← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:5598

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/6625 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser, (gemachtigde: mr. E. Ceylan), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. W. Epema). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om naturalisatie op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). 1.1. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 13 september 2023 afgewezen. Met het besluit (het bestreden besluit) van 17 september 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing gebleven. 1.2. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder een verweerschrift ingediend. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Totstandkoming van het besluit 2. Eiser stelt dat hij geboren is op [geboortedatum] 1974 en de Ethiopische nationaliteit heeft. Hij heeft op 19 september 2022 een aanvraag om naturalisatie gedaan. Eiser is als minderjarige naar Nederland gekomen en heeft momenteel een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Hij verblijft al 33 jaar in Nederland. Eiser doet het verzoek om naturalisatie op grond van vijf jaar onafgebroken toelating en hoofdverblijf. Eisers nationaliteit is niet vastgesteld. Hij doet een beroep op bewijsnood. Eiser geeft aan dat hij jarenlang zijn best heeft gedaan om aan een Ethiopisch paspoort te komen, maar zonder succes. Ook vindt hij dat het paspoortvereiste ten onrechte en op onjuiste gronden wordt tegengeworpen en dat zijn situatie niet verschilt van de situatie waarin Ranov-vergunninghouders zitten. 3. Verweerder wijst met het besluit van 13 september 2023 het verzoek om naturalisatie af. Eiser heeft bij de indiening van zijn naturalisatieverzoek geen geldig paspoort overgelegd en de informatie op de beide geboorteaktes komt niet overeen. Hierdoor staat zijn nationaliteit niet voldoende vast om voor naturalisatie in aanmerking te komen. Eisers beroep op bewijsnood wordt niet ingewilligd. Verweerder heeft geen bewijstukken ontvangen waaruit blijkt dat hij al het mogelijke heeft gedaan om aan een buitenlands reisdocument te komen en dat afgifte daarvan niet mogelijk is. De algemene hardheidsclausule biedt geen mogelijkheid tot afwijking van deze voorwaarden. 4. In het bestreden besluit van 17 september 2024 stelt verweerder zich op het standpunt dat het verzoek om naturalisatie terecht is afgewezen. Er bestaat twijfel over de identiteitsgegevens van eiser. Eiser heeft namelijk een kopie van een geboorteakte met nummer [nummer 1] van 29 februari 2024 (Gregoriaanse kalender) overgelegd en hierop staat een andere geboortedatum dan op zijn identiteitskaart en de geboorteakte met nummer [nummer 2] van 9 augustus 2021. De geboorte akte van 9 augustus 2021 is op 4 januari 2022 onderzocht door Bureau Documenten maar wijkt af van het beschikbare bewijsmateriaal zodat geen uitspraak gedaan kan worden over de echtheid, opmaak, afgifte en inhoud. Eiser heeft ondanks een verzoek daarom niet het origineel van de geboorteakte van 2024 overgelegd. Eiser heeft ook geen paspoort overgelegd. Eiser kan alleen van het paspoortvereiste vrijgesteld worden als hij aantoont dat er sprake van bewijsnood. Eiser heeft dat niet gedaan. Eiser had bijvoorbeeld via Invea een paspoort kunnen aanvragen, waarvoor hij ook de gelegenheid heeft gekregen, maar heeft dat niet gedaan.. Eiser heeft daarom niet aangetoond dat hij al het mogelijke heeft gedaan om aan een paspoort te komen. 4.1. Ook slaagt het beroep op het evenredigheidsbeginsel volgens verweerder niet. Dat eiser met de Ethiopische nationaliteit staat ingeschreven in de BRP, is geen reden om voorbij te gaan aan het paspoortvereiste. De veiligheid in Ethiopië maakt dit niet anders, omdat eiser een reguliere vergunning bezit en dus in beginsel van hem mag worden verlangd te reizen naar Ethiopië. Verder heeft eiser niet met recente objectieve bewijzen aangetoond dat er door de Ethiopische autoriteiten bijvoorbeeld door een overload aan aanvragen geen paspoorten worden afgegeven. Dat eiser stelt dat het geen nut heeft om een advocaat in te schakelen hiervoor omdat een paspoort in persoon aangevraagd moet worden en hij dat reeds heeft gedaan bij de ambassade in Den Haag maakt dit niet anders. Eiser is er al verschillende malen op gewezen dat deze ambassade gesloten is. Ook het feit dat eiser reeds lang in Nederland is, maakt niet dat aan het paspoort vereiste voorbijgegaan zou moeten worden. Gezien het grote gewicht van het verlenen van het Nederlanderschap moeten de identiteit en nationaliteit van eiser buiten twijfel zijn. 4.2. De minister volgt verder eisers beroep op het Ranov-beleid en zijn stelling dat sprake is van ongelijke behandeling niet. De uitzondering op de documenteis in het Ranov- beleid is alleen voor een specifieke groep in specifieke omstandigheden gemaakt. Eiser valt daar niet onder. Ook valt eiser niet onder de uitzondering van het beleid van 2023 waar hij op wijst. Eiser was weliswaar minderjarig toen hij naar Nederland kwam, maar de twijfel over zijn identiteit en nationaliteitsgegevens wordt niet veroorzaakt door onjuiste verklaringen van zijn ouders. Eiser is namelijk zonder zijn ouders naar Nederland gereisd. Het beroep op het recht op identiteit als bedoel in artikel 8 van het EVRM en het arrest Genovese vs. Malta, volgt de minister evenmin. Hieruit volgt niet dat eiser het recht heeft om een bepaalde identiteit te verkrijgen. Dat is alleen anders in geval van willekeur. Tot slot stelt de minister dat ook de hardheidclausule uit artikel 10 van de RWN niet maakt dat aan het paspoort vereiste voorbijgegaan moet worden. Dit artikel is niet van toepassing op het gestelde in artikel 7 van de RWN. Beoordeling door de rechtbank 5. De rechtbank beoordeelt of verweerder het naturalisatieverzoek van eiser terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Toetsingskader 7. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de RWN verleent de staatssecretaris met inachtneming van hoofdstuk 4 van de RWN het Nederlanderschap aan vreemdelingen die daarom verzoeken (naturalisatie). 8. Op grond van artikel 31, eerste lid, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap, verstrekt de vreemdeling bij de indiening van het naturalisatieverzoek waar mogelijk gegevens over diens nationaliteit en identiteit. 9. Op grond van onderdeel 7-alg, paragraaf 3, van de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 (Handleiding) moet de vreemdeling zekerheid verschaffen over diens nationaliteit en identiteit. 10. De verlening van het Nederlanderschap is een zaak van groot gewicht, waar aanzienlijke gevolgen aan zijn verbonden. Bij de beoordeling van een verzoek tot naturalisatie, is het daarom nodig dat de identiteit en nationaliteit van een verzoeker buiten twijfel staan. Op grond van de RWN en de beleidsregels in de Handleiding, is het aan de verzoeker om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen en aan verweerder om te beoordelen of de identiteit en nationaliteit zijn komen vast te staan. Het bewijs moet worden geleverd met een gelegaliseerde dan wel geapostilleerde geboorteakte en met een geldig buitenlands paspoort. Verweerder wijkt van deze hoofdregel af indien er sprake is van bewijsnood of indien het in het individuele geval onevenredig is om vast te houden aan de hoofdregel. Verweerder kan dan van het beleid afwijken met toepassing van het evenredigheidsbeginsel zoals bedoeld in artikel 3:4, tweede lid, of artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. Beleidswijziging van 1 januari 2023 11. Eiser voert aan dat de twijfel over zijn identiteit hem niet tegengeworpen kan worden, Eiser stelt dat hij wel een beroep kan doen op de beleidswijziging van 1 januari 2023. Eiser is van mening dat het niet enkel om twijfel over de identiteit van het minderjarige kind die is ontstaan door verklaringen van ouders dient te gaan, maar om twijfel door het toedoen van de ouders. Dat is volgens hem aan de orde, omdat hij als minderjarige asielzoeker naar Nederland is gereisd en hij niet beter weet dan dat hij is wie hij zegt te zijn omdat zijn ouders hem dat altijd verteld hebben. De handelingen van zijn ouders mogen daarom niet aan hem worden toegerekend, dat is onevenredig. 12. De rechtbank overweegt als volgt. De beleidswijziging van 1 januari 2023 houdt in dat een naturalisatieverzoek niet wordt afgewezen in de situatie waarbij de twijfel over de identiteit of nationaliteit van een minderjarige enkel is ontstaan door onjuiste verklaringen van de ouders. In die situatie is het onevenredig deze twijfel aan de minderjarige tegen te werpen en hem het Nederlanderschap op basis daarvan te onthouden. 13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat deze uitzondering niet van toepassing is op eiser. Eiser is zonder zijn ouders naar Nederland gekomen en de twijfel die bestaat over eisers identiteit is niet gelegen in de verklaringen die eisers ouders hebben afgelegd, maar in het feit dat eiser een geboorteakte die is afgegeven op 9 augustus 2021 heeft overgelegd die afwijkt van het beschikbare vergelijkingsmateriaal zodat Bureau Documenten geen uitspraak kan doen over de echtheid opmaak, afgifte en inhoud daarvan, én een kopie van een tweede geboorteakte die is afgegeven op 29 februari 2024 (Gregoriaanse kalender) heeft overgelegd waarop een andere geboortedatum staat dan op zijn identiteitskaart en op voornoemde eerder overgelegde geboorteakte. De stelling van eiser dat dit beleid ruimer opgevat moet worden gelet op de doelstelling van het beleid en de verwijzing naar de brief van verweerder van 31 oktober 2022 maakt dit niet anders. De rechtbank ziet voor een dergelijke ruime opvatting van het beleid geen aanknopingspunten. Ongerechtvaardigd onderscheid tussen Ranov-vergunninghouders en eiser 14. Eiser stelt eiser dat sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid tussen de Ranov-vergunninghouders en eiser zelf. De Ranov-vergunninghouders aan wie wel het Nederlanderschap wordt verleend, zitten feitelijk in dezelfde situatie zitten als eiser. Dit is in strijd met de artikelen 14 en 8 van het EVRM. Ook eiser dient daarom vrij te worden gesteld van het paspoortvereiste. 15. De rechtbank is van oordeel dat deze grond niet slaagt. Voor Ranov-vergunninghouders geldt sinds 1 november 2021 dat zij onder bepaalde voorwaarden zijn vrijgesteld van dit documentvereiste. Het uitgangspunt dat gerede twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit een reden kan zijn voor afwijzing, blijft echter onverminderd gelden. Dat is alleen anders als de uitzondering van het beleid van 2023 zoals opgenomen in overweging 12 van toepassing is, of sprake is van bewijsnood, toepasselijkheid van de hardheidsclausule of strijd met het evenredigheidsbeginsel. 16. Zoals verweerder terecht stelt, is deze regeling uitdrukkelijk voor een specifieke groep vreemdelingen die in een specifieke situatie verkeren, in het leven geroepen. Eiser maakt geen onderdeel uit van deze specifieke groep. Van een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van gelijke gevallen, is derhalve geen sprake. Er is dus ook geen strijd met de artikelen 8 en 14 van het EVRM. Bewijsnood en strijd met het (Unierechtelijk) evenredigheidsbeginsel 17. Eiser vindt dat de minister niet van hem mag verlangen dat hij een paspoort overlegt omdat er sprake is bewijsnood en er ook sprake is van strijd is met het (Unierechtelijk) evenredigheidsbeginsel. Het vasthouden aan het paspoort vereiste is excessief formalistisch, onevenredig en in strijd met artikel 13 van het EVRM en het arrest G.R. vs. Nederland. Eiser is als minderjarige asielzoeker Nederland ingereisd. Daardoor kan hij onmogelijk voldoen aan de eisen verweerder. Hij vindt dat verweerder geen deugdelijk maatwerk heeft verricht. Er is sprake is van bewijsnood. Daarbij komt dat eiser wel een rechtsgeldige gelegaliseerde geboorteakte heeft overgelegd, welke als brondocument is gebruikt voor zijn registratie in de BRP. Dit is hard bewijs waarmee zijn nationaliteit en identiteit zijn vastgesteld. Eiser ziet de meerwaarde van het overleggen van een paspoort dan ook niet in. Eiser vindt de eis van het overleggen van een Ethiopisch paspoort onevenredig en excessief formalistisch en in strijd met artikel 13 van het EVRM. Dit te meer omdat hij daarna afstand dient te nemen van zijn oorspronkelijke nationaliteit ter verkrijging van de Nederlandse nationaliteit. 18. De rechtbank oordeelt als volgt. Zoals overwogen in rechtsoverweging 10 wordt van het vereiste van het overleggen van een paspoort afgeweken indien sprake is van (

  1. i)bewijsnood en (
  2. ii)in het geval het onevenredig is om aan het in het beleid opgenomen documentvereiste vast te houden. 19. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van bewijsnood. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de verzoeker die betoogt dat hij in bewijsnood verkeert, moet aantonen dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van de gevraagde documenten. Eiser heeft een paspoortaanvraag en nationaliteit verificatie bij de ambassade van de democratische Republiek Ethiopië van 3 oktober 2012 overgelegd, een nationaliteit verificatie bij de ambassade van de democratische Republiek Ethiopië van 3 juni 2021, een door eiser gestuurde brief aan Zijne Majesteit Koning Willem-Alexander van 29 juli 2020 en foto’s waaruit blijkt dat eiser bij de ambassade in Den Haag is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser daarmee niet al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van de gevraagde documenten, en dat er daarom geen sprake is van bewijsnood. Verweerder heeft daartoe terecht gesteld dat de ambassade van de democratische Republiek Ethiopië in Den Haag is gesloten en nu gevestigd is in Brussel. Eiser heeft echter geen aanvraag gedaan bij de ambassade in Brussel. De brief aan Zijne Majesteit de Koning waarin eiser vraagt om aan hem de Nederlandse nationaliteit te verlenen kan niet gelijk worden gesteld met een aanvraag voor een paspoort. De door eiser overgelegde verklaring van de Ethiopische autoriteiten van 9 december 2019 betreft geen paspoortaanvraag, en bevat enkel een naam en een geboortejaartal, maar geen geboortedatum, pasfoto of andere informatie om te verifiëren dat deze verklaring daadwerkelijk betrekking heeft op eiser. Ook bevat deze verklaring geen informatie over de vraag of eiser al dan niet een paspoort kan verkrijgen. Verder heeft verweerder eiser er verschillende malen op gewezen dat hij ook via Invea of in Ethiopië een paspoort kan aanvragen. Ook dit heeft eiser niet gedaan. Gezien dit alles is de rechtbank van oordeel dat eiser niet al het mogelijke heeft gedaan om in bezit te komen van de gevraagde documenten. 20. De stelling van eiser ter zitting dat alleen minderjarigen via Invea een paspoort kunnen aanvragen maakt dit niet anders. Eiser heeft dit niet eerder naar voren gebracht en niet onderbouwd. 21. Ook de verdere stellingen van eiser maken dit niet anders. De stelling van eiser dat het voor hem niet veilig is om naar Ethiopië te reizen is niet onderbouwd en verhoudt zich niet met het feit dat eiser een reguliere vergunning heeft en geen asielvergunning. De stelling van eiser op de zitting dat op zijn reisdocument staat dat Ethiopië is uitgezonderd om naar toe te reizen, zodat hij in Ethiopië geen bijstand krijgt wanneer hem iets overkomt, is evenmin onderbouwd. Bovendien is niet duidelijk wat de reikwijdte en strekking van die vermelding op het reisdocument is. 22. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich eveneens terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van strijd met het (Unierechtelijk) evenredigheidsbeginsel niet slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen bijzondere omstandigheden die maken dat het handelen van verweerder overeenkomstig het beleid gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding met de te dienen doelen. Het feit dat eiser heeft gesteld dat hij al lang in Nederland woont, dat hij een volwaardig burger is en wil stemmen is – hoe begrijpelijk ook – hiervoor onvoldoende. De stelling van eiser dat hij op basis van de geboorteakte in de BRP is ingeschreven en dat dit hard bewijs is in het kader van zijn identiteit en nationaliteit, maakt ook dat niet dat het onevenredig is dat verweerder van hem een paspoort verlangd om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen. Alhoewel documenten die aan de inschrijving in de BRP ten grondslag liggen in beginsel ook voor een verzoek om naturalisatie aanvaard worden, blijft gezien paragraaf 3.5.3. van de Handleiding en artikel 7 van de RWN als hoofdregel gelden dat de verzoeker verplicht is zijn identiteit en nationaliteit van te tonen met een gelegaliseerde geboorteakte en met een geldig buitenlands paspoort. Nu er twijfel bestaat over de identiteit en nationaliteit van eiser, omdat Bureau Documenten over de geboorteakte geen uitspraak kon doen over de echtheid, opmaak, afgifte en inhoud, en omdat er op de andere overgelegde geboorteakte een andere geboortedatum staat dan op de eerder overgelegde geboorteakte en identiteitskaart, mag verweerder van eiser verlangen dat hij aan het paspoortvereiste voldoet om zijn identiteit en nationaliteit te onderbouwen. Het vasthouden aan dit vereiste is in deze omstandigheden niet onevenredig. Dit mede gezien hetgeen hiervoor is overwogen in overwegingen 19, 20 en 21. 23. Ook slaagt het beroep op het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel niet. De rechtbank overweegt daartoe dat het nationaliteitsrecht niet onder de werkingssfeer van het Unierecht valt, zodat het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel hier niet van toepassing is. Schending van artikel 8 van het EVRM (het recht op identiteit) 24. Eiser vindt dat artikel 8 van het EVRM is geschonden. Hij heeft geen beroep gedaan op het arrest Genovese tegen Malta in het kader van het gelijkheidsbeginsel, maar om aan te tonen dat en waarom de gestelde eisen van verweerder maken dat sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM. Eiser is op zijn 15e Nederland binnengereisd, is inmiddels 50 jaar, heeft banden met Nederland en zijn recht op identiteit moet daarom worden geëerbiedigd. 25. De rechtbank overweegt dat artikel 8 van het EVRM (en in het verlengde daarvan het arrest Genovese vs. Malta zich er niet tegen verzetten dat voor de beoordeling van een naturalisatieverzoek eisen worden gesteld aan het bewijs van de identiteit. Dit komt niet in strijd met eisers recht op identiteit en privéleven. Alleen als zich bij de afweging van een naturalisatieverzoek willekeur voordoet, kan onder bijzondere omstandigheden artikel 8 van het EVRM in beeld komen. Ook volgt uit artikel 8 van het EVRM geen recht op een specifieke nationaliteit. De rechtbank is verder niet gebleken van omstandigheden door eiser aangevoerd waaruit volgt dat er desondanks een schending van artikel 8 van het EVRM moet worden aangenomen. Hardheidsclausule 26. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte geen toepassing gegeven aan de hardheidsclausule van artikel 10 van de RWN. 27. Het beroep op de hardheidsclausule slaagt niet. De hardheidsclausule uit artikel 10 van de RWN geen geeft vrije bevoegdheid om af te wijken van de wettelijke eisen voor naturalisatie, maar biedt de mogelijkheid om alleen in zeer bijzondere omstandigheden af te wijken van bepaalde in de RWN gestelde vereisten. Gedacht moet worden aan redenen van staatsbelang, andere gewichtige belangen van het Koningrijk of zwaarwegende humanitaire redenen. Dit soort belangen zijn in het geval van eiser niet aan de orde. Conclusie en gevolgen 28. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Eiser heeft eerder op 18 oktober 2010 en 25 juni 2018 verzoeken om naturalisatie gedaan, die niet zijn ingewilligd wegens het ontbreken van een gelegaliseerde geboorteakte en een geldig buitenlands reisdocument. Artikel 8, eerste lid, sub c, van de RWN. Regeling Afwikkeling Nalatenschap Oude Vreemdelingenwet (Ranov). Applicatie voor de Ethiopische diaspora, waarmee gebruikers paspoorten en herkomst-ID’s kunnen aanvragen en vernieuwen. Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 5 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT6673. Uitspraak van de Afdeling van 13 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2483. Uitspraken van de Afdeling van 24 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:501 en van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5014. Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 (Handleiding), toelichting op artikel 7, paragraaf 3.5.6. Die is opgenomen in paragraaf 3.5.1. van de Handleiding. Zie pagina 3 van het bestreden besluit. Kamerstukken II, 2022/2023, 19 637, nr. 3000. Handleiding, paragraaf 3.5.6. Handleiding, toelichting op artikel 7, paragraaf 3.5.1 en de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2566. Handleiding, toelichting op artikel 7, paragraaf 3.5.1. Arrest van het EHRM van 10 januari 2012, nr. 22252/07. Uitspraken van de Afdeling van 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:120 en uitspraak van 19 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:639. Ambtshalve heft de Rechtbank de wetenschap dat ambassade de sinds augustus 2021 gesloten is. Uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5014. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3013. Arrest van het Europees Hof van de Rechten van de Mens van 10 oktober 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:1011JUD005312409. Uitspraak van de Afdeling van 11 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1267. Uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5014. Kamerstukken II, 2014/2015, 33 852, nr. 6, blz. 4. Handleiding, toelichting op artikel 10, paragraaf 1.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.