 in 26 augustus 2024 tot en met 4 oktober 2024 te Lelystad, een ander, te weten [slachtoffer] , door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander, wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen en te dulden, te weten te dwingen dat die [slachtoffer] de relatie voort zou zetten en hun kinderen en zijn spullen zou brengen/overdragen, door - veelvuldig, te bellen en - veelvuldig, (bedreigende/beledigende) (voice)berichten en video's te sturen via SMS en WhatsApp en Facebook en - veelvuldig, familieleden en vrienden berichten te sturen en - veelvuldig, de opvang van de kinderen te bellen en - te dreigen zichzelf te doden en - zich meermalen, op te houden in de nabijheid van die [slachtoffer] en de woning van die [slachtoffer] ; feit 3 in of omstreeks de periode van 6 april 2024 tot en met 30 juni 2024 Lelystad, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] eenmaal in het gezicht te slaan. De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet. 4Kwalificatie en strafbaarheid 4.1 Kwalificatie De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op: feit 1 belaging; feit 2 een ander door bedreiging met geweld of met een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen/te dulden; feit 3 mishandeling. 4.2 Strafbaarheid feit en verdachte De feiten en de verdachte zijn strafbaar. 5Straf en/of maatregel 5.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De officier van justitie eist verder dat aan de verdachte een locatieverbod voor Lelystad en een contactverbod met het slachtoffer, in de zin van een vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht; hierna: Sr), wordt opgelegd. Met betrekking tot het contactverbod valt eventueel noodzakelijk contact voor de totstandkoming en uitvoering van een omgangsregeling met de kinderen van [slachtoffer] en de verdachte hierbuiten. De verdachte dient hiervoor echter wel eerst in contact te treden met de daarvoor aangewezen instantie. De officier van justitie eist dat deze vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd voor de duur van vijf jaar, met één week hechtenis voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet, tot een maximum van zes maanden. De officier van justitie eist dat deze maatregel direct na de uitspraak ingaat. 5.2. Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte verzoekt de rechtbank om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Mocht de rechtbank tot een strafoplegging komen, dan verzoekt de advocaat van de verdachte een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis. Daarnaast lijkt het opleggen van een taakstraf niet zinvol, omdat er nog verschillende taakstraffen openstaan en de verslavingsziekte en behandeling van de verdachte op de voorgrond moeten staan. De advocaat van de verdachte voert verder aan dat het opleggen van een contactverbod niet noodzakelijk meer is, omdat er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte zich belastend zal gedragen richting het slachtoffer. Daarnaast zal er altijd een vorm van contact moeten blijven tussen de verdachte en het slachtoffer vanwege hun kinderen. Een contactverbod zou in de praktijk een volledige blokkade betekenen van de mogelijkheden om tot een omgangsregeling te komen. 5.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 420 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 274 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Ook legt de rechtbank een vrijheidsbeperkende maatregel op, in de zin van artikel 38v Sr. Deze maatregel ziet op een contact- en locatieverbod en gaat direct na het vonnis in. Bij het bepalen van deze straf en maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee. Ernst en omstandigheden van de feiten De verdachte heeft het slachtoffer, toen zij nog een relatie hadden, mishandeld. Hij heeft daarmee inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. Hij heeft, in plaats van het meningsverschil in een normaal gesprek te bespreken, het slachtoffer met een gebalde vuist geslagen en haar daarmee respectloos behandeld. Datzelfde respectloze gedrag komt ook terug na het verbreken van de relatie. De verdachte heeft geruime tijd op een intensieve, indringende en dreigende manier geprobeerd in contact te komen met het slachtoffer, vooral om haar te dwingen de relatie voort te zetten. Hij stuurde foto’s van de directe omgeving van het slachtoffer en belde met de kinderopvang. De verdachte heeft hierdoor het veiligheidsgevoel van het slachtoffer aangetast. Dat het handelen van de verdachte grote impact heeft gehad op het slachtoffer en gevoelens van angst bij haar heeft veroorzaakt, blijkt onder andere uit de aangifte en de schriftelijke slachtofferverklaring die de voorzitter ter terechtzitting heeft voorgedragen namens het slachtoffer. Tot op de zitting heeft de verdachte zijn verantwoordelijkheid niet volledig genomen. Alhoewel hij spijt heeft betuigd, heeft hij steeds weer verwijten bij het slachtoffer neergelegd en daarmee zijn eigen aandeel af proberen te zwakken. De rechtbank rekent dit alles de verdachte aan. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van 8 juli 2025 van de verdachte. Hieruit blijkt dat hij vaker is veroordeeld voor soortgelijke feiten en ook nog in een proeftijd liep voor een veroordeling voor stalking. Deze proeftijd en ook eerdere veroordelingen hebben de verdachte er blijkbaar niet van kunnen weerhouden opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen. De rechtbank weegt dit, bij het bepalen van de straf, in het nadeel van de verdachte mee. Ook heeft de rechtbank kennis genomen van: een rapport betreffende een Pro Justitia psychologisch onderzoek 30 mei 2025; een rapport betreffende een Pro Justitia psychiatrisch onderzoek van 6 juni 2025; een rapport van de reclassering van 27 juni 2025, opgemaakt door Reclassering Nederland, met daarbij een update van 4 juli 2025; een rapport van de reclassering van 25 september 2025, opgemaakt door Inforsa (verslavingsreclassering GGZ). De behandeling van de zaak is op de zitting van 4 juli 2025 aangehouden, omdat de rechtbank zich op dat moment onvoldoende geïnformeerd achtte over de persoon van de verdachte en het verloop van het traject na zijn opname in Zuid-Afrika eind 2024, begin 2025. Uit het nieuwe reclasseringsadvies van Inforsa en de toelichting van de ter terechtzitting gehoorde getuige-deskundige heeft de rechtbank nadere informatie over de verdachte verkregen. Uit de over de verdachte opgemaakte rapportages blijkt dat sprake is van zwakbegaafdheid en een stoornis in het gebruik van alcohol en cocaïne. De verdachte kampt al geruime tijd met ernstige verslavingsproblematiek. Ondanks meerdere pogingen tot behandeling, waaronder detoxtrajecten en een opname in Zuid-Afrika, is het hem tot op heden niet gelukt om blijvend abstinent te blijven. Na zijn behandeling in Zuid-Afrika eind 2024 is de vervolgbehandeling in Nederland niet van de grond gekomen, mede doordat de verdachte afspraken niet nakwam en is hij teruggevallen in middelengebruik. De verdachte is bekend met een licht verstandelijke beperking, zorgmijdend gedrag en heeft moeite met structuur en het nakomen van afspraken. Eerdere behandel- en begeleidingstrajecten zijn voortijdig afgebroken. Inforsa heeft overwogen een forensische klinische behandeling onder dwang te adviseren, maar ziet daar uiteindelijk van af. Ondanks dat het recidiverisico als hoog wordt ingeschat adviseert de reclassering geen bijzondere voorwaarden of toezicht binnen een reclasseringskader op te leggen. De reclassering constateert dat eerdere behandel- en begeleidingstrajecten niet hebben geleid tot duurzaam gedragsverandering of het voorkomen van delictgedrag. Zowel de reclassering als de onderzoekers uit de pro-Justitia-rapportages achten een gedwongen behandelverplichting niet zinvol. Zij wijzen erop dat de verdachte beter functioneert wanneer hij enige autonomie behoudt en gemotiveerd is binnen een vrijwillig kader. De verdachte kan op termijn weer starten met een opname via [kliniek] in Zuid-Afrika. Deze opname biedt een nieuwe kans op herstel binnen een vrijwillig kader. Na afronding daarvan kan de verdachte doorstromen naar een Safe House, op een andere locatie dan het vorige Safe House, en dagbehandeling. Daarnaast is hij aangemeld voor een zelfstandige woning met woonbegeleiding via PerMens. Om het recidiverisico te beperken is tevens aandacht nodig voor een zinvolle dagbesteding, stabiele huisvesting en duidelijke afspraken omtrent het contact met zijn kinderen. Gezien de beperkte motivatie van de verdachte en de keuze voor een vrijwillige behandeling is er geen basis voor toezicht in een reclasseringskader. Ter bescherming van het slachtoffer adviseert de reclassering wel een contactverbod, met politieopvolging in geval van overtreding. Strafkader Gezien de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. De rechtbank acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend en geboden. Dat zou in beginsel een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf zijn dan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank realiseert zich echter dat er sprake is van een bijzondere situatie. Op de zitting is gebleken dat de verdachte op vrijdag 10 oktober opgenomen kon worden voor een detoxopname. Direct aansluitend aan die opname volgt een intensieve (verslavings)behandeling via [kliniek] in Zuid-Afrika, vanaf vrijdag 17 oktober. De rechtbank begrijpt van de deskundigen dat een dwangkader, in de zin van het opleggen van verplichte behandeling(en), bij deze verdachte niet wenselijk is. Tegelijkertijd is er nog steeds sprake van een zeer ernstige, zelfs levensbedreigende, verslaving waarvoor behandeling absoluut noodzakelijk is. Omdat het belang van behandeling zo groot is en de verdachte zich wél gemotiveerd toont de behandeling via [kliniek] binnen een vrijwillig kader te volgen, zal de rechtbank afzien van een kader in de zin van bijzondere voorwaarden en dus geen verplichte behandeling(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.