RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht zittingsplaats Almere zaaknummer: 11184594 MM VERZ 24-1564 CJIB-nummer: 256161102 beslissing van 27 oktober 2025 van de kantonrechter en proces-verbaal van de zitting van 13 oktober 2025 inzake [betrokkene] , te [plaats] , [adres] , hierna te noemen: betrokkene, gemachtigde: M.J.M. Bergers. Procesverloop Bij inleidende beschikking is aan betrokkene een administratieve sanctie opgelegd van € 380,00. De sanctie is opgelegd voor een gedraging op 2 maart 2023 om 10:42 uur te Almere met de personenauto, kenteken [kenteken] . Het gaat om als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden. Bij beslissing op het administratief beroep heeft de officier van justitie de sanctie gehandhaafd en het beroep ongegrond verklaard. Tegen de beslissing van de officier van justitie heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. De kantonrechter heeft partijen in de gelegenheid gesteld om op de zitting van 13 oktober 2025 hun zienswijze nader toe te lichten. Gemachtigde is verschenen. Namens de officier van justitie is een zittingsvertegenwoordiger verschenen. De kantonrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Standpunten Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. In aanvulling op het beroepschrift heeft gemachtigde aangevoerd dat deze zaak, gelet op de datum van de beslissing van de officier van justitie, valt onder de Wet herwaardering proceskostenvergoeding (Whpkv). Volgens gemachtigde is de instapvergoeding van € 12,99 die in iedere zaak in rekening wordt gebracht niet symbolisch en is daarmee het optreden van gemachtigde niet gelijk te stellen aan ‘no cure, no pay’. Gemachtigde benadrukt dat het verdienmodel van het kantoor niet afhankelijk is van proceskostenvergoedingen van gewonnen zaken. Volgens gemachtigde kan het kantoor door middel van het hanteren van de instapvergoeding de kosten van de bedrijfsvoering betalen. Door het vragen van een instapvergoeding, blijft het aantal aanmeldingen bovendien beperkt en kan gemachtigde maatwerk leveren. Dat is ook wat cliënten van gemachtigde verwachten, juist omdat zij een instapvergoeding moeten betalen. De zittingsvertegenwoordiger heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat de gedraging kan worden vastgesteld en het beroep bij de kantonrechter ongegrond is. Volgens de zittingsvertegenwoordiger zijn verbalisanten getraind om dergelijke overtredingen waar te nemen en wordt daarom niet getwijfeld aan de waarneming van de verbalisant. De zittingsvertegenwoordiger verzoekt om de beslissing van de officier van justitie te vernietigen en het sanctiebedrag te matigen met 25%, omdat de hoorplicht is geschonden. Volgens de zittingsvertegenwoordiger is de hoorplicht bewust geschonden vanwege de door gemachtigde ingediende ingebrekestelling. Verder stelt de zittingsvertegenwoordiger zich op het standpunt dat de redelijke termijn van berechting is overschreden en de sanctie daarom (nogmaals) moet worden gematigd met 25%. Tot slot houdt de zittingsvertegenwoordiger het standpunt van de CVOM voor met betrekking tot de vraag of een symbolische bijdrage gelijk is te stellen met no cure no pay: “De instapvergoeding van €12,99 komt in wezen overeen met een no cure no pay-bedrijf en is zodanig laag dat deze als een symbolische bijdrage kan worden beschouwd. In het arrest van 25 april 2024 (ECLI:NL:HR:2025:670) is geoordeeld dat het bedrijfsmodel van een gemachtigde of kantoor, waarbij wordt opgetreden op basis van no cure no pay of een soortgelijke grondslag, als zodanig kan worden aangemerkt. De (geringe) vergoeding van €12,99 die door de gemachtigde wordt berekend, komt daarmee in wezen overeen met een no cure no pay-constructie en kan op die basis als gelijkwaardig worden beschouwd.” Beoordeling De kantonrechter komt tot het volgende oordeel. In zaken op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders als de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken. De kantonrechter ziet in wat gemachtigde heeft aangevoerd, geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht en de foto’s. De enkele stelling dat betrokkene geen telefoon heeft vastgehouden, is daarvoor onvoldoende. Schending hoorplicht De kantonrechter stelt vast dat sprake is van schending van de hoorplicht. In het arrest van 17 augustus 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:6930) heeft het hof geoordeeld dat ten aanzien van de zaken waarin een betrokkene zich laat bijstaan door een professioneel gemachtigde sprake is van een structurele schending van de hoorplicht. Het hof heeft toen geen aanleiding gezien om in die zaken het sanctiebedrag te matigen, omdat aan die schending niet hetzelfde gewicht toekomt als in de zaken van betrokkenen zonder professioneel gemachtigde en er concreet zicht was op een oplossing. In deze zaak is door de officier van justitie op 5 februari 2024 beslist op het administratief beroep. Er kan derhalve worden geoordeeld dat de (structurele) schending van de hoorplicht, zoals vastgesteld in het arrest van het hof van 17 augustus 2023, voortduurt na 1 oktober 2023, de datum waarop, naar informatie van het openbaar ministerie ook in zaken met een professionele gemachtigde weer zou worden gehoord (ECLI:NL:GHARL:2024:5796). Bovendien heeft de zittingsvertegenwoordiger verklaard dat na ontvangst van de ingebrekestelling van gemachtigde bewust van het horen van de (gemachtigde van) betrokkene is afgezien en een beslissing is genomen. Hieruit volgt dat de hoorplicht bewust is geschonden. De kantonrechter zal daarom het bedrag van de sanctie matigen met 25% (ECLI:NL:GHARL:2025:2912). Schending redelijke termijn De kantonrechter stelt vast dat de redelijke termijn in deze zaak is overschreden. In lijn met vaste jurisprudentie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is de kantonrechter van oordeel dat het sanctiebedrag daarom (nogmaals) dient te worden gematigd met 25% (ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Proceskostenvergoeding Nu het bedrag van de sanctie wordt gematigd, wordt de betrokkene in het gelijkgesteld en komen de proceskosten voor vergoeding in aanmerking. Proceskosten fase administratief beroep Er is geen sprake van een aan het bestuursorgaan (de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd) te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 13a, eerste lid, van de Wahv gelezen in samenhang met artikel 7:28, tweede lid, van de Awb zodat de in administratief beroep gemaakte kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Proceskosten beroepsfase Uit het overgangsrecht van de Whpkv volgt dat artikel 13a, tweede lid, van de Wahv (nieuw) van toepassing is op rechtsmiddelen tegen na 31 december 2023 bekendgemaakte besluiten en beslissingen. De kantonrechter stelt vast dat de beslissing van de officier van justitie na 31 december 2023 is bekendgemaakt. De extra vermenigvuldigingsfactor uit artikel 13a, tweede lid, van de Wahv wordt toegepast als aan een betrokkene rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.