RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: UTR 24/4649 en UTR 24/4651 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser, (gemachtigde: mr. S. Oord van DAS voor de zaak 24/4651), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, het college, (gemachtigde: mr. drs. H. van Gellekom). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen twee besluiten tot het niet in behandeling nemen van in totaal 13 verzoeken om openbaarmaking op grond van de Wet open overheid (Woo). 1.1. Het college heeft op 5 januari 2024 besloten negen verzoeken niet te behandelen die eiser op 24, 26, 27, 28 en 29 december 2023 en op 2 januari 2024 heeft ingediend. Het college neemt de negen ingediende Woo-verzoeken niet in behandeling op grond van artikel 4.6 van de Woo. Het college is van mening dat sprake is van misbruik van recht omdat eiser een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie. Het college baseert dit onder meer op de wijze en moment van indiening, aard en inhoud van de verzoeken, en de context waarbinnen ze zijn ingediend. 1.2. Op 8 februari 2024 heeft het college hetzelfde besloten ten aanzien van de vier verzoeken die eiser op 25, 26, 29 en 30 januari 2024 heeft ingediend. Het college heeft deze vier verzoeken niet in behandeling genomen, omdat het college primair vindt dat deze verzoeken herhaalde verzoeken zijn zonder dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Subsidiair vindt het college dat sprake is van misbruik van recht en verwijst naar de motivering in het besluit van 5 januari 2024. 1.3. Met de twee bestreden besluiten van 22 mei 2024 en 23 mei 2024 heeft het college de bezwaren tegen beide besluiten ongegrond verklaard. 1.4. Eiser heeft tegen de beide bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen het bestreden besluit van 22 mei 2024 waarmee de negen verzoeken niet in behandeling zijn genomen, is het beroep UTR 24/4651. Het beroep tegen het bestreden besluit van 23 mei 2024 waarmee 4 verzoeken niet in behandeling zijn genomen, is het beroep UTR 24/4649. 1.5. Het college heeft op 21 februari 2025 op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. 1.6. De rechtbank heeft de beroepen op 30 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het college deelgenomen. De gemachtigde van eiser heeft zich voor de zitting afgemeld. Eiser is niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt de bestreden besluiten aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 3. De beroepen zijn ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Ontvankelijkheid 4. Het college stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat de beroepen niet-ontvankelijk verklaard moeten worden, omdat ze geen concrete beroepsgronden bevatten. 5. De rechtbank oordeelt anders. De rechtbank overweegt dat de indien en van het beroep moet vermelden waarom hij het niet eens is met het besluit. Dat worden de beroepsgronden genoemd. Als daar niet aan wordt voldaan is de hoofdregel dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk mag behandelen. Eiser heeft echter onder meer aangevoerd dat hij geen ander doel had dan het verkrijgen van publieke informatie en dat niet aan het kennelijkheidsvereiste van artikel 4:6 van de Woo is voldaan, zodat er geen sprake is van misbruik van recht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser daarmee – zij het uiterst summier – duidelijk gemaakt waarom hij het niet eens is met het niet in behandeling nemen van de Woo-verzoeken vanwege misbruik van recht. De rechtbank is daarom van oordeel dat de beroepen ontvankelijk zijn. UTR 24/4651 – negen Woo-verzoeken 6. De negen Woo-verzoeken van eiser houden het volgende in: 1. Verzoek d.d. 2 januari 2024: Verzoek om alle peilbuismetingen ten aanzien van de grondwaterstand uiteengezet in grafieken te openbaren, met daarbij per rak een overzichtskaart met daarop de exacte meetlocaties, oftewel waar de peilbuizen zich hebben bevonden, tevens per grafiek een verwijzing naar de exacte meetlocaties op deze overzichtskaarten. Verzoek betreft de periode vanaf de start van de werkzaamheden aan de wal en kluismuren aan de [straat 1] , [straat 2] en de [straat 3] in 2008 tot en met 1 jan 2024; 2) Verzoek d.d. 2 januari 2024: Verzoek om alle trillingsmetingen uiteengezet in grafieken te openbaren met daarbij per rak een overzichtskaart met daarop aangegeven de exacte meetlocaties, oftewel waar de trillingsmeters zich hebben bevonden, teven per grafiek een verwijzing naar de exacte meetlocaties op deze overzichtskaarten Verzoek betreft de periode vanaf de start van de werkzaamheden aan de wal en kluismuren aan de [straat 1] , [straat 2] en de [straat 3] in 2008 tot en met 1 jan 2024 ; 3) Verzoek d.d. 29 december 2023: Verzoek om openbaarmaking van a. alle door de AnteaGroup opgestelde documenten met in begrip van, maar niet beperkt tot rapporten, onderzoeksrapporten, inspectierapportages, memo’s en verslagen inzake kelders in het Wervengebied die aan de gemeente zijn verstuurd/overgelegd, b. alle conceptuele documenten, met in begrip van maar niet beperkt tot conceptrapporten, conceptonderzoeksrapporten, conceptinspectie rapportages, conceptmemo’s, en conceptverslagen die betrekking hebben op kelders in het Wervengebied en aan de gemeente Utrecht zijn toegezonden, dan wel overgelegd; c. alle door de gemeente aan AnteaGroup verstrekte onderzoeksopdrachten, inclusief de onderzoeksvragen, met betrekking tot kelders in het Wervengebied; en d. alle correspondentie tussen de gemeente en de AnteaGroup met betrekking tot kelders in het Wervengebied. Verzoek betreft de periode 1 januari 2025 tot het moment van openbaarmaking van besluitvorming. 4) Verzoek d.d. 29 december 2023: Verzoek om openbaarmaking van a. alle door de [deskundige] opgestelde documenten met in begrip van, maar niet beperkt tot rapporten, onderzoeksrapporten, inspectierapportages, memo’s en verslagen inzake kelders in het Wervengebied die aan de gemeente zijn verstuurd/overgelegd, b. alle conceptuele documenten, met in begrip van maar niet beperkt tot conceptrapporten, conceptonderzoeksrapporten, conceptinspectie rapportages, conceptmemo’s, en conceptverslagen die betrekking hebben op kelders in het Wervengebied en aan de gemeente Utrecht zijn toegezonden, dan wel overgelegd; c. alle door de gemeente aan [deskundige] verstrekte onderzoeksopdrachten, inclusief de onderzoeksvragen, met betrekking tot kelders in het Wervengebied; en d. alle correspondentie tussen de gemeente en [deskundige] met betrekking tot kelders in het Wervengebied Verzoek betreft de periode 1 januari 2025 tot het moment van openbaarmaking van besluitvorming. 5) Verzoek d.d. 28 december 2023: Verzoek om openbaarmaking van alle onderzoeks- en adviesrapporten omtrent het voorkomen van schade aan de kelders in het Wervengebied. Inclusief alle conceptuele rapporten (welke mogelijk niet definitief zijn gemaakt). En verzoek om openbaarmaking van alle overzoeksopdrachten ten aanzien van het voorkomen van schade van de gemeente aan onderzoekbureaus of andere organisaties, met inbegrip van de onderzoeksvragen. Verzoek betreft de periode vanaf 1 januari 2012 tot moment van besluitvorming. 6) Verzoek d.d. 27 december 2023: Verzoek om openbaarmaking van een volledig overzicht van alle sinds 1 januari 2015 herstelde kelders in het Wervengebied, met inbegrip van de volgend informatie per kelder: De locatie (straat en huisnummer), welke schade bij welke kelder aanwezig was, korte beschrijving van de uitgevoerde (herstel) werkzaamheden, of het gaat om herstel in opdracht van de Gemeente Utrecht ofwel in opdracht van keldereigenaar, als opdracht door gemeente dan ook de totale herstelkosten per kelder, als opdracht door de keldereigenaar dan de financiële bijdrage al dan niet in vorm van een subsidie: het totale bedrag dat de gemeente, per kelder heeft bijgedragen en welk percentage dat is van de totale herstelkosten. 7) Verzoek d.d. 27 december 2023: Verzoek om openbaarmaking van een volledig overzicht van alle beschadigde kelders, met in begrip van de volgende informatie per kelder: De locatie (straat en huisnummer) , om wat voor schade het gaat, of er sprake is van scheurvorming, verzakking, schade door bomen/wortels daarvan, lekkage door het gewelf heen; 8) Verzoek d.d. 26 december 2023: Verzoek om openbaarmaking van a. alle door Royal HaskoningDHV opgestelde documenten met in begrip van, maar niet beperkt tot rapporten, onderzoeksrapporten, inspectierapportages, memo’s en verslagen inzake kelders in het Wervengebied die aan de gemeente zijn verstuurd/overgelegd, b. alle conceptuele documenten, met in begrip van maar niet beperkt tot conceptrapporten, conceptonderzoeksrapporten, conceptinspectie rapportages, conceptmemo’s, en conceptverslagen die betrekking hebben op kelders in het Wervengebied en aan de gemeente Utrecht zijn toegezonden, dan wel overgelegd; c. alle door de gemeente aan Royal Haskoning DHV verstrekte onderzoeksopdrachten, inclusief de onderzoeksvragen, met betrekking tot kelders in het Wervengebied; en d. alle correspondentie tussen de gemeente en Royal HaskoningDHV met betrekking tot kelders in het Wervengebied Verzoek betreft de periode 1 januari 2025 tot het moment van openbaarmaking van besluitvorming. 9) Verzoek d.d. 24 december 2023: Verzoek om openbaarmaking van alle door de onderzoekers van Berenschot afgenomen interviews met inbegrip van, maar niet beperkt tot op schrift gesteld interviews, audio opnames of transcripties daarvan, alle concept onderzoeksrapporten die aan de gemeente zijn voorgelegd, alle correspondentie tussen berenschot en de gemeente en de begeleidingscommissie in het kader van het Onderzoeksrapport van Berenschot “Evaluatie Handhavingsdossier Binnenstad”. UTR 24/4649 – vier Woo-verzoeken 1. Verzoek d.d. 25 januari 2024: Verzoek om openbaarmaking van alle door de onderzoekers van Berenschot afgenomen interviews met inbegrip van, maar niet beperkt tot op schrift gesteld interviews, audio opnames of transcripties daarvan, alle concept onderzoeksrapporten die aan de gemeente zijn voorgelegd, alle correspondentie tussen berenschot en de gemeente en de begeleidingscommissie in het kader van het Onderzoeksrapport van Berenschot “Evaluatie Handhavingsdossier Binnenstad”. 2) Verzoek d.d. 26 januari 2024: Verzoek om openbaarmaking van alle onderzoeks- en adviesrapporten omtrent het voorkomen van schade aan de kelders in het Wervengebied. Inclusief alle conceptuele rapporten (welke mogelijk niet definitief zijn gemaakt). En verzoek om openbaarmaking van alle overzoeksopdrachten ten aanzien van het voorkomen van schade van de gemeente aan onderzoekbureaus of andere organisaties, met inbegrip van de onderzoeksvragen. Verzoek betreft de periode vanaf 1 januari 2012 tot moment van besluitvorming. 3) Verzoek d.d. 29 januari 2024: Verzoek om openbaarmaking van overzicht van alle sinds 1 januari 2015 herstelde kelders in het Wervengebied, met inbegrip van de volgend informatie per kelder: De locatie (straat en huisnummer), welke schade bij welke kelder aanwezig was, korte beschrijving van de uitgevoerde (herstel) werkzaamheden, of het gaat om herstel in opdracht van de Gemeente Utrecht ofwel in opdracht van keldereigenaar, als opdracht door gemeente dan ook de totale herstelkosten per kelder, als opdracht door de keldereigenaar dan de financiële bijdrage al dan niet in vorm van een subsidie: het totale bedrag dat de gemeente, per kelder heeft bijgedragen en welk percentage dat is van de totale herstelkosten. 4) Verzoek d.d. 30 januari 2024: Verzoek om openbaarmaking van een volledig overzicht van alle beschadigde kelders met inbegrip van de volgende informatie per kelder: De locatie (straat en huisnummer) , om wat voor schade het gaat, of er sprake is van scheurvorming, verzakking, schade door bomen/wortels daarvan, lekkage door het gewelf heen; De bestreden besluiten UTR 24/4651 – misbruik van recht 7. Het college heeft de negen ingediende Woo-verzoeken niet in behandeling genomen op grond van artikel 4.6 van de Woo. Het college vindt dat sprake is van misbruik van recht, omdat eiser een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie. Het college baseert dit op (
- i)de wijze en het moment van indienen, (
- ii)de aard en inhoud van de verzoeken, en (iii) de context waarin ze zijn ingediend. Ad (
- i)de wijze en het moment van indienen 8. Eiser heeft in tien dagen negen verschillende verzoeken op zes verschillende dagen gedaan. Al deze verzoeken hebben betrekking op schade aan kelders in het Wervengebied. Het college vindt dat er geen logische reden is waarom niet is volstaan met één verzoek. Het college moet nu negen verschillende besluiten nemen met beslistermijnen die op andere dagen zijn aangevangen. Deze wijze van indiening maakt dat er een onnodige en onoverzichtelijke situatie ontstaat. Eiser dient in staat te worden geacht zijn verzoeken in één duidelijk verzoek te concentreren. Niet alleen vanwege de grote inhoudelijke samenhang, maar ook omdat eiser al beschikt over veel informatie onder meer vanuit eerdere ingediende Woo-verzoeken. Ook heeft eiser de verzoeken in de kerstvakantie ingediend, waardoor de kans bestaat dat de verzoeken onopgemerkt blijven en de kans wordt vergoot dat het besluit niet tijdig wordt genomen, en eiser daartegen rechtsmiddelen kan aanwenden. Ad (
- ii)– de aard en inhoud van de verzoeken 9. Verder vindt het college dat de verzoeken deels zeer algemeen van aard zijn en een zeer grote hoeveelheid documenten omvatten. Zo verzoekt eiser onder andere om (verzoek nummer 5) alle onderzoeks- en adviesrapporten, alle concepten van dergelijke rapporten en om alle daaraan ten grondslag liggende opdrachten openbaar te maken over de periode van 1 januari 2012 tot heden met betrekking tot het voorkomen van schade aan kelders in het Wervengebied. Zo verzoekt eiser (verzoek nummer 7) ook om gedetailleerde informatie over alle beschadigde kelders. Dit terwijl eiser in staat moet zijn meer precies aan te geven welke informatie hij openbaar wil hebben. Dat het college om nadere precisering had moeten verzoeken volgt het college niet omdat dat zou betekenen dat de antimisbruikbepaling altijd kan worden ontlopen. Bij een verzoek waarbij het college van oordeel is dat verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan openbaarmaking van informatie, wordt een verzoek onverwijld buiten behandeling gesteld op grond van artikel 4:6 van de Woo. 9.1. Ook weegt het college mee dat er eiser al over veel informatie over de kelders beschikt door de eerder ingediende Woo-verzoeken en dat er overlap zit tussen de nieuwe Woo-verzoeken en de eerder door eiser ingediende Woo-verzoeken. Ad (iii) - De context waarin ze zijn ingediend 10. Eiser heeft al circa 30 verzoeken ingediend, waarvan een groot deel betrekking heeft op de kelders. Op nagenoeg alle verzoeken is al inhoudelijk een besluit genomen. Aan het afhandelen van deze verzoeken en voeren juridische procedures is zeer veel capaciteit aan besteed. In twee eerdere gevallen is door het college al besloten dat sprake is van misbruik van recht. Dat weerhoudt eiser er echter niet van de negen verzoeken in te dienen, en ook niet om vervolgens op 18 januari 2024 opnieuw vier verschillende verzoeken op vier verschillende dagen in te dienen. Het college vindt verder dat er weldegelijk een financiële prikkel aan deze handelswijze van eiser ten grondslag ligt. Door in korte tijd 13 verzoeken in te dienen, daartegen bezwaar aan te tekenen, heeft eiser 13 procedures gecreëerd waarin 13 keer om proceskostenvergoeding is verzocht. Verder is eiser betrokken geweest bij meer dan 280 bezwaar- en beroepsprocedures. Het college heeft de indruk dat eiser tot doel heeft het onderliggende conflict tussen hem en de gemeente over een onveilige mandelige keldermuur verder te laten escaleren. Het moment van de negen verzoeken valt namelijk samen met een discussie naar aanleiding een verzoek om toepassing te geven aan een last onder bestuursdwang in dat kader. In totaal is tot 1 maart 2023 voor € 985.766,- aan dwangsommen aan eiser uitgekeerd. De verzoeken beperken zich niet meer tot eisers eigen pand of buurpand. De werkzaamheden ter hoogte van eisers rak zijn inmiddels ook afgerond en de verzoeken hebben geen relevantie voor de genoemde handhavingskwestie. Een daadwerkelijk reëel belang bij de ingediende Woo-verzoeken lijkt daarom te ontbreken. UTR 24/4649 – herhaald verzoek en misbruik van recht 11. Het college heeft de vier ingediende Woo-verzoeken niet in behandeling genomen omdat zij gelijkluidend zijn aan vier van de zaak UTR 24/4651 genoemde verzoeken en geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden (artikel 4.6 van de Awb). Daarbij komt dat sprake is van misbruik van recht, omdat eiser een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie (artikel 4.6 van de Woo). Het college verwijst naar de besluitvorming in bovengenoemde zaak ten aanzien van de negen Woo-verzoeken. Het geschil Standpunt van eiser 12. Eiser stelt ten aanzien van beide bestreden besluiten dat hij in bezwaar gemotiveerd heeft betwist dat hij geen ander doel nastreeft dan het verkrijgen van publieke informatie. De beslissingen op bezwaar zijn enkel een herhaling van de primaire beslissing, terwijl het kennelijkheidsvereiste uit artikel 4.6 van de Woo niet rechtens wordt vervuld. Eiser stelt ten aanzien van het tweede bestreden besluit ook dat geen sprake is van herhaalde verzoeken, omdat het aantal was teruggebracht en de omstandigheden anders waren, omdat de eerdere verzoeken niet in behandeling waren genomen. Overwegingen van de rechtbank 13. De rechtbank overweegt als volgt. Eenieder kan een verzoek om informatie indienen op grond van artikel 4.1, eerste lid, van de Woo. Een indiener van een Woo-verzoek hoeft bij zijn verzoek geen belang te stellen. Maar de bevoegdheid tot het indienen van zo’n verzoek is met een bepaald doel toegekend, namelijk dat in beginsel eenieder kennis kan nemen van de betreffende overheidsinformatie. 13.1. Het recht om een verzoek om informatie in te dienen, kan worden misbruikt. Dit is in de rechtspraak reeds onder de Wet openbaarheid van bestuur (de voorganger van de Woo) tot uitdrukking gekomen en is in de Woo vastgelegd in artikel 4.6 van de Woo. Op grond van dit artikel 4.6 van de Woo kan een verzoek buiten behandeling worden gesteld wanneer de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie. Daartoe kan het bestuursorgaan overgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek, dan wel onverwijld nadat is gebleken dat de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie. 13.2. De rechtbank stelt vast dat het college in de beide bestreden besluiten uitgebreid heeft gemotiveerd dat er vanwege ad (
- i)de wijze en het moment waarop eiser de verzoeken heeft ingediend, ad (
- ii)de aard en de inhoud van de verzoeken en ad (iii) de context waarin de verzoeken zijn ingediend, sprake is van misbruik van recht. Het college heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank deugdelijk gemotiveerd waarom er in dit geval sprake is van misbruik van recht. Eiser heeft met de enkele stelling dat hij geen ander doel nastreeft dan het verkrijgen van publieke informatie niet aannemelijk gemaakt dat dit niet juist is. De rechtbank ziet daarvoor ook geen aanknopingspunten. 13.3. De verwijzing door eiser naar de gevallen in de rechtspraak die naar zijn mening veel ernstiger waren, maakt dit niet anders. Er zijn inderdaad zaken waarin het gaat om meer verzoeken, nog omvangrijkere verzoeken en zaken waarin het om eisers gaat die toegeven dat het indienen van verzoeken als drukmiddel in te zetten, maar het gaat hier om de combinatie van de relevante factoren en omstandigheden tezamen, namelijk de timing, het aantal verzoeken, de aard en de omvang, de samenhang en het financieel gewin. 13.4. Voor zover eiser met zijn standpunt dat de beslissingen op bezwaar enkel een herhaling zijn van de primaire beslissingen bedoeld heeft te verwijzen naar hetgeen hij in bezwaar heeft aangevoerd, geeft dat ook geen aanleiding voor een ander oordeel. Daarvoor geldt dat het aan eiser is om in beroep gemotiveerd en specifiek aan te voeren waarom hij het niet eens is met het bestreden besluit. De verwijzing naar de gronden van bezwaar wordt niet als zo’n gemotiveerde en specifieke betwisting opgevat. Daarop is immers gereageerd in het bestreden besluit. Eiser zal dus moeten aanvoeren waarom hij het met die reactie niet eens is. Dat heeft eiser echter niet gedaan. Ook is eiser niet op de zitting verschenen om dit nader toe te lichten. De rechtbank ziet bovendien ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college in de bestreden besluiten niet voldoende op de bezwaargronden van eiser zou zijn ingegaan. 13.5. De beroepsgrond ten aanzien van het misbruik van recht slaagt gelet op het voorgaande niet. 13.6. Nu de rechtbank reeds inhoudelijk tot het oordeel is gekomen dat de beroepsgrond ten aanzien van het misbruik van recht niet slaagt, behoeft de stelling van eiser dat de vier verzoeken in de zaak UTR 24/4649 geen herhaalde verzoeken zijn in de zin van artikel 4:6 van de Awb geen bespreking meer. Conclusie en gevolgen 14. De beroepen zijn gezien het voorgaande ongegrond. Dat betekent dat het college de verzoeken op goede gronden en terecht niet in behandeling heeft genomen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Moet eiser in de proceskosten worden veroordeeld? 15. De bestuursrechter is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter redelijkerwijs heeft moeten maken. Een natuurlijke persoon kan slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. 16. Het college heeft op de zitting verzocht eiser te veroordelen in de proceskosten omdat sprake is van misbruik van (proces)recht. De zitting stond namelijk eerst gepland op 6 maart 2024. Vervolgens heeft eiser op 5 maart 2024 een wrakingsverzoek ingediend. Het college vindt dat eiser het wrakingsverzoek enkel vanwege procedurele redenen heeft ingediend en dat het verzoek er op wijst dat hij niet met de inhoud bezig is. Vervolgens heeft de gemachtigde van eiser zich afgemeld voor de zitting in deze beroepsprocedures van 30 juni 2025. Eiser wilde een daadwerkelijke inhoudelijke behandeling op zitting. Het college verzoekt daarom om een veroordeling in de proceskosten voor het indienen van een verweerschrift door AKD. 17. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een besluit waarin een bestuursorgaan zich – zoals in onderhavig geval – op het standpunt stelt dat betrokkene misbruik maakt van recht, in beginsel niet kennelijk onredelijk is. Dat is mogelijk anders indien de bestuursrechter op grond van dezelfde of vergelijkbare feiten en omstandigheden reeds eerder heeft aangenomen dat betrokkene misbruik van recht heeft gemaakt. Eiser heeft in deze procedures verzocht om een zitting, eiser heeft slechts één dag voor de oorspronkelijke zitting op 6 maart 2025 een wrakingsverzoek ingediend. Dat verzoek is door de wrakingskamer afgewezen. De gemachtigde van eiser had zich al afgemeld voor de zitting van 6 maart 2025 en heeft zich vervolgens afgemeld voor de vervolgens geplande zitting van 30 juni 2025. Eiser is vervolgens (ondanks voornoemd verzoek om een zitting) zonder bericht niet verschenen voor de zitting van 30 juni 2025. Deze wijze van procederen verdient niet de schoonheidsprijs, en legt op de overheid en de rechtspraak beslag. Echter, op dit moment ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor het aannemen van kennelijk onredelijk gebruik van het procesrecht. De rechtbank wijst daarom het verzoek om proceskostenvergoeding van het college af. De rechtbank wijst eiser er echter ook op dat in het licht van de diverse procedures die eiser reeds heeft aangespannen en die samenhangen met de onderhavige kwestie, het feit dat het college ook andere verzoeken reeds niet in behandeling heeft genomen vanwege misbruik van recht, en het feit dat de onderhavige betreden besluiten tot niet in behandeling nemen van in totaal 13 verzoeken door de rechtbank in stand gelaten wordt, dit in de toekomst mogelijk anders zal zijn. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 4:6 van de Woo. Dit staat in artikel 6:5 van de Awb. Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129 en ECLI:NL:RVS:2014:4135, 27 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3580 en ECLI:NL:RVS:2017:3581. Zie rechtsoverwegingen 7 tot en met 11. Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van ECLI:NL:RVS:2020:2163, ECLI:NL:RVS:2019:3750, ECLI:NL:RVS:2019:3754, ECLI:NL:RVS:2019:2923, ECLI:NL:RVS:2019:2817. Dit volgt uit artikel 8:75 van de Awb. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1655.