← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:5747

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/3232 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2025 in de zaak tussen [verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. P.W.E. Ros), en Dienst Toeslagen, verweerder (gemachtigde: [gemachtigde] ). Inleiding Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. Verzoekster heeft beroep ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 15 november 2023 om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. Verweerder heeft op 23 juni 2025 alsnog een besluit bekend gemaakt op de aanvraag van verzoekster. Verzoekster heeft het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten. Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek. Overwegingen

  1. Het beroep is ingediend bij de rechtbank Limburg, die het vervolgens heeft doorgestuurd naar de rechtbank Midden-Nederland. Deze laatste rechtbank is namelijk de bevoegde rechtbank om op het beroep van eiseres te beslissen.
  2. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
  3. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
  4. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoekster. Verweerder heeft wel op 19 juni 2025 een verweerschrift naar aanleiding van het beroep niet tijdig beslissen ingediend, waarin verweerder aangeeft dat verzoekster in aanmerking komt voor een proceskostenvergoeding.
  5. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5 omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden).
  6. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster kan zich hiervoor wenden tot verweerder. Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50 aan proceskosten. Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober
  7. de griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Artikel 8:7, tweede lid, van de Awb. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Conform de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1796.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.