RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/6625 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser, (gemachtigde: mr. E. Ceylan), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. W. Epema). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om naturalisatie op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). 1.1. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 13 september 2023 afgewezen. Met het besluit (het bestreden besluit) van 17 september 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing gebleven. 1.2. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder een verweerschrift ingediend. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Totstandkoming van het besluit 2. Eiser stelt dat hij geboren is op [geboortedatum] 1974 en de Ethiopische nationaliteit heeft. Hij heeft op 19 september 2022 een aanvraag om naturalisatie gedaan. Eiser is als minderjarige naar Nederland gekomen en heeft momenteel een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Hij verblijft al 33 jaar in Nederland. Eiser doet het verzoek om naturalisatie op grond van vijf jaar onafgebroken toelating en hoofdverblijf. Eisers nationaliteit is niet vastgesteld. Hij doet een beroep op bewijsnood. Eiser geeft aan dat hij jarenlang zijn best heeft gedaan om aan een Ethiopisch paspoort te komen, maar zonder succes. Ook vindt hij dat het paspoortvereiste ten onrechte en op onjuiste gronden wordt tegengeworpen en dat zijn situatie niet verschilt van de situatie waarin Ranov-vergunninghouders zitten. 3. Verweerder wijst met het besluit van 13 september 2023 het verzoek om naturalisatie af. Eiser heeft bij de indiening van zijn naturalisatieverzoek geen geldig paspoort overgelegd en de informatie op de beide geboorteaktes komt niet overeen. Hierdoor staat zijn nationaliteit niet voldoende vast om voor naturalisatie in aanmerking te komen. Eisers beroep op bewijsnood wordt niet ingewilligd. Verweerder heeft geen bewijstukken ontvangen waaruit blijkt dat hij al het mogelijke heeft gedaan om aan een buitenlands reisdocument te komen en dat afgifte daarvan niet mogelijk is. De algemene hardheidsclausule biedt geen mogelijkheid tot afwijking van deze voorwaarden. 4. In het bestreden besluit van 17 september 2024 stelt verweerder zich op het standpunt dat het verzoek om naturalisatie terecht is afgewezen. Er bestaat twijfel over de identiteitsgegevens van eiser. Eiser heeft namelijk een kopie van een geboorteakte met nummer [nummer 1] van 29 februari 2024 (Gregoriaanse kalender) overgelegd en hierop staat een andere geboortedatum dan op zijn identiteitskaart en de geboorteakte met nummer [nummer 2] van 9 augustus 2021. De geboorte akte van 9 augustus 2021 is op 4 januari 2022 onderzocht door Bureau Documenten maar wijkt af van het beschikbare bewijsmateriaal zodat geen uitspraak gedaan kan worden over de echtheid, opmaak, afgifte en inhoud. Eiser heeft ondanks een verzoek daarom niet het origineel van de geboorteakte van 2024 overgelegd. Eiser heeft ook geen paspoort overgelegd. Eiser kan alleen van het paspoortvereiste vrijgesteld worden als hij aantoont dat er sprake van bewijsnood. Eiser heeft dat niet gedaan. Eiser had bijvoorbeeld via Invea een paspoort kunnen aanvragen, waarvoor hij ook de gelegenheid heeft gekregen, maar heeft dat niet gedaan.. Eiser heeft daarom niet aangetoond dat hij al het mogelijke heeft gedaan om aan een paspoort te komen. 4.1. Ook slaagt het beroep op het evenredigheidsbeginsel volgens verweerder niet. Dat eiser met de Ethiopische nationaliteit staat ingeschreven in de BRP, is geen reden om voorbij te gaan aan het paspoortvereiste. De veiligheid in Ethiopië maakt dit niet anders, omdat eiser een reguliere vergunning bezit en dus in beginsel van hem mag worden verlangd te reizen naar Ethiopië. Verder heeft eiser niet met recente objectieve bewijzen aangetoond dat er door de Ethiopische autoriteiten bijvoorbeeld door een overload aan aanvragen geen paspoorten worden afgegeven. Dat eiser stelt dat het geen nut heeft om een advocaat in te schakelen hiervoor omdat een paspoort in persoon aangevraagd moet worden en hij dat reeds heeft gedaan bij de ambassade in Den Haag maakt dit niet anders. Eiser is er al verschillende malen op gewezen dat deze ambassade gesloten is. Ook het feit dat eiser reeds lang in Nederland is, maakt niet dat aan het paspoort vereiste voorbijgegaan zou moeten worden. Gezien het grote gewicht van het verlenen van het Nederlanderschap moeten de identiteit en nationaliteit van eiser buiten twijfel zijn. 4.2. De minister volgt verder eisers beroep op het Ranov-beleid en zijn stelling dat sprake is van ongelijke behandeling niet. De uitzondering op de documenteis in het Ranov- beleid is alleen voor een specifieke groep in specifieke omstandigheden gemaakt. Eiser valt daar niet onder. Ook valt eiser niet onder de uitzondering van het beleid van 2023 waar hij op wijst. Eiser was weliswaar minderjarig toen hij naar Nederland kwam, maar de twijfel over zijn identiteit en nationaliteitsgegevens wordt niet veroorzaakt door onjuiste verklaringen van zijn ouders. Eiser is namelijk zonder zijn ouders naar Nederland gereisd. Het beroep op het recht op identiteit als bedoel in artikel 8 van het EVRM en het arrest Genovese vs. Malta, volgt de minister evenmin. Hieruit volgt niet dat eiser het recht heeft om een bepaalde identiteit te verkrijgen. Dat is alleen anders in geval van willekeur. Tot slot stelt de minister dat ook de hardheidclausule uit artikel 10 van de RWN niet maakt dat aan het paspoort vereiste voorbijgegaan moet worden. Dit artikel is niet van toepassing op het gestelde in artikel 7 van de RWN. Beoordeling door de rechtbank 5. De rechtbank beoordeelt of verweerder het naturalisatieverzoek van eiser terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Toetsingskader 7. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de RWN verleent de staatssecretaris met inachtneming van hoofdstuk 4 van de RWN het Nederlanderschap aan vreemdelingen die daarom verzoeken (naturalisatie). 8. Op grond van artikel 31, eerste lid, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap, verstrekt de vreemdeling bij de indiening van het naturalisatieverzoek waar mogelijk gegevens over diens nationaliteit en identiteit. 9. Op grond van onderdeel 7-alg, paragraaf 3, van de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 (Handleiding) moet de vreemdeling zekerheid verschaffen over diens nationaliteit en identiteit. 10. De verlening van het Nederlanderschap is een zaak van groot gewicht, waar aanzienlijke gevolgen aan zijn verbonden. Bij de beoordeling van een verzoek tot naturalisatie, is het daarom nodig dat de identiteit en nationaliteit van een verzoeker buiten twijfel staan. Op grond van de RWN en de beleidsregels in de Handleiding, is het aan de verzoeker om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen en aan verweerder om te beoordelen of de identiteit en nationaliteit zijn komen vast te staan. Het bewijs moet worden geleverd met een gelegaliseerde dan wel geapostilleerde geboorteakte en met een geldig buitenlands paspoort. Verweerder wijkt van deze hoofdregel af indien er sprake is van bewijsnood of indien het in het individuele geval onevenredig is om vast te houden aan de hoofdregel. Verweerder kan dan van het beleid afwijken met toepassing van het evenredigheidsbeginsel zoals bedoeld in artikel 3:4, tweede lid, of artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. Beleidswijziging van 1 januari 2023 11. Eiser voert aan dat de twijfel over zijn identiteit hem niet tegengeworpen kan worden, Eiser stelt dat hij wel een beroep kan doen op de beleidswijziging van 1 januari 2023. Eiser is van mening dat het niet enkel om twijfel over de identiteit van het minderjarige kind die is ontstaan door verklaringen van ouders dient te gaan, maar om twijfel door het toedoen van de ouders. Dat is volgens hem aan de orde, omdat hij als minderjarige asielzoeker naar Nederland is gereisd en hij niet beter weet dan dat hij is wie hij zegt te zijn omdat zijn ouders hem dat altijd verteld hebben. De handelingen van zijn ouders mogen daarom niet aan hem worden toegerekend, dat is onevenredig. 12. De rechtbank overweegt als volgt. De beleidswijziging van 1 januari 2023 houdt in dat een naturalisatieverzoek niet wordt afgewezen in de situatie waarbij de twijfel over de identiteit of nationaliteit van een minderjarige enkel is ontstaan door onjuiste verklaringen van de ouders. In die situatie is het onevenredig deze twijfel aan de minderjarige tegen te werpen en hem het Nederlanderschap op basis daarvan te onthouden. 13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat deze uitzondering niet van toepassing is op eiser. Eiser is zonder zijn ouders naar Nederland gekomen en de twijfel die bestaat over eisers identiteit is niet gelegen in de verklaringen die eisers ouders hebben afgelegd, maar in het feit dat eiser een geboorteakte die is afgegeven op 9 augustus 2021 heeft overgelegd die afwijkt van het beschikbare vergelijkingsmateriaal zodat Bureau Documenten geen uitspraak kan doen over de echtheid opmaak, afgifte en inhoud daarvan, én een kopie van een tweede geboorteakte die is afgegeven op 29 februari 2024 (Gregoriaanse kalender) heeft overgelegd waarop een andere geboortedatum staat dan op zijn identiteitskaart en op voornoemde eerder overgelegde geboorteakte. De stelling van eiser dat dit beleid ruimer opgevat moet worden gelet op de doelstelling van het beleid en de verwijzing naar de brief van verweerder van 31 oktober 2022 maakt dit niet anders. De rechtbank ziet voor een dergelijke ruime opvatting van het beleid geen aanknopingspunten. Ongerechtvaardigd onderscheid tussen Ranov-vergunninghouders en eiser 14. Eiser stelt eiser dat sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid tussen de Ranov-vergunninghouders en eiser zelf. De Ranov-vergunninghouders aan wie wel het Nederlanderschap wordt verleend, zitten feitelijk in dezelfde situatie zitten als eiser. Dit is in strijd met de artikelen 14 en 8 van het EVRM. Ook eiser dient daarom vrij te worden gesteld van het paspoortvereiste. 15. De rechtbank is van oordeel dat deze grond niet slaagt. Voor Ranov-vergunninghouders geldt sinds 1 november 2021 dat zij onder bepaalde voorwaarden zijn vrijgesteld van dit documentvereiste. Het uitgangspunt dat gerede twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit een reden kan zijn voor afwijzing, blijft echter onverminderd gelden. Dat is alleen anders als de uitzondering van het beleid van 2023 zoals opgenomen in overweging 12 van toepassing is, of sprake is van bewijsnood, toepasselijkheid van de hardheidsclausule of strijd met het evenredigheidsbeginsel. 16. Zoals verweerder terecht stelt, is deze regeling uitdrukkelijk voor een specifieke groep vreemdelingen die in een specifieke situatie verkeren, in het leven geroepen. Eiser maakt geen onderdeel uit van deze specifieke groep. Van een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van gelijke gevallen, is derhalve geen sprake. Er is dus ook geen strijd met de artikelen 8 en 14 van het EVRM. Bewijsnood en strijd met het (Unierechtelijk) evenredigheidsbeginsel 17. Eiser vindt dat de minister niet van hem mag verlangen dat hij een paspoort overlegt omdat er sprake is bewijsnood en er ook sprake is van strijd is met het (Unierechtelijk) evenredigheidsbeginsel. Het vasthouden aan het paspoort vereiste is excessief formalistisch, onevenredig en in strijd met artikel 13 van het EVRM en het arrest G.R. vs. Nederland. Eiser is als minderjarige asielzoeker Nederland ingereisd. Daardoor kan hij onmogelijk voldoen aan de eisen verweerder. Hij vindt dat verweerder geen deugdelijk maatwerk heeft verricht. Er is sprake is van bewijsnood. Daarbij komt dat eiser wel een rechtsgeldige gelegaliseerde geboorteakte heeft overgelegd, welke als brondocument is gebruikt voor zijn registratie in de BRP. Dit is hard bewijs waarmee zijn nationaliteit en identiteit zijn vastgesteld. Eiser ziet de meerwaarde van het overleggen van een paspoort dan ook niet in. Eiser vindt de eis van het overleggen van een Ethiopisch paspoort onevenredig en excessief formalistisch en in strijd met artikel 13 van het EVRM. Dit te meer omdat hij daarna afstand dient te nemen van zijn oorspronkelijke nationaliteit ter verkrijging van de Nederlandse nationaliteit. 18. De rechtbank oordeelt als volgt. Zoals overwogen in rechtsoverweging 10 wordt van het vereiste van het overleggen van een paspoort afgeweken indien sprake is van (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.