RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/2754 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2025 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres, (gemachtigde: mr. J.W. Vugts) en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [gemeente], verweerder (gemachtigde: mr. [gemachtigde] ). Inleiding 1. In de beschikking van 28 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres] in [plaats] (de woning) voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op € 465.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2022. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiseres als eigenares van deze woning ook een aanslag onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd. 1.1. Eiseres is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. Bij brief van 29 januari 2024 heeft eiseres de heffingsambtenaar in gebreke gesteld. 1.2. In de uitspraak op bezwaar van 15 februari 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning verlaagd naar € 447.000,-. In de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar ook een besluit genomen op de ingebrekestelling. 1.3. Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. Partijen hebben toestemming verleend om uitspraak te doen zonder zitting. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten. Beoordeling door de rechtbank 2. In geschil is de hoogte van de dwangsom en de proceskostenvergoeding in bezwaar. Niet in geschil is de hoogte van de WOZ-waarde. Dwangsom 3. Eiseres heeft de heffingsambtenaar bij brief van 29 januari 2024 in gebreke gesteld en verzocht binnen twee weken op het bezwaar te beslissen. Aanvankelijk stelde de heffingsambtenaar zich op het standpunt dat de ingebrekestelling op 1 februari 2024 door hem is ontvangen. Eiseres heeft met een verzend- en bezorgbewijs aangetoond dat de ingebrekestelling op 30 januari 2024 is ontvangen door de heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar heeft naar aanleiding van het verzend- en bezorgbewijs zijn standpunt aangepast en verzoekt om gegrondverklaring van het beroep. 3.1. De rechtbank vindt dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat de ingebrekestelling op 30 januari 2024 door de heffingsambtenaar is ontvangen, omdat eiseres een verzend- en bezorgbewijs heeft overgelegd. De heffingsambtenaar had dus tot en met 13 februari 2024 om een uitspraak op bezwaar te nemen. Het bestreden besluit is op 15 februari 2024 genomen. Dit betekent dat eiseres dus recht heeft op een dwangsom over een periode van twee dagen. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren. Proceskostenvergoeding in bezwaar 4. Eiseres voert aan dat de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase verkeerd is vastgesteld in verband met het arrest van de Hoge Raad. In de uitspraak op bezwaar is de WOZ-waarde van de woning verlaagd. Daarom is er een proceskostenvergoeding toegekend van € 748,26 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting, met een waarde per punt van € 310,- en een wegingsfactor 1, en € 128,26 voor het indienen van een deskundigenrapport). 4.1. De heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift aangegeven het eens te zijn met eiseres dat de waarde van € 310,- per punt te laag is, omdat een hoger tarief van toepassing is op basis van het arrest van de Hoge Raad. De heffingsambtenaar stelt zich echter op het standpunt dat de rechtbank voor de hoorzitting geen vergoeding hoeft toe te kennen, omdat er geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden, maar een “schriftelijke hoorzitting”. In het kader daarvan verwijst de heffingsambtenaar naar een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant. Tot slot stelt de heffingsambtenaar zich op het standpunt dat voor het deskundigenrapport te veel vergoeding is toegekend. Op basis van het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2025 hoeft slechts een vergoeding van € 10,69 te worden toegekend. Er is namelijk sprake van een geautomatiseerd opgemaakt taxatierapport waaraan weinig tijd door de taxateur is besteed. De conclusie van de heffingsambtenaar is dat er te veel proceskosten zijn vergoed in de bezwaarfase. In verband met het verbod van reformatio in peius dient de reeds toegekende vergoeding in stand te blijven. 4.2. De rechtbank stelt de proceskosten voor de bezwaarfase vast op € 657,69 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 647,- en een wegingsfactor 1, en € 10,69 voor het indienen van een deskundigenrapport). Het beroep slaagt dus voor zover het is gericht tegen de proceskostenvergoeding in de uitspraak op bezwaar. Er is immers een onjuist bedrag per punt gehanteerd in de bezwaarfase. De rechtbank is echter van oordeel dat het totaalbedrag aan proceskostenvergoeding dat aan eiseres in deze zaak is toegekend in bezwaar in ieder geval niet te laag is. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. 4.3. De rechtbank kent geen vergoeding toe voor de in de bezwaarfase gehouden “schriftelijke hoorzitting”. Het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) bevat geen bepaling op grond waarvan deze proceshandeling voor vergoeding in aanmerking komt. Het staat partijen vrij om af te spreken dat in plaats van het houden van een hoorzitting een aanvullend bezwaarschrift wordt ingediend wat dan bij een gegrondverklaring van het bezwaar ertoe leidt dat de heffingsambtenaar dit bij de berekening van de proceskosten aanmerkt als een hoorzitting. De heffingsambtenaar is (op grond van het vertrouwensbeginsel) aan zo’n afspraak gebonden, maar de rechtbank niet. 4.4. De rechtbank ziet aanleiding tot vergoeding van het deskundigenrapport. Het is echter niet aannemelijk dat de taxateur van Wilhelmus WOZ-taxaties meer dan een geringe hoeveelheid tijd aan het rapport heeft besteed. De rechtbank stelt de vergoeding voor de kosten van het woningwaarderapport daarom vast op (afgerond) € 10,69 (1/6 uur x € 53 te vermeerderen met 21% BTW) omdat zij een tijdsbesteding van tien minuten redelijk acht. 4.5. Gelet op het verbod op reformatio in peius kan het bedrag aan verschuldigde proceskosten voor de bezwaarfase niet lager worden vastgesteld dan bij het bestreden besluit is gebeurd. Om die reden zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb, de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand laten. Immateriële schadevergoeding 5. Eiseres heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt. 5.1. De rechtbank moet eerst beoordelen of het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024 van toepassing is op deze zaak. Uit dit arrest volgt dat de weergegeven wijzigingen niet gelden voor zaken waarin (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.