← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:5530

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Familierecht locatie Utrecht zaaknummer: C/16/598747 / FV RK 25-2128 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tijdens de zitting van 3 september 2025 in de zaak van: [betrokkene] , betrokkene, geboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats] , wonend in [woonplaats] , verblijvend in de [Kliniek] , locatie [locatie] in [woonplaats] , advocaat mr. M. van Harskamp. 1De procedure 1.

  1. Betrokkene heeft op 25 augustus 2025 een verzoekschrift met bijlagen bij de rechtbank ingediend. 1.
  2. De instelling heeft op 1 september 2025 een verweerschrift ingediend. 1.
  3. Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 3 september
  4. Daarbij waren aanwezig: betrokkene met zijn advocaat; [persoon1] , psychiater; [persoon] , verpleegkundige in opleiding tot specialist. 1.
  5. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de rechter mondeling uitspraak gedaan op het verzoek. De beslissing en de gronden waarop deze is gebaseerd zijn hieronder weergegeven. 2De beslissing De rechtbank: 2.
  6. verklaart de klacht ongegrond; 2.
  7. wijst af het verzoek de beslissing te schorsen. 3De gronden van de beslissing 3.
  8. Op 1 mei 2025 heeft deze rechtbank een zorgmachtiging verleend voor betrokkene. De zorgmachtiging geldt tot en met 1 mei
  9. De rechtbank heeft hierbij het toedienen van medicatie als vorm van verplichte zorg toegewezen. 3.
  10. De instelling heeft op 23 juni 2025 een schriftelijke aanzegging voor verplichte zorg aan betrokkene afgegeven, en wel voor het toedienen van medicatie, het verrichten van medische controles en het insluiten van betrokkene. 3.
  11. Tegen deze aanzegging heeft betrokkene voor wat betreft het toedienen van medicatie op 10 juli 2025 een klacht bij de klachtencommissie ingediend. De klachtencommissie heeft op 17 juli 2025 de klacht ongegrond verklaard. 3.
  12. Betrokkene vraagt nu aan de rechtbank om een beslissing op de klacht. Betrokkene vraagt de rechtbank ook de beslissing van de instelling om verplichte zorg toe te passen te schorsen totdat de rechtbank definitief op de klacht van betrokkene heeft beslist. 3.
  13. De rechtbank moet beoordelen of de instelling clozapine als vorm van verplichte zorg mocht toepassen. Bij de beantwoording van deze vraag zijn de algemene uitgangspunten en de eisen van artikel 2:1 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg van toepassing. Dit houdt in dat de inzet van verplichte zorg moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit, doelmatigheid en veiligheid. De rechtbank is van oordeel dat dit zo is. 3.
  14. Het gaat al lang niet goed met betrokkene. Betrokkene wordt ook al heel lang behandeld met medicatie, laatstelijk in de vorm van paliperidon. Dat werkt echter niet goed; betrokken blijft inactief. Er gebeurt nu niets en betrokkene heeft op deze manier geen toekomst. Dit gaat niet vanzelf over, daarom moet er wat gebeuren. 3.
  15. Betrokkene lijdt aan schizofrenie en bij die stoornis is, als niks anders werkt, clozapine het laatste redmiddel. Clozapine geeft veel bijwerkingen. Betrokkene ervaart ook bijwerkingen. Zo heeft betrokkene last van stemmen in zijn hoofd en is hij moe en suf, waardoor hij veel slaapt. Ook ervaart betrokkene problemen met masturberen en heeft hij pijn aan zijn geslachtsdeel. Hij heeft ook last van zijn benen, waardoor hij niet kan bidden. Daardoor wordt betrokkene depressiever. De rechtbank begrijpt dat de bijwerkingen een ernstige inbreuk zijn op het leven van betrokkene. Toch wegen deze bijwerkingen niet op tegen de mogelijk positieve effecten van de medicatie gelet op de ernst van de situatie. Daarbij weegt mee dat de effecten van de medicatie binnen drie weken na de zitting zichtbaar moeten zijn. Als er na deze drie weken geen verbetering zichtbaar is, dan is de medicatie niet effectief. De psychiater heeft gezegd dat de behandeling met clozapine in dat geval zal worden gestaakt. Vanwege de relatief korte periode is het de moeite waard af te wachten of en hoe effectief deze medicatie is. 3.
  16. Betrokkene heeft ook veel last van de manier waarop de medicatie wordt toegediend. Dat gebeurt nu via injecties waarvan betrokkene denkt dat het (mede) oorzaak is van de pijn in zijn benen. Op dit moment is er geen andere mogelijkheid om de medicatie toe te dienen, omdat betrokkene de orale medicatie weigert. Dat betrokkene daarbij een beroep doet op zijn religeuze overtuigingen, maakt dat niet anders. Vermoed wordt dat zijn overtuiging op dit punt voortvloeit uit de stoornis. Als de medicatie werkt, bestaat dus ook de mogelijkheid dat de medicatie alsnog oraal kan worden toegediend. 3.
  17. Omdat de rechtbank een beslissing op de klacht heeft genomen, heeft betrokkene geen belang meer schorsing van de beslissing van de instelling. De rechtbank zal dit verzoek daarom afwijzen. Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 september door mr. M.W.J. van Elsdingen, rechter, in aanwezigheid van de griffier, waarvan dit proces-verbaal is opgemaakt. Dit proces-verbaal is verzonden op 18 september
  18. Tegen deze beslissing kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroepworden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.